Rechtbank Rotterdam 23 maart 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:1966.
HR, 21-03-2025, nr. 24/00590
ECLI:NL:HR:2025:437
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
21-03-2025
- Zaaknummer
24/00590
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Pachtrecht (V)
Erfrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:437, Uitspraak, Hoge Raad, 21‑03‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2023:2339
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1409
ECLI:NL:PHR:2024:1409, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 20‑12‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:437
Beroepschrift, Hoge Raad, 03‑04‑2024
- Vindplaatsen
Sdu Nieuws Belastingzaken 2025/355
Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2025/177
JERF Actueel 2025/143
BPR-Updates.nl 2025-0024
ERF-Updates.nl 2025-0207
VEAN-ERF-Updates.nl 2025-0207
ERF-Updates.nl 2025-0208
VEAN-ERF-Updates.nl 2025-0208
V-N 2025/19.17 met annotatie van Redactie
JERF 2025/71
TvAR 2025/8215 met annotatie van T.J. Mellema-Kranenburg
JERF Actueel 2025/50
ERF-Updates.nl 2025-0142
VEAN-ERF-Updates.nl 2025-0142
Uitspraak 21‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Erfrecht. Berekening van legitieme portie. Art. 4:65 e.v. BW. Bedrijfsopvolgingsrechtspraak. Is verdelings- en overnamebeding in vof-akte een gift? Is hof buiten debat van partijen getreden?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/00590
Datum 21 maart 2025
ARREST
In de zaak van
[zoon 1],
wonende te [plaats],
EISER tot cassatie,
hierna: [zoon 1],
advocaat: H.J.W. Alt,
tegen
[zoon 2],
wonende te [plaats],
VERWEERDER in cassatie,
hierna: [zoon 2],
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak 594859 / HA ZA 20-379 van de rechtbank Rotterdam van 12 mei 2021 en 23 maart 2022;
b. het arrest in de zaak 200.312.330/01 van het gerechtshof Den Haag van 21 november 2023.
[zoon 1] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Tegen [zoon 2] is verstek verleend.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal M.H. Wissink strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.
De advocaat van [zoon 1] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [zoon 1] en [zoon 2] zijn broers. Hun vader is in 2016 overleden en hun moeder in 2019.
(ii) Op basis van de wettelijke verdeling verkreeg de moeder alle goederen van de nalatenschap van de vader en verkregen [zoon 1] en [zoon 2] een renteloze vordering op hun moeder.
(iii) In haar testament heeft de moeder [zoon 1] benoemd tot haar enige erfgenaam en tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder. [zoon 2] maakt aanspraak op zijn legitieme portie.
(iv) De moeder verpachtte onroerende zaken, gelegen nabij [plaats], aan de vennootschap onder firma waarin [zoon 1] met zijn echtgenote en zoon een melkveehouderij in [plaats] exploiteerde (hierna: vof 1).
(v) Bij akte van 8 april 2017 is de moeder toegetreden tot vof 1, met dien verstande dat het resultaat met ingang van 1 januari 2017 werd aangemerkt als resultaat van de vier vennoten (hierna: vof 2). De akte van 8 april 2017 (hierna: de vof 2-akte) houdt onder meer in dat de moeder de onroerende zaken die zij aan vof 1 had verpacht, heeft ingebracht in vof 2. De vof 2-akte bevat voorts een verdelings- en overnamebeding op grond waarvan [zoon 1] na het overlijden van de moeder haar aandeel in het vermogen van vof 2 mag overnemen. Over de daarbij in aanmerking te nemen waarde houdt de vof 2-akte in dat alle zaken en vermogensrechten worden gewaardeerd overeenkomstig een waarde waarbij een externe financier een lening voor de overname van het bedrijf wenst te verstrekken en waarbij tevens een lonende exploitatie van het bedrijf mogelijk is, met dien verstande dat de overnamesom dusdanig dient te zijn dat daardoor een goede oudedagsvoorziening resteert voor [zoon 1] en zijn echtgenote.
(vi) Na het overlijden van de moeder heeft een adviseur van [zoon 1] het ondernemingsvermogen van vof 2 per 31 december 2019 gewaardeerd, uitgaande van de in het verdelings- en overnamebeding genoemde maatstaf, op € 143.505,-- en het aandeel van de moeder van 63,34% per overlijdensdatum op € 90.896,--.
(vii) Dezelfde adviseur heeft de aangifte erfbelasting van de moeder opgesteld en daarin vermeld dat het ondernemingsvermogen van vof 2 op basis van de liquidatiewaarde een waarde van € 2.273.933,-- heeft en dat het aandeel van de moeder daarin € 1.440.292,-- bedraagt.
2.2
Voor zover in cassatie nog van belang vordert [zoon 2] in deze procedure van [zoon 1] betaling van zijn legitieme portie uit de nalatenschap van de moeder. Volgens [zoon 2] bedraagt de legitieme portie € 461.700,10. Volgens [zoon 1] bedraagt deze € 69.311,--, althans € 134.743,--.
2.3
De rechtbank1.heeft [zoon 1] veroordeeld tot betaling aan [zoon 2] van € 462.630,75.
2.4
Het hof2.heeft het vonnis van de rechtbank gedeeltelijk vernietigd en [zoon 1] veroordeeld tot betaling aan [zoon 2] van € 436.650,83. Daartoe heeft het hof onder meer het volgende overwogen.
“15. De kern van het geschil tussen partijen is of de toetreding van [de moeder] tot vof en/of de afwikkeling van vof 2 waarbij [zoon 1] het aandeel van [de moeder] in het vof 2-vermogen mag overnemen, aangemerkt dient te worden als een gift. Als sprake is van een gift dan is deze van belang voor de berekening van de legitimaire massa. (…) Als geschilpunt is door [zoon 2] expliciet geformuleerd dat het in de vof 2-akte opgenomen Verdelings- en overnemingsbeding aangemerkt dient te worden als een quasi-legaat waarvoor als vormvereiste geldt de notariële akte.
(…)
18. In de visie van [zoon 1] (…) [brengt] het aangaan van een vof niet met zich [mee] dat sprake is van een schenking. (…) [zoon 1] verwijst naar [de bedrijfsopvolgingsrechtspraak]. Door [zoon 1] wordt (…) aangegeven (…) dat geen sprake is geweest van een bevoordelingsbedoeling ten tijde van het aangaan van de overeenkomst van vennootschap onder firma 2 noch bij gelegenheid van de voortzetting na overlijden van [de moeder].
(…)
20. (…) Door [zoon 2] is onder meer gesteld dat [de moeder en de vader] in het verleden hun eigen agrarische onderneming hebben gehad welke zich bevond (…) nabij [plaats]. [De moeder en de vader] hadden geen belang of zeggenschap in de agrarische onderneming van [zoon 1] die gevestigd was in de [plaats]. (…) [De moeder is] op 77-jarige leeftijd toegetreden tot de vof 1. [zoon 2] is van mening dat de toetreding van [de moeder] tot vof 1 kan worden aangemerkt als een gift. In de visie van [zoon 2] is in deze zaak geen sprake van een (klassieke) bedrijfsopvolgingssituatie. Het is niet [zoon 1] die toetreedt tot het agrarisch bedrijf van zijn ouders waarna hij het familiebedrijf in het kader van bedrijfscontinuïteit op grond van een voortzettings- en overnamebeding overneemt. (…) [zoon 2] is van mening dat een verwijzing naar de bekende bedrijfsopvolgingsjurisprudentie niet opgaat.
(…)
24. Het hof overweegt als volgt. Om vast te stellen of de toetreding van [de moeder] tot vof 1 een gift is dan wel of de vermogensrechtelijke afwikkeling van vof 2 een gift is, is een analyse van de feiten noodzakelijk. Uit het betoog van [zoon 1] volgt dat de onroerende zaken die [de moeder] aan de vof 1 had verpacht, voor [de moeder] geen ondernemingsvermogen was: de onroerende zaken kwalificeerden voor haar als box 3 vermogen, dus als belegging. Een belegging kan naar het oordeel van het hof niet als een onderneming worden gekwalificeerd. Het hof is derhalve van oordeel dat de bedrijfsopvolgingsrechtspraak waarnaar [zoon 1] verwijst in het onderhavige geval niet relevant is.
25. Vof 1 had voor 1 januari 2017 het gebruik van de onroerende zaken van [de moeder], de vof 1 pachtte namelijk de onroerende zaken van [de moeder]. Uit het feitelijk handelen van de vennoten van vof 1 en [de moeder] volgt dat de pachtovereenkomst tussen de vof 1 enerzijds en [de moeder] anderzijds per 1 januari 2017 in obligatoire zin is beëindigd. Als dat niet het geval zou zijn geweest dan had [de moeder] niet het gebruik van de onroerende zaken kunnen inbrengen in de vof 2. Dus op het moment van de inbreng behoorde tot het vermogen van [de moeder] het onbezwaarde eigendom – dus vrij van pacht – van de onroerende zaken. (…)
(…)
27. Op basis van de hiervoor vermelde feiten is het hof met de rechtbank van oordeel dat door het toetreden van [de moeder] tot de vof, sprake is van een gift van [de moeder] aan [zoon 1]. Op het moment van het aangaan van de vof 2 bedroeg het box 3 vermogen dat zij in de vof inbracht plus minus € 1.440.292,-. Door het sluiten van de overeenkomst van vof 2 ontstond voor [zoon 1] op dat moment een recht om het “ondernemingsvermogen” van [de moeder] over te nemen tegen een waarde van plus minus € 90.896,-. Het hof neemt daarbij mede in overweging dat het beding van art. 17 voor zover dat ziet op de overname van een aandeel van een vennoot ten gevolge van diens overlijden geen wederkerig karakter heeft, doch uitsluitend werkt ten gunste van [zoon 1]. Alleen voor hem geldt immers alsdan de mogelijkheid de verkrijging van het aandeel tegen de waarde als vermeld in lid 1 van dit artikel. In de rechtshandeling van [de moeder] en [zoon 1] ligt dus een gift besloten.
28. Voorts is het hof van oordeel dat in dit specifieke geval – waarbij [de moeder] een belegging heeft ingebracht in de vof 2 – het Verdelings- en overnemingsbeding als een quasi-legaat in de zin van artikel 4:126 lid 2 onder a. BW moet worden aangemerkt. Conform artikel 7:177 BW juncto artikel 7:186 BW had dit beding opgenomen dienen te zijn in een notariële akte. Nu aan dit vormvereiste niet is voldaan is het overnemingsbeding zoals opgenomen in de vof 2-akte nietig.
29. Het vorenstaande impliceert dus dat tot de nalatenschap van [de moeder] behoort het volle en vrije eigendom van de onroerende zaken zoals vermeld in de akte van vof. Bij de berekening van de legitimaire massa moet dus meegenomen worden de waarde van die goederen op datum van het overlijden van [de moeder].
Wat is de hoogte van de legitieme van [zoon 2]?
30.1 (…)
Zoals hiervoor uiteengezet, beslist het hof dat de waarde van het ondernemingsvermogen dient te worden vastgesteld op € 1.440.292,-.
- de onroerende zaken, genummerd (…). Deze percelen zijn ingebracht in de Vof 2. (…)
(…) [A]an de orde [komt] welke waarde voor de berekening van de legitimaire massa, aan het woonhuis met ondergrond voor zover deze niet is ingebracht dient te worden toegekend. Tussen [zoon 2] en [zoon 1] is niet in geschil dat dient te worden uitgegaan van de waarde van het woonhuis in het economisch verkeer. (…) Het hof is van oordeel dat het op de weg van [zoon 1] had gelegen de waarde van het woonhuis nader te onderbouwen, nu [zoon 2] de door [zoon 1] gehanteerde waarde uitdrukkelijk en gemotiveerd heeft betwist terwijl [zoon 1] ter zake niet steeds een eenduidig standpunt innam. (…) Nu [zoon 1] heeft nagelaten een nadere onderbouwing te geven, gaat het hof. mede gelet op het door [zoon 2] ter zake gestelde, uit van een bedrag van € 970.000.-.
(…)
- Schenkingen: ten aanzien van de post schenkingen merkt [zoon 1] op dat de aan de kleinkinderen geschonken bedragen hoger zijn en wel een bedrag van € 103.080 bedragen. Ten aanzien van de aan [zoon 2] en [zoon 1] gedane schenkingen, grieft [zoon 1] niet. Ook [zoon 2] stemt hiermee in. Het hof zal van deze gegevens dan ook uitgaan. Resumerend zullen de volgende schenkingen in aanmerking worden genomen: schenkingen aan [zoon 1] € 75.000,00, schenkingen aan [zoon 2] € 175.000,00 en schenkingen aan de kleinkinderen €103.080, derhalve in het totaal € 353.080.”
3. Beoordeling van het middel
3.1.1
Onderdeel II.2 van het middel is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 24 dat de bedrijfsopvolgingsrechtspraak in het onderhavige geval niet relevant is omdat de onroerende zaken die de moeder aan de vof 1 had verpacht voor haar geen ondernemingsvermogen waren, maar een belegging, en dat een belegging niet als een onderneming kan worden gekwalificeerd. Het onderdeel klaagt onder meer dat het hof met dat oordeel buiten het debat van partijen is getreden en zijn taak als rechter in hoger beroep heeft miskend, nu [zoon 2] niet heeft gesteld dat de onroerende zaken voor de moeder beleggingen waren en daarom niet als onderneming gekwalificeerd konden worden en dat op die grond de bedrijfsopvolgingsrechtspraak niet van toepassing is.
3.1.2
Met het begrip bedrijfsopvolgingsrechtspraak wordt gedoeld op de rechtspraak van de Hoge Raad over agrarische bedrijfsopvolging, die inhoudt dat de eisen van redelijkheid en billijkheid, die de rechtsbetrekkingen tussen deelgenoten in een gemeenschap beheersen, in het algemeen in de weg staan aan een waardering die voorzetting van een (nog juist lonend) bedrijf onmogelijk maakt, en dat hieruit voortvloeit dat in het algemeen sprake zal zijn van nakoming van een verplichting – en niet van de bedoeling tot bevoordeling die is vereist voor het aannemen van een schenking – voor zover waardering op een lagere waarde dan de economische waarde noodzakelijk is om de voortgezette bedrijfsuitoefening te verzekeren.3.
3.1.3
Het staat de rechter niet vrij zijn beslissing te baseren op rechtsgronden of verweren die weliswaar zouden kunnen worden afgeleid uit in het geding gebleken feiten en omstandigheden, maar die door de desbetreffende partij niet aan haar vordering of verweer ten grondslag zijn gelegd. Daardoor wordt de wederpartij immers tekortgedaan in haar recht zich daartegen naar behoren te kunnen verdedigen.4.
3.1.4
Zoals het hof in rov. 20 heeft weergegeven, heeft [zoon 2] aan zijn standpunt dat het verdelings- en overnamebeding in de vof 2-akte een gift vormt en dat de bedrijfsopvolgingsrechtspraak niet van toepassing is ten grondslag gelegd – kort gezegd – dat van bedrijfsopvolging geen sprake is nu de moeder op 77-jarige leeftijd is toegetreden tot de vof waarin [zoon 1] met zijn echtgenote en zijn zoon een eigen agrarische onderneming dreef. [zoon 2] heeft zich niet op het standpunt gesteld dat de bedrijfsopvolgingsrechtspraak niet van toepassing is op de grond dat de onroerende zaken die de moeder aan vof 1 had verpacht, voor haar een belegging waren en dat een belegging niet als onderneming kan worden gekwalificeerd.
Het hof heeft met zijn oordeel de feitelijke grondslag van de vordering van [zoon 2] aangevuld en daarmee de hiervoor in 3.1.3 weergegeven regel miskend. De hiervoor in 3.1.1 genoemde klacht slaagt dus.
3.1.5
Onderdeel II.2 klaagt voorts dat het hof geen kenbare aandacht heeft besteed aan het betoog van [zoon 1] dat toepassing van de bedrijfsopvolgingsrechtspraak gerechtvaardigd is omdat (i) van 1 juli 1998 tot 1 januari 2000 een maatschap bestond van de vader en [zoon 1] waarin de percelen nabij [plaats] werden geëxploiteerd (ii) van 1 januari 2000 tot 1 januari 2003 een vof bestond van vader, [zoon 1] en zijn vrouw, die de percelen in [plaats] en die nabij [plaats] omvatte, en (iii) vanaf 1 januari 2003 een maatschap bestond van [zoon 1] en zijn vrouw waarin tot 1 januari 2017 de percelen nabij [plaats] waren verpacht aan [zoon 1], dat de pachtverhouding een onlosmakelijk onderdeel was van de voortzetting van de onderneming nadat de maatschap met de vader was ontbonden en dat het daarom niet opmerkelijk is dat partijen in de vof 2-akte zijn overeengekomen dat de waarde van de grond moet worden berekend op basis van net lonende exploitatie.
3.1.6
Deze klacht slaagt. Bij de beantwoording van de vraag of de bedrijfsopvolgingsrechtspraak in dit geval relevant is, kon het hof niet ongemotiveerd voorbijgaan aan het hiervoor in 3.1.5 weergegeven betoog van [zoon 1], dat erop neerkomt dat de verpachting en het verdelings- en overnamebeding in de vof 2-akte moeten worden begrepen tegen de achtergrond van de eerdere gezamenlijke bedrijfsvoering op de locaties nabij [plaats] en in [plaats].
3.2.1
De onderdelen II.4 en II.5 bestrijden het oordeel van het hof in rov. 25 dat uit het feitelijk handelen van de vennoten van vof 1 en de moeder volgt dat de pachtovereenkomst tussen de vof 1 en de moeder per 1 januari 2017 in obligatoire zin is beëindigd, dat als dat niet zo zou zijn de moeder niet het gebruik van de onroerende zaken had kunnen inbrengen in de vof 2 en dat dus op het moment van die inbreng tot het vermogen van de moeder behoorde het onbezwaarde eigendom – dus vrij van pacht – van de onroerende zaken.
Onderdeel II.4 klaagt dat het hof hiermee buiten het debat van partijen is getreden omdat geen van de partijen heeft aangevoerd dat per 1 januari 2017 de pachtovereenkomst in obligatoire zin is beëindigd.
Onderdeel II.5 betoogt onder meer dat het oordeel van het hof dat zonder het beëindigen van de pachtovereenkomst de moeder het gebruik van de onroerende zaken niet had kunnen inbrengen in de vof 2, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
3.2.2
Onderdeel II.4 slaagt omdat [zoon 1] heeft betoogd dat de pachtverhouding voortduurde na de inbreng in de vof 2 en [zoon 2] slechts terloops de vraag heeft opgeworpen of dat mogelijk is (zie de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal onder 2.41.2-2.41.4).
3.2.3
Ook onderdeel II.5 slaagt. De kennelijke opvatting van het hof dat het bestaan van een vennootschap onder firma tussen partijen, pacht tussen diezelfde partijen uitsluit, is onjuist. Indien de ene partij in een maatschap of een vof de grond inbrengt en de andere partij de grond bewerkt, kan daarin een pachtovereenkomst besloten liggen, mede vanwege het dwingendrechtelijke karakter van het pachtrecht.5.Als het hof niet is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, is zijn oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk.
3.3
Het slagen van de onderdelen II.2, II.4 en II.5 brengt mee dat evenmin in stand kunnen blijven (i) het oordeel van het hof in rov. 27 dat door het toetreden van de moeder tot de vof sprake is van een gift van de moeder aan [zoon 1] en dat op dat moment het vermogen dat zij in de vof inbracht plus minus € 1.440.292,-- bedroeg en (ii) het oordeel in rov. 28 dat het verdelings- en overnamebeding als een quasi-legaat in de zin van art. 4:126 lid 2, onder a, BW moet worden aangemerkt. In zoverre slagen de klachten van de onderdelen II.6 en II.7.
Ook slagen de voortbouwklachten van onderdeel II.10 die zijn gericht tegen rov. 29, de slotzin van rov. 30.1 en de eerste volzin van rov. 27.
Onderdeel III, dat onder meer klaagt dat het hof in rov. 28 het verdelings- en overnamebeding als een quasi-legaat heeft gekwalificeerd zonder [zoon 1] in de gelegenheid te stellen om te reageren op de desbetreffende stelling van [zoon 2] bij memorie van antwoord, behoeft daarom geen behandeling. Na verwijzing is [zoon 1] in de gelegenheid zich daarover uit te laten.
3.4.1
Onderdeel IV bestrijdt de berekening door het hof van de legitieme portie van [zoon 2] in rov. 30.1, 30.2 en 31.
3.4.2
Voor zover aan die berekening ten grondslag ligt dat de waarde van het aandeel van de moeder in het ondernemingsvermogen van vof 2 dient te worden gesteld op € 1.440.292,--, volgt uit het slagen van de hiervoor behandelde klachten van onderdeel II dat de berekening van het hof niet in stand kan blijven, zoals onderdeel IV.4 aanvoert.
3.4.3
Onderdeel IV.2 klaagt terecht dat het hof bij de berekening van de legitieme portie schenkingen aan de kleinkinderen van in totaal € 103.080,-- in aanmerking heeft genomen.
Het partijdebat in eerste aanleg en hoger beroep (zie de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal onder 2.60.1-2.60.4) laat geen andere conclusie toe dan dat het genoemde bedrag betrekking heeft op legaten aan de kleinkinderen en dat het dus geen giften betreft die op grond van art. 4:65 e.v. BW in aanmerking genomen moeten worden bij de berekening van de legitieme portie.
3.4.4
De onderdelen IV.3 en IV.5 klagen erover dat het hof in rov. 30.2 als waarde van het niet in vof 2 ingebrachte woonhuis een bedrag van € 970.000,-- in aanmerking heeft genomen. De onderdelen klagen in de kern dat het hof er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de waarde van het woonhuis en de waarde van de percelen die de moeder had ingebracht in vof 2.
Deze klacht is gegrond. Uit het partijdebat in feitelijke instanties (zie de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal onder 2.63.1 en 2.63.2) blijkt dat tussen partijen niet in geschil is dat het bedrag van € 970.000,-- de opbrengst is van de verkoop van het woonhuis en de door de moeder in vof 2 ingebrachte percelen tezamen. Het oordeel van het hof dat voor de waarde van het woonhuis zonder de ingebrachte percelen moet worden uitgegaan van € 970.000,-- is daarom onbegrijpelijk.
3.5
Onderdeel V behoeft geen behandeling.
3.6
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 21 november 2023;
- verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;
- compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.E. du Perron, als voorzitter, H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 21 maart 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 21‑03‑2025
Gerechtshof Den Haag 21 november 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2339.
HR 20 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF1029, rov. 3.3.2 en HR 13 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8172, rov. 3.4.4.
HR 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:23, rov. 3.1.2, HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1357, rov. 3.3.2.
Kamerstukken II 2005/06, 30448, nr. 3, p. 11-12. Vgl. HR 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:874, rov. 4.4.5 en HR 12 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2034, rov. 3.2.2.
Conclusie 20‑12‑2024
Inhoudsindicatie
Erfrecht. Omvang legitimaire massa. Was toetreding erflaatster tot agrarische vof een gift? Quasi-legaat?
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00590
Zitting 20 december 2024
CONCLUSIE
M.H. Wissink
In de zaak
[zoon 1] ,
(hierna: [zoon 1] )
tegen
[zoon 2]
(hierna: [zoon 2] )
De broers [zoon 1] en [zoon 2] hebben een geschil over de hoogte van de nalatenschap van hun moeder en daarmee samenhangend de hoogte van de legitieme portie van [zoon 2] . [zoon 1] , enig erfgenaam van zijn moeder, komt in cassatie op tegen de oordelen van het hof dat het toetreden van moeder tot de vof van [zoon 1] , zijn echtgenoot en zoon moet worden gezien als een gift, en dat het verdelings- en overnemingsbeding uit de vof 2-akte als een quasi legaat moet worden aangemerkt. Voorts richt hij klachten tegen de berekening van de legitieme door het hof. Het middel slaagt naar mijn mening gedeeltelijk.
1. Feiten en procesverloop
1.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:1.
(i) Partijen zijn de kinderen uit het huwelijk van [erflater] (hierna: erflater) en [erflaatster] (hierna: erflaatster) .
(ii) Erflater is op […] 2016 overleden. Op basis van het testament van erflater verkreeg erflaatster van rechtswege (wettelijke verdeling) alle goederen van de nalatenschap, terwijl de schulden van de nalatenschap van erflater voor haar rekening kwamen. [zoon 1] en [zoon 2] verkregen een renteloze vordering op erflaatster. Deze vorderingen zijn vastgelegd in een notariële akte d.d. 17 oktober 2017.
(iii) Erflaatster is op […] 2019 overleden. Zij beschikte bij testament van 12 oktober 2017 over haar nalatenschap. In dit testament benoemde zij [zoon 1] tot haar enige erfgenaam en tot executeur/afwikkelingsbewindvoerder in haar nalatenschap.
(iv) [zoon 1] exploiteerde met zijn echtgenoot en zoon, in de vorm van een vennootschap onder firma (hierna vof 1) een melkveehouderij in [plaats] .
(v) Erflaatster verpachtte aan vof 1 onroerende zaken te [plaats] . Deze verpachte zaken behoorden in fiscale zin tot haar box 3 vermogen.
(vi) Op 8 april 2017 is erflaatster toegetreden tot vof 1, met dien verstande dat het resultaat met ingaan van 1 januari 2017, met terugwerkende kracht, werd aangemerkt als resultaat van de vier vennoten (hierna vof 2). De vier vennoten hebben hun rechten en verplichtingen vastgelegd in een onderhandse akte van vennootschap onder firma (vof 2-akte). Deze akte is op 8 april 2017 door alle vier de vennoten ondertekend. Bij onderhandse akte van 26 augustus 2017 is voornoemde akte gerectificeerd, deze rectificatie betreft het vervreemdingsbeding.2.
(vii) Uit artikel 4 van de vof 2-akte volgt dat erflaatster in de vof het gebruik en het genot heeft ingebracht van een groot aantal onroerende zaken waarvan erflaatster eigenaresse was. De onroerende zaken die zij heeft ingebracht waren de onroerende zaken die zijn aan vof 1 had verpacht en deze zijn gespecificeerd in artikel 4.B lid 1 van de vof 2-akte.
(viii) Door het overlijden van erflaatster op […] 2019 is ten aanzien van erflaatster de vof geëindigd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 13 lid 1 letter c van de vof 2-akte. Op grond van artikel 13 lid 6 van de vof 2-akte, mocht [zoon 1] het aandeel van erflaatster in het vermogen van de vof 2 overnemen. In artikel 17 van de vof 2-akte is bepaald tegen welke voorwaarden [zoon 1] dit mocht doen. Een passage uit artikel 17 lid 1 luidt als volgt: ‘‘waarbij alle zaken, zowel roerende als onroerende, en vermogensrechten op het moment van verdeling worden gewaardeerd overeenkomstig een waarde waarbij een externe financier een lening voor de overname van het bedrijf wenst te verstrekken en waarbij tevens een lonende exploitatie van het bedrijf mogelijk is, met dien verstande dat de overname som dusdanig dient te zijn dat daardoor een goede oudedagsvoorziening resteert voor vennoot sub 1, sub 2 en sub 4.’’
(ix) ABAB accountants en adviseurs (hierna: ABAB) is de adviseur geweest van erflaatster en [zoon 1] . Door ABAB zijn onder meer de volgende overeenkomsten en fiscale aangiftes opgesteld: - de pachtovereenkomst tussen erflaatster en vof 1 ondertekend op 15 augustus 2016 en door grondkamer Zuidwest op 22 december 2016 goedgekeurd; - de vof 2-akte, ondertekend door partijen op 8 april 2017, met als ingangsdatum van vof 2 1 januari 2017; - het fiscaal rapport van erflaatster met betrekking tot het jaar 2018, waaruit volgt dat erflaatster een verlies uit onderneming heeft geleden van € 559,-.; - het conceptrapport berekening van de waarde van de in de vof 2 geëxploiteerde onderneming. Het conceptrapport dateert van 30 september 2020. De opdracht aan ABAB was: wat is de hoogte van het ondernemingsvermogen per 31 december 2019 op basis van een waardering waarbij een externe financier een lening voor de overname van het bedrijf wenst te verstrekken en waarbij tevens een lonende exploitatie van het bedrijf mogelijk is. Op bladzijde 8 geeft ABAB de waarde weer: ‘‘Op basis van de berekeningen is de waarde van de onderneming tegen een lonende exploitatie berekend op € 143.505,-. Uitgaande van een aandeel van moeder in het bedrijfskapitaal van 63,34% is haar ondernemingsvermogen per overlijdensdatum berekend op € 90.896,-’’; - het rapport aangifte erfbelasting van erflaatster. Het ondernemingsvermogen van de vof heeft op basis van de liquidatiewaarde een waarde van € 2.273.933,- en het aandeel van erflaatster daarin bedraagt € 1.440.292.
1.2
Voor zover in cassatie nog van belang vordert [zoon 2] vordert in deze procedure van [zoon 1] betaling van zijn legitieme portie uit de nalatenschap van erflaatster, met rente en kosten. Volgens [zoon 2] gaat het daarbij om een bedrag van € 461.700,10. [zoon 1] heeft hiertegen verweer gevoerd. Volgens [zoon 1] bedraagt de legitieme portie € 134.743,-.
1.3
De rechtbank heeft, na op 12 mei 2021 een tussenvonnis te hebben gewezen, bij vonnis 23 maart 2022 en [zoon 1] veroordeeld tot betalingen van een bedrag van € 462.630,75, vermeerderd met wettelijke rente vanaf veertien dagen na 23 maart 2022, aan [zoon 2] en de proceskosten gecompenseerd.
1.4
[zoon 1] is in hoger beroep gekomen van deze vonnissen. [zoon 2] heeft voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 21 november 2023 de vonnissen van de rechtbank vernietigd en [zoon 1] veroordeeld tot betaling van € 436.650,83 aan [zoon 2] , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na 23 maart 2022, en de proceskosten gecompenseerd.
1.5
[zoon 1] heeft bij procesinleiding van 21 februari 2024 tijdig cassatieberoep ingesteld. Aan [zoon 2] is verstek verleend. Het cassatiemiddel is niet afzonderlijk toegelicht.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel bevat vijf onderdelen. Onderdeel I bestrijdt het oordeel dat [zoon 1] in zijn memorie van antwoord in het (voorwaardelijk) incidenteel appel, in strijd met de tweeconclusieregel, zaken heeft aangevoerd die geen betrekking hebben op de voorwaardelijke incidentele vordering.Onderdeel II richt zich tegen het oordeel van het hof dat er sprake is van een gift. Onderdeel III bestrijdt het oordeel dat het dat het Verdelings- en overnemingsbeding als een quasi-legaat in de zin van art. 4:126 lid 2 onder a BW moet worden aangemerkt. Onderdeel IV richt zich de berekening van de legitieme aanspraak van [zoon 2] . Onderdeel V bevat enkel een voortbouwende klacht.
Onderdeel I; tweeconclusieleer
2.2
In het voorwaardelijk ingestelde hoger beroep heeft [zoon 2] , kort gezegd, gevorderd zijn legitimaire aanspraak in goede justitie te bepalen (rov. 4, eerste alinea). Onderdeel I is gericht tegen rov. 4, laatste alinea, waarin het hof ingaat op de vraag of de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appel van [zoon 1] in strijd met de tweeconclusieregel komt:
‘‘(…) In het kader van de twee conclusieregel kan [zoon 1] alleen grieven formuleren bij zijn memorie van grieven en niet in een later stadium, tenzij dit de nadrukkelijke instemming heeft van [zoon 2] hetgeen hier dus niet het geval is. Een goede procesorde brengt eveneens met zich mede dat [zoon 1] in zijn memorie van grieven alle relevante feiten naar voren dient te brengen. Het hof is met [zoon 2] van oordeel dat [zoon 1] in zijn memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel appel zaken aanvoert die geen betrekking hebben op de voorwaardelijke incidentele vordering van [zoon 2] . Voor zover [zoon 1] nieuwe grieven heeft geformuleerd en/of nieuwe feiten heeft aangevoerd die hij bij zijn grieven had dienen aan te voeren zal het hof die niet meenemen bij zijn oordeel.’’
2.3
Volgens de rechtsklacht van subonderdeel I.1 is het oordeel onjuist, omdat het incidentele beroep processueel een zelfstandige positie inneemt ten opzichte van het principale beroep, zoals blijkt uit HR 6 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1097. De memorie van antwoord is het eerste processtuk in de zin van de tweeconclusieregel en art. 347 Rv en daarin mag alles worden aangevoerd wat [zoon 1] in dit verband dienstig acht. Hem is dus toegestaan om zonder meer nieuwe feiten of weren aan te voeren, zelfs indien die – in de visie van het hof – niet direct betrekking zouden hebben op de voorwaardelijke incidentele vordering. Dit geldt temeer nu [zoon 2] in het voorwaardelijk incidentele appel een herbeoordeling vraagt van wat partijen verdeeld houdt en daarbij stellingen uit zijn verweer in het principale appel betrekt.
2.4.1
Ik stel het volgende voorop. Volgens vaste rechtspraak brengt de in artikel 347 Rv besloten liggende tweeconclusieregel mee dat het aanvoeren van grieven of verweren dient plaats te vinden in de eerste conclusie in hoger beroep en dat de rechter een tardieve grief of weer buiten beschouwing moet laten. Hetzelfde geldt voor onder meer feiten. Op de tweeconclusieregel bestaan uitzonderingen, zoals het door het hof bedoelde geval dat de wederpartij ondubbelzinnig heeft ingestemd met de behandeling van de nieuwe grief.3.In de klachten wordt niet aangevoerd dat van één of meer van de genoemde uitzonderingen sprake zou zijn.
2.4.2
Het incidentele beroep neemt processueel in beginsel een zelfstandige positie in ten opzichte van het principale beroep. In het incidentele beroep kan de geïntimeerde verweren voeren die zijn gericht op verwerping van hetgeen incidenteel appellant met dat beroep wenst te bereiken. In het incidentele beroep kan de geïntimeerde echter geen grieven (die strekken tot wijziging van de beslissing in eerste aanleg) aanvoeren in zijn principale beroep.4.De memorie van antwoord in het incidentele beroep biedt de geïntimeerde ook geen gelegenheid om te reageren op in het principale beroep gevoerde, nieuwe verweren.5.
2.5
In het licht van het voorgaande gaat de rechtsklacht van subonderdeel I.1 niet op. De klacht ziet eraan voorbij dat in de memorie van antwoord in incidenteel appel geen nieuwe grieven of feiten ter zake van het principale appel mogen worden aangevoerd. Hierop heeft het hof kennelijk het oog met zijn overweging dat [zoon 1] in zijn memorie van antwoord in het incidentele beroep zaken aanvoert die geen betrekking hebben op de voorwaardelijke incidentele vordering van [zoon 2] , nu het hof daarop laat volgen dat het hof bij zijn oordeel niet zal meenemen nieuwe grieven en/of nieuwe feiten die [zoon 1] bij zijn grieven had dienen aan te voeren.
2.6.1
De motiveringsklachten van het onderdeel slagen niet.
2.6.2
Volgens subonderdeel I.1 is het oordeel onbegrijpelijk gemotiveerd, omdat op pagina 2 van de MvA Inc. wordt gesteld dat niet wordt gereageerd op de MvA. Deze klacht faalt, omdat het hof een eigen uitleg aan de processtukken dient te geven.
2.6.3
Volgens subonderdeel I.2 is het oordeel ontoereikend gemotiveerd, omdat rov. 4 geen inzicht geeft in wat het hof buiten beschouwing laat. Deze klacht faalt, omdat zij te hoge motiveringseisen stelt. Het hof kon ermee volstaan met dat het niet zou in gaan op zaken die geen betrekking hebben op de voorwaardelijke incidentele vordering van [zoon 2] en, zo lees ik rov. 4, neerkomen op nieuwe grieven en/of nieuwe feiten heeft aangevoerd die [zoon 1] bij zijn grieven had dienen aan te voeren.
2.6.4
Volgens subonderdeel I.2 is het oordeel onbegrijpelijk gemotiveerd, omdat [zoon 2] zelf voor zijn voorwaardelijk incidenteel appel verwijst naar passages uit zijn verweer in het principale appel en daarbij de gehele omvang van het debat in het voorwaardelijke incidentele appel betrekt. Deze klacht faalt, omdat dit enkele gegeven het oordeel van het hof dat is beperkt tot nieuwe grieven en/of nieuwe feiten die [zoon 1] bij zijn grieven had dienen aan te voeren, niet onbegrijpelijk maakt.
2.6.5
Volgens subonderdeel I.3 is het oordeel ontoereikend gemotiveerd en geeft het blijk van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof in rov. 4 het verweer van [zoon 1] bij antwoordakte van 6 juni 2023 – dat [zoon 2] nalaat om te onderbouwen op welk punt de tweeconclusieleer is geschonden (akte p. 3 onder b) – en evenzeer de inhoudelijke betwisting (p. 3 sub c t/m 5) onbehandeld laat. Deze klachten falen reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat het hof een en ander niet onbehandeld heeft gelaten, Het hof verwijst in rov. 4 naar de betreffende akte van [zoon 1] . Het hof heeft kennelijk het daarin vervatte betoog niet aanvaard voor zover in de akte nieuwe grieven en/of nieuwe feiten zijn aangevoerd die [zoon 1] bij zijn grieven had dienen aan te voeren,.
2.7
Onderdeel I slaagt niet.
Onderdeel II; behelst de toetreding van erflaatster tot de vof een gift?
2.8
Onderdeel II richt zicht tegen onderdelen van rov. 24, 25 en 27 die in de klacht worden aangeduid met de letters a tot en met g. Ik heb deze aanduidingen in het hierna volgende citaat verwerkt:
“24. (a) Het hof overweegt als volgt. Om vast te stellen of de toetreding van erflaatster tot vof 1 een gift is dan wel of de vermogensrechtelijke afwikkeling van vof 2 een gift is, is een analyse van de feiten noodzakelijk. Uit het betoog van [zoon 1] volgt dat de onroerende zaken die erflaatster aan de vof 1 had verpacht, voor erflaatster geen ondernemingsvermogen was: de onroerende zaken kwalificeerden voor haar als box 3 vermogen, dus als belegging. Een belegging kan naar het oordeel van het hof niet als een onderneming worden gekwalificeerd. Het hof is derhalve van oordeel dat de bedrijfsopvolgingsrechtspraak waarnaar [zoon 1] verwijst in het onderhavige geval niet relevant is.
25. (b) Vof 1 had voor 1 januari 2017 het gebruik van de onroerende zaken van erflaatster, de vof 1 pachtte namelijk de onroerende zaken van erflaatster. (c) Uit het feitelijk handelen van de vennoten van vof 1 en erflaatster volgt dat de pachtovereenkomst tussen de vof 1 enerzijds en erflaatster anderzijds per 1 januari 2017 in obligatoire zin is beëindigd. Als dat niet het geval zou zijn geweest dan had erflaatster niet het gebruik van de onroerende zaken kunnen inbrengen in de vof 2. Dus op het moment van de inbreng behoorde tot het vermogen van erflaatster het onbezwaarde eigendom - dus vrij van pacht- van de onroerende zaken. (d) Tussen het sluiten van de vof 2 (4 april 2017) en het overlijden van erflaatster in augustus 2019 rust slechts een tijdspanne van ruim twee jaar. Het hof gaat ervan uit dat de waardes van de onroerende zaken per sterfdatum niet substantieel zullen afwijken van 1 januari 2017, zijnde de obligatoire datum van het aangaan van de vof 2.
(…)
27. (e) Op basis van de hiervoor vermelde feiten is het hof met de rechtbank van oordeel dat door het toetreden van erflaatster tot de vof, sprake is van een gift van erflaatster aan [zoon 1] . (f) Op het moment van het aangaan van de vof 2 bedroeg het box 3 vermogen dat zij in de vof inbracht plus minus € 1.440.292, -. Door het sluiten van de overeenkomst van vof2 ontstond voor [zoon 1] op dat moment een recht om het “ondernemingsvermogen” van erflaatster over te nemen tegen een waarde van plus minus € 90.896,-. Het hof neemt daarbij mede in overweging dat het beding van art. 17 voor zover dat ziet op de overname van een aandeel van een vennoot ten gevolge van diens overlijden geen wederkerig karakter heeft, doch uitsluitend werkt ten gunste van [zoon 1] . (g) Alleen voor hem geldt immers alsdan de mogelijkheid de verkrijging van het aandeel tegen de waarde als vermeld in lid 1 van dit artikel. In de rechtshandeling van erflaatster en [zoon 1] ligt dus een gift besloten.”
2.9
Het onderdeel bevat tien subonderdelen. Ik bespreek eerst de subonderdelen II.1, II.2, II.8 en II.9, die aan de orde stellen of sprake was van een bevoordelingsbedoeling bij erflaatster ten tijde van haar toetreding tot vof 2. Daarna bespreek ik de subonderdelen II.3 tot en met II.7,die bestrijden dat de pachtovereenkomst per 1 januari 2017 (in obligatoire zin) is beëindigd. Subonderdeel II.10 bevat louter een voortbouwende klacht.
Subonderdelen II.1, II.2, II.8 en II.9; bevoordelingsbedoeling.
2.10
Ik schets hierna het juridisch kader.
2.11.1
De legitieme porties worden berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap, vermeerderd met de in aanmerking te nemen giften en verminderd met bepaalde schulden (art. 4:65 BW). Welke giften voor de berekening van de zogenoemde legitimaire massa in aanmerking komen, en voor welke waarde, wordt geregeld in de artikel 4:65-4:69 BW. Na berekening van de omvang van de legitimaire massa kan de legitieme portie worden vastgesteld door de legitimaire massa te vermenigvuldigen met het breukdeel bepaald aan de hand van art. 4:64 BW.
2.11.2
De (waarde van) giften die door art. 4:126 BW als quasi-legaat (ofwel fictief legaat) worden aangemerkt, blijven bij de berekening buiten beschouwing, zo blijkt uit art. 4:65 in verbinding met art. 4:7 lid 1 onder i BW. Zij zijn dus, net als legaten, niet van invloed op de omvang van de legitimaire massa. Art. 4:7 lid 1 onder i BW noemt als schulden der nalatenschap giften en andere rechtshandelingen die ingevolge art. 4:126 BW worden aangemerkt als legaten. Voor de toepassing van art. 4:65 BW gaat het om de giften.6.
2.12.1
Art. 4:126 lid 1 BW ziet, kort gezegd, op een schenking of andere gift die de strekking heeft dat zij pas na het overlijden van de gever wordt uitgevoerd en niet reeds tijdens het leven van de gever is uitgevoerd. Volgens deze bepaling worden dergelijke schenkingen en giften voor de toepassing van de bepalingen van Boek 4 over inkorting en vermindering aangemerkt als een legaat ten laste van de gezamenlijke erfgenamen.7.
2.12.2
In geval van een schenking als bedoeld in art. 4:126 lid 1 BW dient rekening te worden gehouden met het vormvoorschrift van art. 7:177 lid 1, eerste volzin, BW: voor zover een schenking de strekking heeft dat zij pas na het overlijden van de schenker zal worden uitgevoerd, en zij niet reeds tijdens het leven van de schenker is uitgevoerd, vervalt zij met het overlijden van de schenker, tenzij de schenking door de schenker persoonlijk is aangegaan en van de schenking een notariële akte is opgemaakt. Tot aan het overlijden is de schenking geldig, ook als zij niet in notariële vorm is opgemaakt.8.
2.13.1
Art. 4:126 lid 2 onder a BW houdt in dat art. 4:126 lid 1 BW van overeenkomstige toepassing is op een beding dat een goed van een der partijen onder opschortende voorwaarde of onder opschortende tijdsbepaling zonder redelijke tegenprestatie op een ander overgaat of kan overgaan, voor zover het beding wordt toegepast in geval van overlijden van degene aan wie het goed toebehoort; wederkerigheid van het beding geldt niet als tegenprestatie.
2.13.2
In geval van een gift als bedoeld in art. 4:126 lid 1 BW, is art. 7:177 BW op grond van art. 7:186 lid 1 BW van overeenkomstige toepassing. Art. 7:187 lid 2, eerste volzin, BW bepaalt echter dat de gift niet vervalt, maar vernietigbaar is.9.
2.14
2.15
Voor het antwoord op de vraag wat een gift is, wordt aangeknoopt bij Boek 7 BW. Art. 7:186 lid 2 BW bepaalt dat als gift wordt aangemerkt iedere handeling die ertoe strekt dat degene die de handeling verricht, een ander ten koste van het eigen vermogen verrijkt. De gift omvat onder andere de in art. 7:175 lid 1 BW geregelde schenking (art. 7:186 lid 1 BW). Schenking is de overeenkomst om niet, die ertoe strekt dat de ene partij, de schenker, ten koste van eigen vermogen de andere partij, de begiftigde, verrijkt. Uit de definitie van gift kan worden afgeleid dat sprake moet zijn van een handeling, verrijking, verarming en een bevoordelingsbedoeling (vrijgevigheid).11.
2.16
De vereiste handeling kan een rechtshandeling of een feitelijke handeling zijn.12.De voor een gift vereiste handeling is bij schenking steeds een tweezijdige rechtshandeling, nu zij een overeenkomst is tussen schenker en begiftigde.13.Aan een gift – niet zijnde een schenking – kan ook een tweezijdige rechtshandeling ten grondslag liggen, bijvoorbeeld een koop tegen een te lage prijs.14.Het kan ook gaan om een samenstel van handelingen.15.Een samenhangend geheel van rechtshandelingen dient in onderling verband te worden beoordeeld.16.
2.17
De begiftigde moet door de handeling verrijkt zijn ten koste van het vermogen van de schenker. De verarming van de schenker staat tegenover de verrijking van de begiftigde, maar zij hoeven niet altijd te corresponderen. Beide elementen moeten objectief worden vastgesteld. Zolang de begiftigde de verrijking niet heeft ontvangen of daarop nog geen aanspraak kan maken, is geen sprake van een gift (zie art. 7:186 lid 2, tweede volzin, BW). Er moet dus sprake zijn van een voltooide vermogensverschuiving.17.
2.18
Daarnaast moet er sprake zijn van een bevoordelingsbedoeling bij de gever.18.Niet voldoende is dat degene die een ander bevoordeelt ten koste van zijn eigen vermogen, zich daarvan bewust is. Vereist is dat diens wil is gericht op bevoordeling van die ander.19.Voor schenking is vereist dat wilsovereenstemming bestaat over de verrijking van de een ten koste van de ander.20.Of een bevoordelingsbedoeling aanwezig was, dient aan de hand van de omstandigheden van het geval te worden vastgesteld.21.Dat een bevoordeling heeft plaatsgevonden in de familiesfeer kan wijzen op de aanwezigheid van zo’n bedoeling.22.De rechter kan ook aan de omstandigheden van het geval een vermoeden ontlenen dat een bevoordelingsbedoeling aanwezig was.23.De bevoordelingsbedoeling wordt beoordeeld naar het moment van de handeling, ook al wordt het voordeel pas later genoten.24.
2.19
Wordt de handeling verricht ter nakoming van een natuurlijke verbintenis dan is geen sprake van een gift.25.In dat kader heeft de Hoge Raad ten aanzien van agrarische bedrijfsopvolging – waarin een voorheen door vader en zoon in maatschapsverband uitgeoefend agrarisch bedrijf werd voortgezet door de zoon met afrekening tegen ‘agrarische waarde’ – overwogen ‘dat (…) de rechtsbetrekkingen tussen deelgenoten in een gemeenschap worden beheerst door de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, die in het algemeen in de weg staan aan een waardering die voorzetting van een (nog juist lonend) bedrijf onmogelijk maakt (…)’’ en vervolgens overwogen dat ‘‘hieruit voortvloeit dat in het algemeen sprake zal zijn van nakoming van een verplichting – en niet van de bedoeling tot bevoordeling die is vereist voor het aannemen van een schenking voor zover waardering op een lagere waarde dan de economische waarde noodzakelijk is om de voortgezette bedrijfsuitoefening te verzekeren.’’26.Voortzetting tegen ‘agrarische waarde’ houdt dan ook niet zonder meer een gift in.27.Bij de beantwoording van de vraag of in het aangaan van een (personen)vennootschap met dergelijke voortzettingsregeling een bevoordelingsbedoeling is gelegen, dient niet sec te worden gekeken naar de betreffende voortzettingsregeling, maar zal het geheel van gemaakte samenwerkingsafspraken in ogenschouw moeten worden genomen.28.
2.20
Ik kom nu toe aan een bespreking van de klachten van de klachten van de subonderdelen II.1, II.2. II.8 en II.9.
2.21
In de klachten worden de begrippen ‘gift’ en ‘schenking’ naast elkaar gebruikt. In deze zaak heeft het hof beoordeeld of er sprake is van een gift. Waar mogelijk zal ik waar in de klachten wordt gesproken van schenking, gift lezen. Waar het onderdeel echter klaagt dat het hof miskent dat een wil tot het aangaan van een schenking bij [zoon 1] is vereist (zoals in subonderdeel II.1 op p. 6, laatste volle alinea, op p. 7, laatste volle alinea, en op p. 8, bovenaan) mist het onderdeel feitelijke grondslag, omdat het berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest.
2.22
Volgens subonderdeel II.1 gaat het hof in het oordeel onder a t/m g uit van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het aannemen van een schenking of gift. Het subonderdeel klaagt in de eerste plaats, samengevat, dat het hof miskent dat voor een schenking of, naar ik begrijp, een gift niet kan worden volstaan met ‘een analyse van de feiten’, nu [zoon 2] niet heeft gesteld dat er sprake was van een wil tot bevoordeling bij moeder en het hof deze wil ook niet heeft vastgesteld. De bevoordelingsbedoeling moet met zoveel woorden worden gesteld door [zoon 2] , die daarvan stelplicht en bewijslast heeft. Het hof miskent voorts dat de bedrijfsopvolgingsrechtspraak van belang is bij de beoordeling of sprake is van een bevoordelingsbedoeling.
2.23
Deze klacht slaagt niet, omdat zij berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en daarom feitelijke grondslag mist. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat in de stellingen van [zoon 2] zoals weergegeven in rov. 20 − met name dat de toetreding van erflaatster een gift was en dat de bedrijfsopvolgingsrechtspraak niet van toepassing is − besloten ligt dat er bij erflaatster een bevoordelingsbedoeling aanwezig was. Hiermee heeft het hof geen rechtsregel miskend. Niet is vereist dat de bevoordelingsbedoeling met zoveel woorden wordt gesteld. Evenmin heeft het hof miskend dat de bewijslast ter zake op [zoon 2] rust. Het hof heeft voorts in het licht van de feiten onderzocht of moet worden aangenomen dat van een dergelijke bedoeling sprake was. Daarbij heeft het hof ook de bedrijfsopvolgingsrechtspraak verdisconteerd door te overwegen dat deze rechtspraak in het onderhavige geval niet relevant is.
2.24
Subonderdeel II.1 klaagt in de tweede plaats, samengevat, dat het hof geen kenbare aandacht heeft besteed aan het verweer van [zoon 1] (in de Akte van 9 februari 2022, p. 6 onderaan, en memorie van grieven, p. 11) dat geen bevoordelingsbedoeling aanwezig was.
2.25.1
In de Akte van 9 februari 2022 bestrijdt [zoon 1] het bestaan van een bevoordelingsbedoeling onder verwijzing naar de bedrijfsopvolgingsrechtspraak van de Hoge Raad (p. 6). Hij werkt dit vervolgens uit aan de hand van de bepalingen van de vof 2-akte (p. 7 e.v.) waarin onder meer is opgenomen dat het gaat om een zakelijke transactie, de waarderingsgrondslag (art. 17) en het vervreemdings-/antispeculatiebeding dat kort gezegd de bedrijfsvoortzettende vennoot verplicht om bij verkoop van bedrijfsmiddelen binnen 10 jaar de opbrengst te delen met andere vennoten (art. 25, zoals nadien gewijzigd). In de memorie van grieven (p. 11) wordt dit betoog herhaald in de toelichting op grief 2 en wordt als extra argument aangevoerd dat het aangaan van de vof voor erflaatster het voordeel had dat zij de gronden niet langer in box 3 hoefde te verantwoorden, maar in box 1 kon verantwoorden hetgeen gezien haar leeftijd en het toepasselijke fiscale tarief een fiscaal voordeel voor erflaatster opleverde.
2.25.2
Het hof geeft bij de feiten weer dat de vof 1 een bedrijf te [plaats] exploiteerde (rov. 8), dat de door erflaatster aan de vof 1 verpachte gronden te [plaats] voor haar in box 3 vielen (rov. 9), enige relevante bepalingen uit de vof 2-akte (rov. 10-12). Het hof geeft de (de kern van) de stellingen van [zoon 1] weer in rov. 16 (fiscale motief), rov. 17 (vof 2-akte) en rov. 18 (bedrijfsopvolgingsrechtspraak). Deze elementen komen terug in de beoordeling door het hof in rov. 24 en 26-27.
2.25.3
Het onderdeel klaagt daarom vergeefs dat het hof geen kenbare aandacht heeft besteed aan het verweer van [zoon 1] dat geen bevoordelingsbedoeling aanwezig was. Daarbij zij opgemerkt dat het hof niet gehouden was aan elke stelling afzonderlijk aandacht te besteden.
2.26
Voor zover subonderdeel II.1 verwijst naar subonderdeel II.2 (zie hierna in 2.31-2.32) behoeft het geen afzonderlijke bespreking.
2.27
Subonderdeel II.2 bevat twee klachten.
2.28
Het subonderdeel klaagt in de eerste plaats dat het hof in rov. 24 buiten het debat van partijen is getreden en zijn taak als appelrechter miskent, nu [zoon 2] nergens heeft gesteld dat het gaat om beleggingen, evenmin daaraan de conclusie heeft verbonden dat een belegging niet als onderneming kan worden gekwalificeerd en de bedrijfsopvolgingsrechtspraak waarnaar [zoon 1] verwijst daarom niet relevant is.
2.29
Het is vaste rechtspraak dat het de rechter niet vrijstaat zijn beslissing te baseren op rechtsgronden of verweren die weliswaar zouden kunnen worden afgeleid uit in het geding gebleken feiten en omstandigheden, maar die door de desbetreffende partij niet aan haar vordering of verweer ten grondslag zijn gelegd. Daardoor wordt de wederpartij immers tekortgedaan in haar recht zich daartegen naar behoren te kunnen verdedigen.29.
2.30
Het oordeel van het hof in rov. 24 dat de bedrijfsopvolgingsrechtspraak in onderhavige zaak niet relevant is, berust op het oordeel dat de onroerende zaken die erflaatster aan vof 1 had verpacht, voor erflaatster kwalificeerden als box 3 vermogen – als belegging – en een belegging niet als onderneming kan worden gekwalificeerd. Dit heeft [zoon 2] (zoals ook blijkt uit rov. 20 en de memorie van antwoord nrs. 9-10 en 38) niet ten grondslag gelegd aan zijn stelling dat de bedrijfsopvolgingsrechtspraak in onderhavige zaak niet van toepassing is. [zoon 1] heeft het feit dat de verpachte gronden voor erflaatster in box 3 vielen, aangevoerd ter ondersteuning van zijn standpunt dat er geen sprake was van een bevoordelingsbedoeling en de bedrijfsopvolgingsrechtspraak wel van toepassing is (zie hierna in 2.31). Het hof heeft dan ook naar mijn mening, in strijd met art. 24 Rv, de feitelijke grondslag van de vordering van [zoon 2] aangevuld. De klacht slaagt.
2.31
Subonderdeel II.2 klaagt in de tweede plaats dat het hof ongemotiveerd voorbij gaat aan het betoog in de memorie van grieven (op p. 11-13). Daarin wordt, samengevat, aangevoerd dat er (i) van 1 juli 1998 tot 1 januari 2000 een maatschap was van vader en zoon [zoon 1] te [plaats] , (ii) van 1 januari 2000 tot 1 januari 2003 een vof was van vader, zoon [zoon 1] en de schoondochter met locaties te [plaats] en [plaats] , en (iii) vanaf 1 januari 2003 een maatschap was van [zoon 1] en zijn vrouw waarin tot 1 januari 2017 de percelen grond (naar ik begrijp: te [plaats] ) waren verpacht aan [zoon 1] , eerst door erflater en erflaatster, nadien door erflaatster. Het verpachte onroerend goed te [plaats] is door erflater en erflaatster steeds verantwoord in box 3. Volgens de stellingen van [zoon 1] was “de pachtverhouding een onlosmakelijk onderdeel van de voortzetting van de onderneming nadat de maatschap met de vader is ontbonden” en is het gezien de verpachting “in het geheel niet opmerkelijk dat partijen in de vof-akte [de vof 2-akte; plv.] zijn overeengekomen dat de waarde grond moet worden berekend op basis van “net lonende exploitatie”. Indien de vof-akte niet zou zijn aangegaan, dan was de pachtverhouding gecontinueerd en had er uiteindelijk een waarde berekening hebben moeten plaatsvinden op basis van grond in verpachte staat.” Subonderdeel II.1 klaagt dat het hof ongemotiveerd voorbij gaat aan dit betoog.
2.32
In dit betoog ligt besloten dat bij het aangaan van de vof 2 een bevoordelingsbedoeling bij erflaatster ontbrak en/of de bedrijfsopvolgingsrechtspraak van toepassing is, ook al is er een periode geweest dat erflater en/of erflaatster het onroerend goed te [plaats] hebben verpacht zonder zelf nog deel te hebben aan de onderneming, tot aan het moment dat erflaatster toetrad tot de onderneming in de vof 2. In zijn betwisting dat sprake is van voortzetting van een familiebedrijf heeft [zoon 2] op dit betoog gereageerd door erop te wijzen dat slechts drie jaar het bedrijf te [plaats] onderdeel zou zijn geweest van een maatschap tussen vader, [zoon 1] en de schoondochter (memorie van antwoord nr. 9). Dit ziet niet op de betekenis die [zoon 1] hecht aan de verpachting van de gronden te [plaats] . [zoon 2] heeft die verpachting slechts in algemene zin betwist (memorie van antwoord nr. 39). In het licht van een en ander klaagt subonderdeel II.2 naar mijn mening terecht dat het hof niet zonder nadere motivering had mogen voorbijgaan aan het hiervoor in 2.31 bedoelde betoog van [zoon 1] .
2.33
De tegen rov. 27 gerichte klacht van subonderdeel II.8 slaagt niet, omdat zij berust op een onjuiste lezing van rov. 27. Hierin heeft het hof overwogen dat art. 17 van de vof 2-akte voor zover dat ziet op de overname van een aandeel van een vennoot ten gevolge van diens overlijden geen wederkerig karakter heeft, doch uitsluitend werkt ten gunste van [zoon 1] . Het hof heeft daarmee geen oordeel gegeven over het karakter van de vof 2- akte als geheel, zoals de klacht van het subonderdeel ten onrechte veronderstelt.
2.34
De tegen rov. 27 gerichte klacht van subonderdeel II.9 bouwt voort op subonderdeel II.1 en dient daarom te falen. De klacht mist overigens feitelijke grondslag. Anders dan de klacht van het subonderdeel veronderstelt, berust het oordeel van het hof dat toetreding van erflaatster tot de vof 2 een gift behelst, niet louter op de aanwezigheid van een overnameclausule met een bepaalde rekenmethode.
Subonderdelen II.3 tot en met II.7; einde pacht?
2.35
Het hof heeft in rov. 25 geoordeeld dat erflaatster het gebruik van de door haar aan de vof 1 verpachte onroerende zaken in onverpachte staat heeft ingebracht in vof 2. Daarop heeft het hof zijn oordeel gebaseerd dat die zaken op dat moment € 1.440.292,- waard waren. Het hof heeft mede hierop zijn oordeel in rov. 27 gebaseerd dat de toetreding tot de vof 2 een gift is.
2.36
Volgens subonderdeel II.3 is het oordeel in rov. 25 over de waarde van onroerende zaken onbegrijpelijk gemotiveerd, omdat het hof in rov. 25 aanneemt dat op het moment van inbreng van de onroerende zaken op 1 januari 2017 sprake was van onroerende zaken in verpachte staat
2.37
Deze klacht faalt, omdat zij berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Het hof overweegt in rov. 25 immers dat uit het feitelijk handelen van de vennoten van vof 1 en de erflaatster volgt dat de pachtovereenkomst tussen vof 1 en de erflaatster per 1 januari 2017 (in obligatoire zin) is beëindigd. De onroerende zaken waren op het moment van inbreng volgens het hof dan ook vrij van pacht.
2.38
Subonderdeel II.4 betreft de overweging in rov. 25 dat uit het feitelijk handelen van de vennoten van vof 1 en erflaatster volgt dat de pachtovereenkomst tussen de vof 1 enerzijds en erflater anderzijds per 1 januari 2017 in obligatoire zin is beëindigd. Volgens de klacht is het hof hiermee buiten het debat van partijen getreden omdat geen van de partijen heeft aangevoerd dat per 1 januari 2017 de pachtovereenkomst in obligatoire zin is beëindigd. [zoon 1] heeft gesteld dat de pachtverhoudingen na het aangaan van de vof niet zijn ontbonden. Het oordeel is volgens het subonderdeel ook rechtens onjuist en onbegrijpelijk gemotiveerd en behelst een ontoelaatbare verassingsbeslissing, nu geen van beide partijen zich hierover heeft kunnen uitlaten. Het ‘verdwijnen’ van de pachtverhoudingen volgt ook niet uit de vof-2 overeenkomst. Een rechtsgeldige en door de pachtkamer goedgekeurde pachtovereenkomst ‘verdwijnt’ niet zomaar, ook niet in obligatoire zin, aldus de klacht.
2.39
Subonderdeel II.5 richt zich (na een gedeeltelijke herhaling van het voorgaande subonderdeel) tegen de overweging in rov. 25 dat zonder het beëindigen van de pachtovereenkomst erflaatster het gebruik van de onroerende zaken niet had kunnen inbrengen in de vof 2. Volgens de klacht getuigt het oordeel van een onjuiste rechtsopvatting, is het onbegrijpelijk in het licht van de stellingen van [zoon 1] , treedt het hof buiten het debat van partijen en is sprake van een verboden aanvulling. Het hof gaat voorbij aan de stelling van [zoon 1] dat erflaatster bij het aangaan van de vof 2-overeenkomst feitelijk verpachte grond in gebruik en genot in de vof heeft ingebracht. Dat dit niet zou kunnen is gesteld noch gebleken. Op het moment van inbreng in de vof 2 was er in elk geval nog sprake van verpachte staat. Het hof miskent bovendien dat de wet gelimiteerde wijzen aangeeft in artikel 7:367 BW waarop een pachtovereenkomst kan eindigen, waaronder wederzijds goedvinden. Indien men in het onderhavige geval zou aannemen dat er sprake is van beëindiging met wederzijds goedvinden, dan is voor een rechtsgeldige beëindiging ingevolge art. 7:318 lid 1 BW een goedkeuring van de grondkamer noodzakelijk. Die eis van goedkeuring vervalt door de feitelijke uitvoering van de overeenkomst, maar daarvan is in dit geval geen sprake omdat het gebruik van de na 1 januari 2017 is gecontinueerd.
2.40
De klachten van deze subonderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
2.41.1
Wat betreft het partijdebat geldt het volgende.
2.41.2
[zoon 1] heeft blijkens de stukken aangevoerd dat de percelen al jarenlang aan hem verpacht waren en de pachtovereenkomst niet is beëindigd op het moment dat erflaatster toetrad tot de vof (memorie van grieven p. 12). Daarbij heeft [zoon 1] als productie 41 enige pachtovereenkomsten overgelegd, waaronder een door de grondkamer goedgekeurde pachtovereenkomst betreffende los land van 15 augustus 2016 tussen erflaatster en, kort gezegd, de vennoten van vof 1 met een looptijd tot en met 30 april 2022.
2.41.3
[zoon 2] heeft primair betwist dat sprake was van verpachting, zich in dat verband afgevraagd of het mogelijk is het gebruik en genot van reeds verpachte zaken in te brengen en erop gewezen dat de vof 2-akte niet spreekt van verpachte gronden (memorie van antwoord nr. 39). Voorts heeft [zoon 2] zich op het standpunt gesteld dat als er al sprake zou zijn van een pachtverhouding deze met het overlijden van erflaatster door vermenging teniet is gegaan (memorie van antwoord nr. 40).
2.41.4
Het hof heeft in rov. 25 aangenomen dat de pachtovereenkomst per 1 januari 2017, het moment dat erflaatster het gebruik en genot van de onroerende zaken in vof 2 inbracht, in obligatoire zin is beëindigd. Nu [zoon 1] heeft betoogd dat de pachtverhouding voortduurde na de inbreng in de vof 2 en [zoon 2] slechts terloops de vraag heeft opgeworpen of dat mogelijk is, heeft het hof naar mijn mening de feitelijke grondslag van de vordering van [zoon 2] in strijd met art. 24 Rv aangevuld, althans is gezien het verloop van het partijdebat sprake van een ontoelaatbare verrassingsbeslissing.
2.42
Het hof lijkt voorts het oordeel te zijn toegedaan dat het bestaan van een vennootschap onder firma tussen partijen, pacht tussen diezelfde partijen uitsluit. Dat is niet het geval. In het aangaan van een vof waarbij een vennoot het gebruik van gronden inbrengt voor agrarische doeleinden en de andere vennoot de grond gebruikt, kan juist een pachtovereenkomst besloten liggen.30.Een samenloop van pacht en een vof is dus denkbaar (art. 6:215 BW).
2.43
Bovendien regelt afdeling 10 van titel 7.5 BW de wijzen waarop een pachtovereenkomst kan eindigen. Dat kan onder meer door beëindiging met wederzijds goedvinden (art. 7:367 lid 3 BW). De tussentijdse beëindiging met wederzijds goedvinden wordt gezien als een pachtbeëindigingsovereenkomst, als gevolg waarvan hiervoor op grond van artikel 7:317 lid 1 BW een schriftelijkheidseis geldt. Bovendien is voor tussentijdse beëindiging met wederzijds goedvinden op grond van artikel 7:318 lid 1 BW toestemming van de grondkamer vereist. Het vereiste van goedkeuring vervalt door feitelijke uitvoering van de overeenkomst, dat wil zeggen wanneer de grond niet meer door de pachter wordt gebruikt.31.Hiervan kan niet ten nadele van de pachter kan worden afgeweken (art. 7:399 BW).
2.44
In het licht van het voorgaande getuigt het oordeel in rov. 25 over het einde van de pachtovereenkomst naar mijn mening van een onjuiste rechtsopvatting indien het hof van oordeel is geweest dat de inbreng van de verpachte onroerende zaken in de vof 2 noodzakelijkerwijs het einde van de bestaande pachtovereenkomst meebracht. Indien het hof niet is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, is zijn beoordeling in rov. 25 onvoldoende gemotiveerd in het licht van het partijdebat op dit punt en de bescherming van de pachter die besloten ligt in afdeling 7.5.10 BW.
2.45
De subonderdelen II.4 en II.5 slagen.
2.46
Subonderdeel II.6 legt een verband tussen het oordeel in rov. 28 dat het overnemingsbeding in de vof 2-akte nietig is en de waarde van € 1.440.292,-. die volgens het hof moet worden toegekend aan de gronden die op 1 januari 2017 in onverpachte staat in de vof 2 door erflaatster werden ingebracht. De nietigheid ex tunc van het overnemingsbeding impliceert volgens de klacht dat er nog steeds sprake was van grond in verpachte staat.
2.47
In het verlengde van de subonderdelen II.4 en II.5 slaagt ook de klacht van subonderdeel II.7 voor zover daarin wordt geklaagd dat het hof in rov. 27 is uitgegaan van de waarde in onverpachte staat. De klacht in subonderdeel II.7 dat het hof in rov. 27 is uitgegaan van de waarde ten tijde van het overlijden van erflaatster in plaats van de waarde ten tijde van de inbreng in de vof 2, berust blijkens de slotzin van rov, 25 op een onjuiste lezing van het arrest en faalt daarom bij gebrek aan feitelijke grondslag.
2.48
Gezien het slagen van de subonderdelen II.2, II.4, II.5 en (deels) II.7, slagen ook de voortbouwende klachten van subonderdeel II.10 voor zover deze zijn gericht tegen rov. 29, de slotzin van rov. 30.1 en de eerste volzin van rov. 27 (door het subonderdeel aangeduid als rov. 27 sub e). Voor het overige faalt subonderdeel II.10.
Onderdeel III; quasi-legaat?
2.49
Onderdeel III klaagt in vijf subonderdelen over rov. 28, waarin het hof het verdelings- en overnemingsbeding als quasi-legaat heeft aangemerkt:
‘‘28. Voorts is het hof van oordeel dat in dit specifieke geval - waarbij erflaatster een belegging heeft ingebracht in de vof 2 - het Verdelings- en overnemingsbeding als een quasi-legaat in de zin van artikel 4:126 lid 2 onder a. BW moet worden aangemerkt. Conform artikel 7:177 BW juncto artikel 7:186 BW had dit beding opgenomen dienen te zijn in een notariële akte. Nu aan dit vormvereiste niet is voldaan is het overnemingsbeding zoals opgenomen in de vof 2-akte nietig.’’
2.50
Subonderdeel II.0 voert terecht aan dat rov. 28 voortbouwt op de door subonderdeel II.2 met succes bestreden overweging dat erflaatster een belegging heeft ingebracht in de vof 2.
2.51
Subonderdeel III.1 voert naar mijn mening terecht aan dat het hof door te oordelen dat het overnemingsbeding als een quasi-legaat moet worden aangemerkt, art. 6 EVRM en/of art.19 Rv geschonden. Uit de stukken blijkt dat [zoon 2] voor het eerst bij memorie van antwoord (in het principale appel) heeft aangevoerd dat het overnemingsbeding als quasi-legaat moet worden aangemerkt. De stukken die nadien nog gewisseld zijn zien op het incidentele appel en boden [zoon 1] geen gelegenheid om te reageren op deze nieuwe stelling van [zoon 2] . Na de stukkenwisseling in incidenteel appel is door partijen arrest gevraagd. Het hof heeft vervolgens arrest gewezen en in rov. 28 overwogen dat het overnemingsbeding als een quasi-legaat in de zin van art. 4:126 lid 2 onder a BW moet worden aangemerkt. Het recht van hoor en wederhoor brengt mee dat het hof niet mocht uitgaan van de juistheid van de stelling van [zoon 2] , zonder [zoon 1] in de gelegenheid te stellen daarop te reageren.32.
2.52
De overige klachten van onderdeel III behoeven geen behandeling. Naar aanleiding van subonderdeel III.2 merk ik op dat na cassatie en verwijzing zal moeten worden beoordeeld of het beroep van [zoon 2] op art. 4:126 BW betrekking had op de in het eerste lid bedoelde giften dan wel ook op de in het tweede lid bedoelde rechtshandelingen (zie hiervoor in 2.12.1-2.14).
Onderdeel IV; berekening legitieme portie
2.53
Onderdeel IV richt in vijf subonderdelen klachten tegen de berekening van de legitieme portie van [zoon 2] in rov. 30.1, 30.2 en 31.
2.54.1
In rov. 31 stelt het hof een aantal uitgangspunten voorop:
‘’30.1 De rechtbank heeft overwogen dat de legitieme van [zoon 2] bedraagt € 461.700,10. [zoon 1] is het niet eens met de hoogte van de door de rechtbank vastgestelde legitieme portie van [zoon 2] . Op blz. 15 van zijn memorie van grieven stelt [zoon 1] dat de legitimaire aanspraak van [zoon 2] bedraagt € 134.743, -. [zoon 1] verwijst naar productie 35/37 die hij bij akte van 9 februari 2022 in het geding heeft gebracht. Uit productie 37 volgt impliciet dat [zoon 1] het aandeel van erflaatster in het ondernemingsvermogen van de vof voor een bedrag van € 90.986, - heeft meegenomen en niet voor een bedrag van € 1.440.292, -, zoals opgenomen op de aangifte erfbelasting. Zoals hiervoor uiteengezet, beslist het hof dat de waarde van het ondernemingsvermogen dient te worden gesteld op € 1.440.292, -.
2.54.2
In rov. 30.2 gaat het hof in op een aantal concrete posten naar aanleiding van het betoog van [zoon 1] dat in de boedelbeschrijving die door [zoon 2] werd gecompleteerd een aantal foutieve bedragen zijn opgenomen. Dit betreft (i) de onroerende zaken, genummerd BI465, 1466. 1467, (ii) de opbrengt van de verkoop van de percelen H558 en ‘ […] ’ en (iii) de schenkingen aan de kleinkinderen.
2.54.3
In rov. 31 komt het hof dan tot de volgende slotsom:
“31. Wanneer het hof uitgaat van de berekening van [zoon 2] (deze wordt immers in de memorie van grieven van [zoon 1] als uitgangspunt genomen voor zijn grieven) inzake de zuivere nalatenschap van erflaatster, met dien verstande dat het hof dan het aandeel van erflaatster meeneemt in het vof-vermogen voor € 1.440.292,-, het woonhuis voor € 970.000,-, de schenkingen voor € 353.080.- en vervolgens vermindert met een bedrag € 184.095.65, dan bedraagt het zuiver saldo van de nalatenschap van erflaatster € 2.445592,70-.
Voor de inzichtelijkheid van berekening ziet deze er als volgt uit:
• woonhuis € 970.000,00
• verkoopopbrengst H558
• verkoopopbrengst A137 tot en met 141 ( […] )
• aandeel ondernemingsvermogen € 1.440.292,00
• banktegoeden € 36.253,00
• effecten € 56.324,00
• inboedel € 1.000,00
• auto € 7.000,00
Subtotaal goederen € 2.510.869,00
• schenkingen aan [zoon 1] € 75.000,00
• schenkingen aan [zoon 2] € 175.000,00
• schenkingen aan kleinkinderen € 103.080,00
subtotaal schenkingen € 353.080,00 + € 353.080,00
• voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2018 € 2.789,00
• schuld aan [zoon 1] in verband met erfdeel vader € 198.860,65
• schuld aan [zoon 2] in verband met erfdeel vader € 202.930,00
• begrafeniskosten € 12.766,00
subtotaal schulden € 417345,65 - € 417345,65
Totaal € 2.2446603,35
De legitieme van [zoon 2] bedraagt derhalve de helft van hetgeen hij bij versterf zou hebben gehad zijnde € 1.223301,68.7: 2 = € 611.650.83 - €175.000 (ontvangen schenkingen) = € 436.650,83 De rechtbank heeft in haar vonnis van 12 mei 2021 in r.o. 4.6 overwogen dat zij uit de akte van [zoon 2] van 31 maart 2021 heeft begrepen dat [zoon 2] zijn vordering heeft gewijzigd en wel in die zin dat [zoon 2] betaling wenst te verkrijgen van [zoon 1] van zijn legitieme in de nalatenschap van erflaatster en wel voor een bedrag van € 461.700,10. In de akte van 31 maart 2021 vermeldt [zoon 2] dat hij de voorlopige boedelbeschrijving van [zoon 1] heeft gebruikt voor de berekening van zijn legitieme. Nadien is bij akte van 9 februari 2022 van de zijde van [zoon 1] (zie productie 37) een nadere onderbouwing gegeven van de legitieme aanspraken van [zoon 2] . [zoon 2] geeft in zijn memorie van (voorwaardelijk) incidenteel appel geen nadere onderbouwing van wat in zijn visie de hoogte van zijn legitieme portie dient te zijn met betrekking tot de nalatenschap van erflaatster. Gezien de gewisselde stukken in appel had het op de weg van [zoon 2] gelegen het hof meer inzicht te geven in de onderliggende berekening van zijn legitimaire aanspraak.’’
2.55
Subonderdeel IV.4 klaagt over het uitgangspunt in rov. 30.1 dat de waarde van het ondernemingsvermogen dient te worden gesteld op € 1.440.292, -. De klacht verwijst hiervoor naar de slagende subonderdelen II.5 en II.7 en slaagt dus.
2.56
Subonderdeel IV.1 klaagt dat het oordeel aan het slot van rov. 31 onbegrijpelijk dan wel niet toereikend is gemotiveerd. Het hof overweegt dat [zoon 2] ten aanzien van de berekening van zijn legitimaire aanspraak niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, maar baseert zich wel zonder nadere motivering op de door [zoon 2] gestelde bedragen. Voorts overweegt het hof niet of de voorwaarde waaronder dat incidentele beroep is vervuld en zo ja, wat de beslissing daarop dan is.
2.57
Deze klachten falen, omdat zij berusten van een onjuiste lezing van het bestreden arrest en daarom feitelijke grondslag missen.De overweging van het hof dat het op de weg van [zoon 2] had gelegen om het hof meer inzicht te geven in de onderliggende berekening van zijn legitimaire aanspraak, ziet op de gewijzigde vordering van [zoon 2] bij akte van 31 maart 2021. In deze akte stelt [zoon 2] dat zijn legitieme portie uit de nalatenschap van erflaatster € 461.700,10 bedraagt. Het hof is van oordeel dat [zoon 2] dit bedrag onvoldoende heeft onderbouwd en gaat daarom uit van een legitieme portie van € 463.650,83. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk.Het incidentele appel is ingesteld onder de voorwaarde dat het hof het vonnis vernietigt en de legitieme portie niet toewijst als door [zoon 2] gevorderd.33.Naar het kennelijk oordeel van het hof was aan deze voorwaarde voldaan, nu het hof een deel van de grieven van [zoon 1] tegen het oordeel van de rechtbank dat de legitieme portie € 461.700,10 bedraagt, gegrond acht. Overigens staat het de appelrechter vrij het incidenteel appel te beoordelen voordat de voorwaarde is vervuld dat het principale beroep gegrond is.34.
2.58.1
Subonderdeel IV.2 betreft de post ‘‘schenking aan kleinkinderen € 103.080,00’’. Het hof overwoog daarover in rov. 30.2:
“- Schenkingen: ten aanzien van de post schenkingen merkt [zoon 1] op dat de aan de kleinkinderen geschonken bedragen hoger zijn en wel een bedrag van € 103.080 bedragen. Ten aanzien van de aan [zoon 2] en [zoon 1] gedane schenkingen, grieft [zoon 1] niet. Ook [zoon 2] stemt hiermee in. Het hof zal van deze gegevens dan ook uitgaan. Resumerend zullen de volgende schenkingen in aanmerking worden genomen: schenkingen aan [zoon 1] € 75.000,00, schenkingen aan [zoon 2] € 175.000.00 en schenkingen aan de kleinkinderen €103.080. derhalve in het totaal € 353.080.”
2.58.2
Het subonderdeel klaagt dat het hof hier (en ook waar het in rov. 30 uitgaat van dit bedrag) miskent dat het niet gaat om een schenking ‘‘bij leven’’, maar om schenkingen via een legaat. Een legaat is een vordering op de nalatenschap en dient niet te worden meegenomen bij de berekening van de omvang van de nalatenschap. Dit heeft ook gevolgen voor de berekening van de legitieme, want de legitieme wordt hierdoor berekend over een te hoge omvang van de nalatenschap, aldus de klacht. Het subonderdeel verwijst naar de conclusie van antwoord nrs. 14-15 en de memorie van grieven p. 8-9.
2.59
Het subonderdeel gaat er terecht vanuit dat een gift die de strekking heeft dat zij pas na het overlijden van de schenker of gever wordt uitgevoerd en niet reeds tijdens het leven van de schenker of gever is uitgevoerd, door de wet wordt aangemerkt als een quasi-legaat en buiten beschouwing blijft bij de bepaling van de legitimaire massa. Dit volgt uit art. 4:65, tweede volzin, BW in verbinding met art. 4:7 lid 1 onder i en art. 4:126 lid 1 BW (zie hiervoor in 2.11.1-2.12.1).
2.60.1
Ik loop het partijdebat op dit punt na. In de conclusie van antwoord nrs. 15 en 17 wordt door [zoon 1] ingegaan op de vordering tot afgifte van legaten ad (destijds) € 20.616,- aan de twee kinderen van [zoon 2] ( [zoon 2] vorderde dit namens zijn ene zoon en de andere zoon trad op als mede-eiser). In dat verband wordt door [zoon 1] gesteld dat in het testament van erflaatster aan de kleinkinderen bedragen zijn gelegateerd gelijk aan het bedrag dat de kleinkinderen vrij van erfbelasting kunnen verkrijgen. [zoon 1] stelt hier voorts dat deze legaten zullen worden voldaan uit de verkoop van onroerende zaken.
2.60.2
Uit de akte van [zoon 2] van 31 maart 2021 (nr. 1 en de daarbij als productie 20 overgelegde afrekening van de notaris) blijkt dat de kleinkinderen bedragen hebben ontvangen uit de opbrengst van de verkoop van onroerend goed (met dien verstande dat toen is uitgegaan van een bedrag per kleinkind van € 25.616,-). In die akte heeft [zoon 2] in nr. 42 een overzicht gegeven van de boedel en daarin een post ‘schenkingen aan kleinkinderen’ ad € 20.112,- opgenomen.
2.60.3
In de memorie van grieven heeft [zoon 1] gereageerd op deze post in de akte van [zoon 2] van 31 maart 2021. [zoon 1] heeft aangevoerd dat [zoon 2] ten aanzien van een aantal posten foutieve bedragen hanteert bij zijn berekening van de legitieme portie. Wat betreft de post ‘schenkingen aan kleinkinderen’ voert [zoon 2] slechts € 20.112,- aan, terwijl dit volgens [zoon 1] € 103.080,- moet zijn omdat aan de kleinkinderen 5 maal € 20.112,- is geschonken (memorie van grieven p. 8 en 9).35.[zoon 1] verwijst daarbij naar zijn productie 5.Productie 5 is de bij conclusie van antwoord overgelegde aangifte erfbelasting in verband met het overlijden van erflaatster. Hierin staat vermeld dat aan de kleinkinderen legaten ad € 20.616 zijn toegekend.
2.60.4
[zoon 2] heeft (in de memorie van antwoord nr. 29) op de stelling van [zoon 1] gereageerd met de opmerking dat de door [zoon 1] genoemde bedragen leiden tot een verhoging van de legitimaire massa en daarmee tot een verhoging van de legitimaire aanspraak van [zoon 1] en dat [zoon 2] daarmee in die zin kan instemmen.
2.61.1
Hieruit volgt dat [zoon 2] (in de dagvaarding) en [zoon 1] (in de conclusie van antwoord) hebben aangevoerd dat het gaat om legaten aan de kleinkinderen. Daaraan doet niet af dat partijen verschillende bedragen hebben genoemd in verband met deze legaten. Deze legaten zijn uitgekeerd aan de kleinkinderen uit de opbrengst van de verkoop van onroerend goed. Legaten tellen niet mee bij de bepaling van de omvang van de legitimaire massa.Nadien is het partijdebat op het spoor gekomen dat het zou gaan om giften aan de kleinkinderen die wel relevant zouden zijn voor de bepaling van de omvang van de legitimaire massa. Daarvoor zijn echter alleen giften bij leven relevant en niet giften die moeten worden aangemerkt als quasi-legaten (dat wil zeggen giften die de strekking hebben dat zij pas na het overlijden van de gever wordt uitgevoerd en niet reeds tijdens het leven van de gever zijn uitgevoerd). In dit spoor was er geen discussie of het al dan niet giften bij leven betrof. Het ging alleen om de hoogte van het bedrag.Partijen hebben dus met name in hoger beroep onduidelijkheid laten bestaan over de aard van de ‘giften’ aan de kleinkinderen door te gaan discussiëren over de vraag of in de boedelbeschrijving één of vijf maal een bepaald bedrag zou moeten worden opgenomen. Dit heeft geleid tot de door het subonderdeel bestreden overweging in rov. 30.2.
2.61.2
Hoewel men begrip kan opbrengen voor de wijze waarop het hof is gekomen tot zijn overweging in rov. 30.2, had het hof gezien het partijdebat in met name de eerste aanleg tot de conclusie dienen te komen dat het niet ging om giften die bij de berekening van de legitimaire massa in aanmerking moeten worden genomen, maar om (quasi)legaten die daarbij niet in aanmerking moeten worden genomen. De omstandigheid dat partijen er op enig moment vanuit gingen dat giften aan de kleinkinderen moesten worden meegenomen bij de berekening van de omvang van de nalatenschap, ontslaat de rechter niet van zijn plicht om zelfstandig na te gaan of en, zo ja, op welke juridische grondslag, de in het geding vastgestelde feiten de vordering kunnen dragen of het verweer doen slagen, ook als partijen zelf deze rechtsregels niet of de verkeerde rechtsregels naar voren hebben gebracht.36.Ik meen daarom dat subonderdeel IV.2 dient te slagen.
2.62.1
De subonderdelen IV.3en IV.4 betreffen de onroerende zaken, genummerd BI465, 1466. 1467. Het hof overwoog hierover in rov. 30.2:
“- de onroerende zaken, genummerd BI465, 1466. 1467. Deze percelen zijn ingebracht in de Vof 2. [zoon 2] deelt deze visie die aansluit op het bepaalde in artikel 4.B lid 1 van de firma-akte, in zijn Akte na proces-verbaal van 20 december 2020 (randnummer 15). Nu het hof beslist dat het ondernemingsvermogen dient te worden gewaardeerd zoals hiervoor overwogen, dient de waarde van deze onroerende zaken niet tweemaal (eenmaal in de waardering van het ondernemingsvermogen en eenmaal in de waardering van het privévermogen van erflaatster te worden betrokken).
In vervolg op de stelling van [zoon 1] dat de onroerende zaken, genummerd B1465, 1466, 1467 in het ondernemingsvermogen zijn begrepen, komt aan de orde welke waarde voor de berekening van de legitimaire massa, aan het woonhuis met ondergrond voor zover deze niet is ingebracht dient te worden toegekend. Tussen [zoon 2] en [zoon 1] is niet in geschil dat dient te worden uitgegaan van de waarde van het woonhuis in het economisch verkeer. [zoon 1] legt ter zake een concept-koopovereenkomst over die niet is getekend door partijen waarin is opgenomen een splitsing van de koopprijs en stelt in de memorie van grieven dat de in de koopovereenkomst opgenomen bedragen overeenkomen met de gerealiseerde koopprijzen, maar legt ter zake geen nadere stukken en/of onderbouwing over.
Het hof is van oordeel dat het op de weg van [zoon 1] had gelegen de waarde van het woonhuis nader te onderbouwen, nu [zoon 2] de door [zoon 1] gehanteerde waarde uitdrukkelijk en gemotiveerd heeft betwist terwijl [zoon 1] ter zake niet steeds een eenduidig standpunt innam. Zo stelde [zoon 1] in eerste aanleg in zijn Akte houdende uitlaten na comparitie van partijen hierover:
"(b) De kwestie die leidt tot een verhoging (toevoeging voor de leesbaarheid: van de legitimaire massa):Op productie 35 worden de percelen " [plaats] […] ' tot het ondernemingsvermogen gerekend. Deze percelen moeten echter niet meer (!) gerekend worden tot het ondernemingsvermogen.”, en nam. zonder nadere toelichting, later een ander standpunt in. Nu [zoon 1] heeft nagelaten een nadere onderbouwing te geven, gaat het hof. mede gelet op het door [zoon 2] ter zake gestelde, uit van een bedrag van € 970.000.-.” [onderstreping toegevoegd; plv.]
2.62.2
Subonderdeel IV.3 betoogt dat het hof in rov. 30.2 terecht voorop stelt dat de waarde van deze onroerende zaken niet tweemaal in de berekening moet worden betrokken, maar dat het hof dit wel doet doordat het uitgaat van de door [zoon 2] gestelde waarde van het woonhuis van € 970.000,- en dat motiveert met de onderstreepte passages. Volgens de motiveringsklacht van het subonderdeel is het oordeel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, omdat [zoon 1] na de door het hof bedoelde akte geen ander standpunt in heeft genomen; het standpunt in de memorie van grieven is identiek aan het standpunt dat in de akte is ingenomen. Volgens de rechtsklacht van het subonderdeel getuigt het oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting ter zake van de stelplicht en bewijslast. Het hof miskent dat het [zoon 2] is die zich in het kader van zijn vordering op het rechtsgevolg beroept dat zijn legitieme op dat bedrag moet worden gesteld en dat de waarde van de woning € 970.000,- bedraagt en dar [zoon 2] daarvan de stelplicht en bewijslast draagt, te meer nu [zoon 1] geen ander standpunt heeft ingenomen en dus de door [zoon 2] gestelde waarde gemotiveerd heeft betwist, aldus de klacht.
2.62.3
Subonderdeel IV.5 klaagt dat het hof in rov. 30.2. eerst overweegt dat de waarde van de onroerende zaken, genummerd B 1465, 1466 en 146, niet tweemaal in de berekening moet worden meegenomen, maar vervolgens – in rov. 31 – toch verdergaat op de weg van de rechtbank en [zoon 2] die de waardes hebben verdisconteerd in de post ‘woonhuis’ en nogmaals in de post ‘aandeel ondernemingsvermogen’. Het hof gaat hiermee ten onrechte voorbij aan de in de memorie van grieven en de akte van 9 februari 2022 in eerste aanleg - ingenomen stelling van [zoon 1] dat de waarde van de genoemde percelen twee keer zijn meegerekend, met als gevolg dat het hof de legitieme veel te hoog vaststelt. Daarbij vult het hof ook feiten aan en treedt het buiten het debat van partijen, althans miskent het dat [zoon 2] op geen enkele wijze heeft onderbouwd waarom die post twee keer zou moeten worden meegerekend
2.63.1
Voor beide subonderdelen is het nuttig het procesdebat na te gaan. Uitgangspunt is dat (het gebruik en genot van) de percelen B1465, 1466 en 1467 in de vof 2 zijn ingebracht, maar dat het woonhuis niet is ingebracht. De percelen en het woonhuis zijn na het overlijden van erflaatster verkocht voor € 970.000,-.37.
2.63.2
[zoon 2] heeft in zijn akte van 31 maart 2021 in zijn omschrijving van de boedel van erflaatster afzonderlijk een post ‘onroerend goed B1465, 1466, 1467’ opgenomen voor een bedrag van € 970.000,- . Hij sloot daarmee aan bij de verkoopprijs. Hij heeft daarnaast een post ‘ondernemingsvermogen’ ad € 1.440.282,- opgenomen. (akte van 31 maart 2021 nrs. 1, 24, 39 en. 42).[zoon 1] heeft in eerste instantie hieraan de conclusie verbonden dat de percelen B1465, 1466 en 1467 niet meer tot het ondernemingsvermogen behoren – het hof citeert de betreffende passage uit de akte in rov. 30.2 − en dat daarom de waarde van de nalatenschap moet worden verhoogd met de opbrengst van de percelen. Hij heeft gesteld dat deze opbrengst € 155.000,- was en dit bedrag verwerkt in de aangepaste opstelling van het vermogen van erflaatster (akte van 9 februari 2022 p. 3-4 en productie 35).In hoger beroep heeft [zoon 1] aangevoerd dat de door [zoon 2] in zijn akte van 31 maart 2021 opgevoerde post ‘onroerend goed B1465, 1466, 1467: EURO 970.000,00’ bestaat uit bestaat uit 4 objecten, waaraan een bepaalde waarde is toegekend, te weten (1) het woonhuis met ondergrond ad € 625.000,-, (2) de percelen B1465, 1466 en 1467 ad € 182.500,-, (3) de werktuigenberging/loods ad € 65.000,- en (4) de ondergrond van en rond de werktuigenberging ad € 97.500,-. [zoon 1] heeft aangevoerd dat [zoon 2] ten onrechte de onder (2), (3) en (4) bedoelde bedragen, totaal € 345.000,-, opneemt in zowel de post onroerend goed B1465, 1466, 1467’ als in de post ‘ondernemingsvermogen’.heeft daarop onder verwijzing naar zijn akte van 31 maart 2021 geantwoord dat voor de post ‘onroerend goed B1465, 1466, 1467’ moet worden uitgegaan van een bedrag van € 970.000,-, dat dit bedrag net zoals [zoon 1] heeft gedaan apart moet worden opgenomen en dat daarom geen sprake is van een dubbeltelling (memorie van antwoord nrs. 22, 24 en 25).
2.64
In het licht van het partijdebat slaagt naar mijn mening de motiveringsklacht van subonderdeel IV.3. De door deze klacht bestreden motivering van het hof is niet zonder meer begrijpelijk. Met name het oordeel dat [zoon 1] ten aanzien van de waarde van de woning niet steeds een eenduidig standpunt innam behoeft, gelet op de hierboven weergegeven stellingen van [zoon 1] , nadere motivering. [zoon 1] heeft weliswaar verschillende waardes gehanteerd in verband met de percelen B1465, 1466, 1467, maar heeft steeds betoogd dat de totale opbrengst van € 970.000,-, niet slechts zag op het woonhuis.
2.65
Het hof is niet ingegaan op de stelling dat er dubbeltellingen zitten in de posten ‘onroerend goed B1465, 1466, 1467’ dan wel ‘woonhuis’ enerzijds en de post ‘ondernemingsvermogen’ anderzijds. De reden hiervoor de post woonhuis reeds op € 970.000,- stelt. Na cassatie en verwijzing zal dit alsnog onderzocht dienen te worden. De klacht van subonderdeel IV.5 behoeft daarom geen bespreking.
2.66
De rechtsklacht van subonderdeel IV.3 berust naar mijn mening op een onjuiste lezing van het arrest en dient daarom te falen bij gebrek aan feitelijke grondslag. Op [zoon 2] rusten volgens de hoofdregel van art. 150 Rv. stelplicht en, bij voldoende betwisting, de bewijslast van de feiten en omstandigheden die (de omvang van) zijn vordering ter zake van zijn legitieme portie kunnen rechtvaardigen. De erfgenaam beschikt echter over de noodzakelijke gegevens die nodig zijn om de omvang van de legitieme portie te kunnen bepalen. Met het oog daarop rust op de erfgenaam een inlichtingenplicht jegens de legitimaris die geen erfgenaam is (art. 4:78 BW). Tegen deze achtergrond heeft het hof bepaalde eisen gesteld aan de motivering van de betwisting door [zoon 1] van de stellingen van [zoon 2] over de omvang van diens legitieme portie. Daarmee heeft het hof, anders dan de klacht veronderstelt, niet de verdeling van de stelplicht en bewijslast miskend.
Slotsom; onderdeel V
2.67
In het verlengde van de slagende klachten van de hiervoor besproken onderdelen van het middel, slaagt ook de voortbouwklacht van onderdeel V voor zover de klacht ziet op overwegingen van het hof die voortbouwen op de slagende onderdelen van het middel. Dit laatste is met name niet het geval ten aanzien van de overweging in rov. 35, dat mogelijke procesrechtelijke fouten die in eerste aanleg zijn gemaakt in appel kunnen worden hersteld.
2.68
Ik kom tot de slotsom dat het bestreden arrest dient te worden vernietigd en de zaak dient te worden verwezen naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Plv.
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 20‑12‑2024
Vgl. hof Den Haag van 21 november 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2339, TvAR 2024/8169 m.nt. T.J. Mellema-Kranenburg, rov. 6-14.
Art. 25 van de initiële akte.
HR 26 april 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0225, NJ 1992/407, m.nt. J.B.M. Vranken, rov. 3.3; HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, NJ 2009/21 m.nt. J.M.M. Maeijer en H.J. Snijders, JOR 2008/260 m.nt. Y. Borrius, rov. 4.2.2-4.2.3; HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771, NJ 2010/154 m.nt. H.J. Snijders, rov. 2.4.2-2.4.4; HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2363, NJ 2018/144, IER 2017/67 m.nt. F.W.E. Eijsvogels, rov. 2.2. Zie voorts H.E. Ras en A. Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, Deventer: Kluwer 2017, nr. 28 e.v.; Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2022/106 e.v.; H.J. Snijders en A. Wendels, Civiel Appel, Deventer: Kluwer 2009, nr. 162 e.v.; W. Hugenholtz en W.H. Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, Dordrecht: Convoy Uitgevers 2024, p. 254. Zie hierover ook de conclusie van A-G Valk van 29 november 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1275.
Vgl. HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6699, NJ 2014/175, JBPr 2013/17 m.nt. B.T.M. van der Wiel, JIN 2013/53 m.nt. M.C. van Rijswijk, rov. 3.4-3.6.
HR 6 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1097, NJ 2018/318, JIN 2018/139 m.nt. M.A.J.G. Janssen, JBPr 2018/49 m.nt. B.T.M. van der Wiel & L.V. van Gardingen, rov. 3.3.3. Vgl. HR 6 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2567, NJ 2018/143, m.nt. H.B. Krans, JBPr 2018/5, m.nt. G.C.C. Lewin, JIN 2017/196 m.nt. M.A.J.G. Janssen, rov. 3.4.3; Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, Dordrecht: Convoy Uitgevers 2024, nr. 170.
W.D. Kolkman, Sdu commentaar erfrecht, commentaar op art. 4:65 BW, aant. 3 Vgl. M.J.A. van Mourik & F.W.J.M. Schols, Erfrecht (Mon. Privaatrecht 1), 2021/57.1; Asser-Perrick 4 2021/309; B.C.M. Waaijer, Handboek Erfrecht, 2020/6.2; : Huijgen e.a., Compendium erfrecht 2022/81.
Asser-Perrick 4 2021/279; P.J.F.M. Le Cat, GS Erfrecht, art. 4:126 BW, aant. 6; M.R. Kremer, GS Bijzondere overeenkomsten, art. 7:177 BW, aant. 3; H.D. Ploeger, T&C Erfrecht civiel en fiscaal, art. 7:177 BW, aant. 2-3.
Asser-Perrick 4 2021/281; P.J.F.M. Le Cat, GS Erfrecht, art. 4:126 BW, aant. 6; M.R. Kremer, GS Bijzondere overeenkomsten, art. 7:177 BW, aant. 3; J.H. Lieber, Sdu Commentaar Erfrecht, art. 4:126 BW, aant. 2; H.D. Ploeger, T&C Erfrecht civiel en fiscaal, art. 7:187 BW, aant. 2; L.C.A. Verstappen, Handboek erfrecht, 2020/XVIII.2.2.3 en 3.2.3.
J.H. Lieber, Sdu Commentaar Efrecht, art. 4:126 BW, aant. 2 (“Een verblijvingsbeding dat bij gebreke van gelijke levens- en sterftekansen niet is te kwalificeren als een kanscontract, niet strekt tot voldoening aan een natuurlijke verbintenis en geen redelijke tegenprestatie kent, is een gift bij dode die valt onder artikel 4:126 lid 1 BW en behoort te voldoen aan de vormeis van artikel 7:177 lid 1 BW. Een dergelijk verblijvingsbeding valt dan niet onder artikel 4:126 lid 2 onder a BW.”); Asser-Perrick 4 2021/591b (die hieronder het geval dat een overnemingsbeding een waardering tegen agrarische waarde voorschrijf, schaart). Vgl. ook W.D. Kolkman, T&C Erfrecht civiel en fiscaal, art. 4:126 BW, aant. 3; B.C.M. Waaijer, Handboek Erfrecht, 2020/6.2; F.W.J.M. Schols, Handboek erfrecht 2020/VII.2.20; L.C.A. Verstappen, Handboek erfrecht, 2020/XVIII.3.2.3 (“Het vormvoorschrift speelt dus alleen in het geval het verblijvingsbeding of het overnemingsbeding een gift ter zake des doods inhoudt. Dat doet zich met name voor in het geval het verblijvingsbeding weliswaar wederkerig is, maar er een groot leeftijdsverschil bestaat, zoals bijvoorbeeld in geval van een wederkerig verblijvingsbeding tussen vader en zoon of tussen twee met elkaar samenwonende personen. Ook kan een gift ter zake des doods schuilen in eenzijdige overnemingsbedingen, die de overnemer ten tijde van het sluiten van de betreffende overeenkomst verplichten tot inbreng minder dan de waarde van het te verblijven goed.”); Klaassen/Luijten & Meijer Il, Erfrecht, 2008/328-330.
G.G.B. Boelens, Compendium erfrecht 2022/81; M.J.A. van Mourik & F.W.J.M. Schols, Erfrecht (Mon. Pr.nr. 1), 2021/57.1; Asser/Perrick 4 2021/254-258 en 266; M.J.A. van Mourik e.a., Handboek Erfrecht 2020/XVIII.2.2.2-2.2.6; F.W.J.M. Schols, Schenking en gift (Monografieën BW B82) 2011/4. M.J.A. van Mourik e.a., Handboek Erfrecht 2020/XVIII.2.2.5 betrekken vrijgevigheid op de verarming bij de schenker en bevoordelingsbedoeling op de verrijking bij de begiftigde, maar voegen daaraan toe dat beide begrippen worden gebezigd om de wil van de schenker en de begiftigde weer te geven. Zie ook Drielsma, ‘Liberaliteit, causaliteit en finaliteit bij schenking’, WPNR 1966/4896-4898.
HR 13 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8172, NJ 2004/653 m.nt. W.M. Kleijn, rov. 3.5.2, overwoog dat bevoordeling uit vrijgevigheid onder omstandigheden ook kan plaatsvinden door een niet-handelen. Zie hierover ook Asser/Perrick 4 2021/255.
P.C. van Es, ‘Het paard van Libourel: iets over het vrijgevigheidsvereiste bij giften’, Tijdschrift Erfrecht 2008/2, p. 28, die tevens behandelt dat de koop tegen een te hoge prijs ook een gift kan zijn (p. 29).
L. Verstappen, Hulde aan Huijgen 2023/30.4; I.J.F.A. van Vijfeijken & N.C.G. Gubbels, Cursus Belastingrecht S&E.9.4.0.D.a. Vgl. 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1199, NJ 2015/378 m.nt. L.C.A. Verstappen, rov. 3.3.3 en 3.3.5; HR 8 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2274, NJ 2017/437 m.nt. L.C.A. Verstappen, rov. 3.5. Zie over deze rechtspraak S.H. Oosterhuis-Broers & C. Hokken, ‘Het samenstel van rechtshandelingen en de uitsluitingsclausule’, EB 2018/3, p. 6-9.
Vgl. HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG1117, NJ 2009/220 (Pannevis/Air Holland), rov. 3.6.2.
Toelichting Wiersma, Ontwerp voor een nieuw Burgerlijk Wetboek van prof. mr. E.M. Meijers, Toelichting vierde gedeelte (Boek 7), 1972, p. 892; Asser/Perrick 4 2021/256; W.J.M. Freek, Schols, Schenking en gift (Monografieën BW B82), Deventer: Wolters Kluwer 2011/6.
Toelichting Wiersma, Ontwerp voor een nieuw Burgerlijk Wetboek van prof. mr. E.M. Meijers, Toelichting vierde gedeelte (Boek 7), 1972, p. 894..
Vgl. HR 15 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5687, NJ 1995/577 m.nt. W.M. Kleijn, rov. 3.4. Zie voorts Asser/Perrick 4 2021/257; M.J.A. van Mourik e.a., Handboek Erfrecht 2020/XVIII.1 en XVIII.2.2.5; F.W.J.M. Schols, Schenking en gift (Monografieën BW B82), 2011/7; H. Schuttevâer & J.W. Zwemmer, Schenking (Studiepockets privaatrecht 8), Deventer: Kluwer 2002, p. 5-6.
Toelichting Wiersma, Ontwerp voor een nieuw Burgerlijk Wetboek van prof. mr. E.M. Meijers, Toelichting vierde gedeelte (Boek 7), 1972, p. 894. Vgl. p. 892.
Zie hiervoor, naast het in 3.13.2 bedoelde citaat, ook de conclusie van A-G Groeneveld, nr. 4.5, voor HR 12 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7272, BNB 2002/317 m.nt. J.W. Zwemmer.
Vgl. H. Schuttevâer & J.W. Zwemmer, Schenking (Studiepockets privaatrecht 8), Deventer: Kluwer 2002, p. 6. A-G Pauwels merkt in zijn conclusie van 25 augustus 2023, ECLI:NL:PHR:2023:733, nr. 4.7, op dat de omstandigheid dat er geen familie- of vriendenrelatie bestaat een contra-indicatie kan zijn voor een bevoordelingsbedoeling.
Vgl. HR 4 november 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1516, NJ 1996/485 m.nt. W.M. Kleijn, rov. 3.7; Asser/Kleijn 5-IV 1988/202, p. 167-168; F.W.J.M. Schols, Schenking en gift (Monografieën BW B82), 2011/7.
M.J.A. van Mourik e.a., Handboek Erfrecht 2015/X.8 en XVIII.2.2.4, p. 688.
F.W.J.M. Schols, Schenking en gift (Mon. BW), 2011/7.
HR 20 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF1029, BNB 2009/179 m.nt. I.J.F.A. van Vijfeijken, rov. 3.3.2. Zie ook: HR 13 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8172, NJ 2004/653 m.nt. W.M. Kleijn, rov. 3.4.4.
F.W.J.M. Schols, Schenking en gift (Mon. BW), 2011/7.
Vgl. HR 4 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6169, NJ 2005/162. rov. 3.5.2. Zie ook: W. Burgerhart, ‘Bedrijfsopvolging via een personenvennootschap en de legitieme’, WPNR 2013/6971, p. 292.
Vgl. HR 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:23, JBPr 2020/58 m.nt. G.C.C. Lewin; HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1357 en HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:663, NJ 2016/222, JBPr 2016/47 m.nt. G.C.C. Lewin, JIN 2016/111 m.nt. E.J.H. Zandbergen. Zie voorts T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke rechtsvordering, art. 24 Rv, aant. 2 en 4.
Kamerstukken II 2005/06, 30448, 3, p. 11 en 12 (“Zo mag worden aangenomen dat in het geval van een maatschap, waarbij de ene partij de grond inbrengt en de andere partij degene is die de grond gebruikt, de regeling van de pacht van toepassing is. Het dan toepasselijke dwingende pachtrecht kan niet opzij worden gezet met een beroep op de maatschapsovereenkomst”). Vgl. HR 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:874, NJ 2019/183 m.nt. E.W.J. de Groot, rov. 4.4.5; HR 12 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2034, NJ 2020/43, rov. 3.2.2; Hof Arnhem-Leeuwarden 13 juli 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:6764, rov. 3.14. Zie voorts Asser/Valk 7-III 2024/75
Vgl. HR 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:587, rov. 3.2.2.
Memorie van antwoord tevens van voorwaardelijk incidenteel appel nr. 49.
Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein en Wesseling-Van Gent 4 2022/203. Vgl. HR 10 oktober 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC1629, NJ 1981/3, m.nt. W.H. Heemskerk.
Het totaal bedrag is het resultaat van 5 x 25.616.
HR 15 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2655, NJ 1998/625; HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:274, NJ 2021/126; A.I.M. van Mierlo/F.J.P. Lock, T&C Burgerlijke rechtsvordering, commentaar op art. 25, onder 1.
Zie van de zijde van [zoon 1] diens akte van 9 februari 2021 p. 3; en de memorie van grieven p. 6; en van de zijde van [zoon 2] diens akte van 31 maart 2022, nrs. 1 en de memorie van antwoord nr. 22.
Beroepschrift 03‑04‑2024
PROCESINLEIDING VORDERINGSPROCEDURE BIJ DE HOGE RAAD
Eiser tot cassatie is [zoon 1], hierna: [zoon 1], pro se en in zijn hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van [erflaatster] (hierna ook: moeder), wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente] voor deze zaak domicilie kiezende te (2582 GM) Den Haag aan de Statenlaan 28, ten kantore van Alt Kam Boer advocaten van wie mr. H.J.W. Alt, advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, door requirant als zodanig is aangewezen om hem te vertegenwoordigen in na te melden cassatieprocedure
Verweerder te dezen is:
[zoon 2], wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente], hierna: [zoon 2], voor wie in hoger beroep als (proces)advocaat is opgetreden mw. mr. F.C. Hilderink, kantoorhoudende te (6861 EJ) Oosterbeek aan de Stationsweg 44A (Van Barneveld Advocaten);
[zoon 1] stelt hierbij cassatieberoep in tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 21 november 2023, gewezen onder zaaknummer 200.312.330/01, hierna: het arrest;
Verweerder kan in deze cassatieprocedure ten laatste verschijnen op: woensdag 3 april 2024. Daarnaast wordt verweerder erop gewezen dat de enkelvoudige civiele kamer van de Hoge Raad der Nederlanden vorderingszaken, zoals de onderhavige, behandelt op vrijdagen om 10.00 uur (zie: art. 3.1.4.4. van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden) in het gebouw van de Hoge Raad der Nederlanden aan het Korte Voorhout 8.
[zoon 1] voert tegen het arrest het volgende middel van cassatie aan:
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan niet-inachtneming nietigheid medebrengt, doordat het hof bij het aangevallen arrest heeft overwogen en beslist gelijk in het arrest vermeld — hier als herhaald en ingelast te beschouwen — ten onrechte om één of meer van de navolgende — zo nodig in onderling verband en samenhang te beschouwen — redenen:
A. Inleiding en feiten
1.
Moeder ([erflaatster]), was gehuwd met de heer [erflater] (hierna tevens: ‘vader’). Het huwelijk tussen moeder en vader is geëindigd door het overlijden van vader op [overlijdensdatum] 2016. Op basis van het testament van vader verkreeg moeder alle goederen van de nalatenschap, gelijk ook de schulden voor haar rekening kwamen. [zoon 1] en [zoon 2] kregen als gevolg daarvan een (renteloze) vordering op de moeder. De hoogte van deze vordering volgt uit een notariële akte van 17 oktober 2017. De vorderingen voortkomende uit de nalatenschap van vader zijn overigens al afgewikkeld. Hierover bestaat tussen partijen geen geschil. Hier ging het om € 197.930,- voor [zoon 1] en € 202.930,- voor [zoon 2], welk bedrag [zoon 2] heeft ontvangen op 22 februari 2021.
2.
Op [overlijdensdatum] 2019 is te Rotterdam de moeder van partijen komen te overlijden. Moeder heeft bij testament van 12 oktober 2017 over haar nalatenschap beschikt. Ingevolge dat testament is [zoon 2] onterfd en heeft zij [zoon 1] als erfgenaam en executeur aangewezen, zulks onder de last van drie legaten af te geven uiterlijk binnen één jaar na haar overlijden. Deze legaten spelen in de cassatieprocedure geen rol meer omdat die inmiddels zijn voldaan.
3.
[zoon 1] heeft de nalatenschap zuiver aanvaard. [zoon 1] exploiteert met zijn echtgenote en zoon ([kind 1]) in de vorm van een vennootschap onder firma een melkveehouderij in [a-plaats]. In het arrest van het gerechtshof Den Haag wordt deze vennootschap onder firma (met als vennoten: [zoon 1], zijn echtgenote en zoon [kind 1]) aangeduid als vof 1.
4.
Moeder had vastgoed in eigendom, waaronder percelen landbouwgrond. Die percelen landbouwgrond werden door de moeder in het verleden verpacht aan vof 1. Deze verpachting is een van de essentiële onderdelen van de onderhavige aangelegenheid. De pachtovereenkomsten zijn door de grondkamer Zuidwest op 19 december 2016 goedgekeurd.1.
5.
Op 8 april 2017 is moeder als vennoot toegetreden tot vof 1, zulks in die zin dat de vennootschap onder firma met ingang van 1 januari 2017 werd aangemerkt als resultaat van vier vennoten. De vennootschap onder firma vanaf 1 januari 2017, bestaande uit vier vennoten ([zoon 1], zijn echtgenote, de zoon [kind 1] en de moeder) en wordt door hof Den Haag aangeduid met vof 2. In verband met het aangaan van deze vof 2 is door partijen een onderhandse akte opgesteld, die op 8 april 2017 door de vier vennoten is ondertekend. Op 26 augustus 2017 is er een gerectificeerde onderhandse akte ondertekend. De rectificatie had betrekking op het zogenaamde ‘Vervreemdingsbeding’.2.
6.
Op het moment van het aangaan van vof 2 is door moeder in de vof ingebracht het gebruik en genot van een groot aantal onroerende zaken waarvan de moeder eigenaresse was. De onroerende zaken die de moeder op 1 januari 2017 in gebruik en genot heeft ingebracht waren allemaal door haar verpacht aan vof 1. 3.
7.
Vof 2 is geëindigd op [overlijdensdatum] 2019 door het overlijden van de moeder. Op grond van artikel 13 lid 6 van de vof 2-akte mocht [zoon 1] het aandeel van erflaatster in het vermogen van vof 2 overnemen. In verband met de overnameprijs bepaalt art. 17 lid 1 van de vof 2-akte:
‘De voortzettende vennoot verkrijgt krachtens verdeling het aandeel van de niet-voortzettende vennoot in alle goederen die deel uitmaken van het vennootschapsvermogen, onder de gebondenheid de waarde van dat aandeel in geld uit te keren aan de niet-voortzettende vennoot. De verdeling vindt plaats aan het einde van het boekjaar waarin de uitoefening van het voortzettingsrecht heeft plaatsgevonden. De waarde van dat aandeel is gelijk aan de kapitaaldeelname van de niet-voortzettende vennoot in het bedrijf van de vennootschap, zoals die blijkt uit de balans van het bedrijf van de vennootschap op het moment van de verdeling, waarbij alle zaken, zowel roerende als onroerende, en vermogensrechten op het moment van verdeling worden gewaardeerd overeenkomstig een waarde waarbij een externe financier een lening voor de overname van het bedrijf wenst te verstrekken en waarbij tevens een lonende exploitatie van het bedrijf mogelijk is, met dien verstande dat de overnamesom dusdanig dient te zijn dat daardoor een goede oudedagsvoorziening resteert voor de vennoten sub 1, sub 2 en sub 4.’
(onderstreping HJWA)
8.
Als productie 7 is in eerste aanleg namens [zoon 1] een door ABAB Accountants en Adviseurs opgesteld rapport (d.d. 30 september 2020) in het geding gebracht waarin de waarde van de onderneming en het aandeel van de moeder is berekend. Centraal staat uiteraard de berekening uitgaande van een ‘lonende exploitatie van het bedrijf’.4. In voormelde berekening is als peildatum gekozen (gelet op het feit dat moeder is overleden op [overlijdensdatum] 2019) voor 31 december 2019. In verband met de prijs van de melk die werd geproduceerd en verkocht op het melkveebedrijf, was er destijds geen sprake van een lonende exploitatie. Voor de goede orde wordt hierbij aangetekend dat ABAB in haar berekening is uitgegaan van de gemiddelde melkprijs in Nederland destijds en niet van de veel lagere opbrengst die vof 2 feitelijk ontving. In het rapport van ABAB staat op pagina 8:
‘Op basis van de berekeningen is de waarde van de onderneming tegen lonende exploitatie berekend op € 143.505. Uitgaande van een aandeel van de moeder in het bedrijfskapitaal van 63,34% is haar ondernemingsvermogen per overlijdensdatum berekend op € 90.896. Hierbij hebben we nog geen rekening gehouden met de latente belastingclaim welke op basis van een fiscaal geruisloze overdracht van moeder is doorgeschoven naar de voortzettende vennoten.’
9.
Bij akte van 9 februari 2022 is als productie 35 namens [zoon 1] een ‘overzicht van het vermogen van mw. [erflaatster] per [overlijdensdatum] 2019’ (lees: het tijdstip van overlijden) in het geding gebracht. Hieruit volgt dat het ‘zuiver saldo van de nalatenschap’ op [overlijdensdatum] 2019 bedraagt: € 651.513,-- en na correctie: € 758.668,-- (zie de berekeningen in de nrs. 4 tot en met 6 van de akte van 9 februari 2022). Ingevolge voormeld ‘zuiver saldo van de nalatenschap’ volgt uit de als productie 37 door [zoon 1] in het geding gebrachte berekening dat de uiteindelijke aanspraak van [zoon 2] in verband met zijn legitieme portie bedraagt € 134.743.5.
10.
Namens [zoon 1] is in de procedure uitdrukkelijk gesteld dat er afgewikkeld moet worden in overeenstemming met datgene wat is bepaald in de vof 2-akte. Met andere woorden: de legitieme portie moet worden bepaald met inachtneming van het bepaalde in de vof 2-akte. 6.
11.
Namens [zoon 2] is in de procedure gesteld dat er afgewikkeld moet worden op basis van (1) (primair:) de liquidatiewaarde7. en (2) (subsidiair:) een in redelijkheid door de rechtbank te bepalen bedrag. Uit het proces-verbaal van de zitting van 25 november 2021 volgt dat [zoon 2] van mening is dat zijn legitieme portie € 636.000,- bedraagt en dat daarop de schenkingen aan [zoon 2] ten bedrag van € 175.000,- in mindering moeten worden gebracht, als gevolg waarvan € 461.000,- resteert volgens [zoon 2]. Deze benadering van [zoon 2] gaat integraal voorbij aan hetgeen is bepaald in de vof 2-akte. Tijdens voormelde zitting van 25 november 2021 is (zoals ook volgt uit het proces-verbaal p. 2) namens [zoon 1] naar voren gebracht dat het testament van erflaatster en de vof 2-akte maatgevend zijn.
12.
In zijn akte van 12 januari 2022 schrijft [zoon 2] onder andere dat de toetreding van moeder tot de vof 2 moet worden aangemerkt als een gift. Zo lezen we in rnr. 7 van deze akte onder meer:
‘Ook door erflaatster tot de vennootschap onder firma te laten toetreden dient naar de mening van [zoon 2] als een gift te worden aangemerkt, aangezien erflaatster:
- —
reeds ten tijde van de ondertekening van de akte van toetreding tot de vennootschap op leeftijd was, namelijk 77 jaar;
- —
geen feitelijke werkzaamheden in de onderneming verrichtte;
- —
in [b-plaats] woonde, terwijl de onderneming in [a-plaats] werd geëxploiteerd;
- —
geen vergoeding ontving over het door haar ingebrachte kapitaal;
- —
de exploitatie van de onderneming niet rendabel was, althans het winstaandeel van erflaatster niet in een reële verhouding stond tot het door haar ingebrachte kapitaal.’
13.
In de akte van 9 februari 2022 wordt in rnr. 8 aangegeven dat en waarom er geen sprake is van een schenking. Specifiek wordt hier gewezen op p. 6 van die akte onderaan. [zoon 1] heeft als reactie daarop onder meer het volgende verweer gevoerd:
‘[zoon 1] is van mening dat er geen sprake is geweest van een bevoordelingsbedoeling ten tijde van het aangaan van de overeenkomst van vennootschap onder firma (productie 1 bij conclusie van antwoord) noch bij gelegenheid van de voortzetting na het overlijden van moeder. In dit verband wordt hier onder andere gewezen op onder meer de navolgende feiten en omstandigheden, waarbij volgens [zoon 1] geldt dat het geheel(!) van de maatschapsverhouding in de afweging betrokken moet worden.
Erflater was ingevolge de overeenkomst van vennootschap onder firma gebonden aan hetgeen bij gelegenheid van het sluiten van voormelde overeenkomst vennootschap onder firma tussen partijen is overeengekomen. Onder in aanmerking nemende van deze overeenkomst is onder meer te lezen:
‘zijn met elkaar op zakelijke grondslagen een overeenkomst van vennootschap onder firma (hierna te noemen vennootschap of vof) aangegaan, welke wordt beheerst door de navolgende voorwaarden en bepalingen.’’
Vervolgens wordt dit (nog steeds in rnr. 8 van die akte) verder uitgebouwd aan de hand van de vof akte, het expliciet daarin opgenomen zijn van de agrarische waarde en de lonende exploitatie, het anti speculatiebeding en het feit dat bij akte en bij rectificatie daarvan expliciet wordt uitgesproken dat er geen bevoordelingsbedoeling is.
14.
Bij memorie van grieven wordt in grief 2 door [zoon 1] opgekomen tegen het oordeel dat sprake zou zijn van een schenking middels toetreding van moeder tot de vof en de inbreng van moeder in de vof. Geklaagd wordt dat voorbij wordt gegaan aan het bepaalde in de vof-akte en op p. 11, 3e woordblok is in dit verband uitdrukkelijk verwezen naar rnr 8 van de akte van 9 februari 2022. Voorts wordt onder meer gewezen op het al jaren verpacht zijn van de gronden en wordt er andermaal gewezen dat moet worden uitgegaan van een waarde van ‘net lonende exploitatie’.
B. Klachten
I. Onjuiste rechtsopvatting tweeconclusieleer en motiveringsklachten
Dit onderdeel is gericht tegen rov. 4 waarin het hof overweegt dat:
- —
het met [zoon 2] van oordeel is dat [zoon 1] in zijn memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel appel zaken aanvoert die geen betrekking hebben op de voorwaardelijke incidentele vordering van [zoon 2] en dat
- —
het voor zover [zoon 1] nieuwe grieven heeft geformuleerd en/of nieuwe feiten heeft aangevoerd die hij bij zijn grieven had dienen aan te voeren het hof die niet zal meenemen bij zijn oordeel.
I.1
Dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en is voorts onbegrijpelijk.
Immers, zoals op p. 2 van die MvA Inc. wordt gesteld, wordt niet gereageerd op de MvA. Onbegrijpelijk is dus dat en waarom het hof van oordeel is dat dit wel zou gebeuren. Althans is het oordeel niet toereikend gemotiveerd, waarom het hof desalniettemin van mening is dat dit anders is.
Daarnaast is het oordeel ook rechtens onjuist. De tweeconclusieregel komt er immers op neer dat alles moet worden aangevoerd in het eerste inhoudelijke processtuk in hoger beroep. Daarbij heeft het incidentele beroep als een aparte instantie te gelden, zoals blijkt uit HR 6 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1097, rov. 3.3.3. Nu het incidentele beroep processueel dus een zelfstandige positie inneemt ten opzichte van het principale beroep is de memorie van antwoord het eerste processtuk in de zin van de tweeconclusieregel en art 347 Rv en mag daarin alles worden aangevoerd wat [zoon 1] in dit verband dienstig acht. Hem is het dus toegestaan om zonder meer nieuwe feiten of weren aan te voeren, zelfs indien die — in de visie van het hof8. — niet direct betrekking zouden hebben op de voorwaardelijke incidentele vordering.
Dat geldt temeer gelet op het volgende. Blijkens de MvA/MvG Inc. van [zoon 2] rnr. 49 en het petitum onder II (zie hierna onderdeel III) volgt dat [zoon 2] (voorwaardelijk) vordert dat het hof de omvang van zijn legitieme portie en legitimaire in goede justitie bepaalt waarbij voor de berekening daarvan zo veel mogelijk wordt uitgegaan van de werkelijke verkoopopbrengst van voornoemde vermogensbestanddelen en dat voor de waardering van de overige vermogensbestanddelen wordt uitgegaan van de waarde van deze goederen in het vrije economische verkeer per datum overlijden van moeder en dat uw hof, ter vaststelling van de waarde van deze goederen in het vrije economische verkeer, een of meerdere onafhankelijke deskundige(n) benoemt. Hij verwijst daarbij naar zijn MvA in het principale appel rnr. 16. Dus [zoon 2] vraagt in het voorwaardelijk incidentele appel een herbeoordeling van hetgeen wat voorligt en partijen verdeeld houdt en betrekt daarbij stellingen uit zijn eigen verweer uit het principale appel. Aldus moet het [zoon 1] als verweer daartegen in de memorie van antwoord in incidenteel appel, het eerste processtuk in die instantie aanvoeren wat hem dienstig voorkomt.9.
1.2
Het oordeel in rov. 4 zoals in de aanhef weergegeven is bovendien niet toereikend gemotiveerd omdat het geen inzicht geeft wat het hof buiten beschouwing laat. Dat klemt temeer daar het hof kennelijk, gelet op rov. 31 wel een oordeel geeft over de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel beroep en het hof dus kennelijk niet die gehele memorie buiten beschouwing laat (hetgeen ook zonder meer zou getuigen van een onjuiste rechtsopvatting). Ook is onbegrijpelijk dat het hof überhaupt stellingen terzijde laat nu, als gezegd in onderdeel I.1 [zoon 2] zelf voor zijn voorwaardelijk incidenteel appel verwijst naar passages uit zijn verweer in het principale appel en dat voorwaardelijk incidentele appel, zoals weergegeven in de MvA/MvG Inc. rnr. 49 en het petitum sub II dan dat het hof de legitieme in goede justitie opnieuw vaststelt. Daarbij betrekt [zoon 2] dus de gehele omvang van het debat in het voorwaardelijk incidentele appel.
1.3
Het hof laat in rov. 4 ook onbehandeld het verweer van [zoon 1] bij antwoordakte van 6 juni 2023 dat [zoon 2] nalaat om te onderbouwen op welk punt de tweeconclusieleer is geschonden (akte p. 3 onder b) en evenzeer de inhoudelijke betwisting (p. 3 sub c t/m 5). Dat verweer komt er op neer dat (1) de debatten in het principale en het voorwaardelijk incidentele appel met elkaar zijn verweven (p. 3 antwoordakte 6 juni 2023 onderaan), (2) [zoon 2] heeft zelf het debat onvoldoende afgekaderd (p. 4 sub ii antwoordakte 6 juni 2023) en (3) de positieve zijde van de devolutieve werking van het hoger beroep (p. 4 sub iii van die antwoordakte van 6 juni 2023). Ook om die reden is het oordeel niet toereikend gemotiveerd. Althans getuigt het oordeel in rov. 4 in dat kader van een onjuiste rechtsopvatting ter zake van de tweeconclusieregel, althans is het oordeel onbegrijpelijk.
II. Onjuiste rechtsopvatting hof ten aanzien van een schenking of gift en motiveringsklachten
Dit onderdeel is gericht tegen rovv. 24, 25 en 27. Daarin oordeelt het hof (letters door mij, HJWA):
- ‘a.
Het hof overweegt als volgt. Om vast te stellen of de toetreding van erflaatster tot vof 1 een gift is dan wel of de vermogensrechtelijke afwikkeling van vof 2 een gift is, is een analyse van de feiten noodzakelijk. Uit het betoog van [zoon 1] volgt dat de onroerende zaken die erflaatster aan de vof 1 had verpacht, voor erflaatster geen ondernemingsvermogen was: de onroerende zaken kwalificeerden voor haar als box 3 vermogen, dus als belegging. Een belegging kan naar het oordeel van het hof niet als een onderneming worden gekwalificeerd. Het hof is derhalve van oordeel dat de bedrijfsopvolgingsrechtspraak waarnaar [zoon 1] verwijst in het onderhavige geval niet relevant is (rov. 24).
- b.
Vof 1 had voor 1 januari 2017 het gebruik van de onroerende zaken van erflaatster, de vof 1 pachtte namelijk de onroerende zaken van erflaatster (rov. 25).
- c.
Uit het feitelijk handelen van de vennoten van vof 1 en erflaatster volgt dat de pachtovereenkomst tussen de vof 1 enerzijds en erflaatster anderzijds per 1 januari 2017 in obligatoire zin is beëindigd. Als dat niet het geval zou zijn geweest dan had erflaatster niet het gebruik van de onroerende zaken kunnen inbrengen in de vof 2. Dus op het moment van de inbreng behoorde tot het vermogen van erflaatster het onbezwaarde eigendom — dus vrij van pacht- van de onroerende zaken (rov. 25).
- d.
Tussen het sluiten van de vof 2 (4 april 2017) en het overlijden van erflaatster in augustus 2019 rust slechts een tijdspanne van ruim twee jaar. Het hof gaat ervan uit dat de waardes van de onroerende zaken per sterfdatum niet substantieel zullen afwijken van 1 januari 2017, zijnde de obligatoire datum van het aangaan van de vof 2 (rov 25).
- e.
Op basis van de hiervoor vermelde feiten is het hof met de rechtbank van oordeel dat door het toetreden van erflaatster tot de vof, sprake is van een gift van erflaatster aan [zoon 1] (rov 27).
- f.
Op het moment van het aangaan van de vof 2 bedroeg het box 3 vermogen dat zij in de vof inbracht plus minus € 1.440.292, -. Door het sluiten van de overeenkomst van vof 2 ontstond voor [zoon 1] op dat moment een recht om het ‘ondernemingsvermogen’ van erflaatster over te nemen tegen een waarde van plus minus € 90.896,-. Het hof neemt daarbij mede in overweging dat het beding van art. 17 voor zover dat ziet op de overname van een aandeel van een vennoot ten gevolge van diens overlijden geen wederkerig karakter heeft, doch uitsluitend werkt ten gunste van [zoon 1] (rov 27) .
- g.
Alleen voor hem geldt immers alsdan de mogelijkheid de verkrijging van het aandeel tegen de waarde als vermeld in lid 1 van dit artikel. In de rechtshandeling van erflaatster en [zoon 1] ligt dus een gift besloten (rov 27).’
II.1
Het hof gaat aldus oordelend onder a t/m g uit van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het aannemen van een schenking of gift. Het hof miskent aldus oordelend dat voor een schenking niet kan worden volstaan met ‘een analyse van de feiten’ (sub a) omdat indien, zoals in casu niet door [zoon 2] is gesteld dat er sprake was van een wil tot bevoordeling (en het hof die vervolgens ook niet vaststelt, niet desalniettemin uit een analyse uit de feiten een schenking kan worden afgeleid). Aldus mist er een essentiale voor het aannemen van een schenking of een gift.
Het hof miskent vervolgens sub b t/m g ook dat evenmin dat voldoende is dat iemand is bevoordeeld (zo daar hier al sprake van is).
Het hof miskent aldus ook in zijn oordeel sub a t/m g dat voor een schenking of een gift de wil tot bevoordeling van de schenker moet worden gesteld en vervolgens moet komen vast te staan, zoals nog eens recent door de Hoge Raad10. in een belastingzaak is uitgemaakt.11. Het hof miskent dus dat indien die wil tot bevoordeling er niet is, of zoals in casu zelfs niet een wordt gesteld, eenvoudig geen schenking kan worden aangenomen.
‘Zie aldus ook: Asser/Perrick-4-2021/ 254, 257, 258 en 260. Zie verder A-G Wissink vóór HR 14 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:262.’
Althans volgt uit het oordeel sub a t/m g in elk geval dat het hof (1) niet vaststelt dat er een bevoordelingsbedoeling is geweest bij moeder en (2) evenmin dat dit ook zo is begrepen bij [zoon 1], zodat essentialia voor het aannemen van een schenking ontbreken en het hof dus in rov 27 op onjuiste gronden een schenking aanneemt en dus van een onjuiste rechtsopvatting uitgaat.
Het hof miskent aldus oordelend onder a t/m g, althans geeft er geen kenbaar rekenschap van dat zelfs indien de ‘bevoordeler’ zich van die bevoordeling bewust is daaruit nog niet een bevoordelingsbedoeling uit kan worden afgeleid12. en dat er eerst sprake van een schenking of een gift is, indien en voor zover de schenker of gever een bevoordelingsbedoeling heeft gehad13. en dat ook de ontvanger van de beweerdelijke gift zich bewust moet zijn geweest dat de schenker met een bevoordelingsbedoeling handelde.14.
Voorts miskent het hof dat daarbij ook van belang is hetgeen de Hoge Raad heeft geoordeeld in de HR 20 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF1029, waarin onder meer werd beslist:
3.3.2.
Daarnaast wijst het middel er in dit verband terecht op dat in onderdeel 3.4.4 van het arrest van de Hoge Raad van 13 februari 2004, nr. C02/223HR, NJ 2004, 653, ter zake van een situatie als de onderwerpelijke, waarin een voorheen door vader en zoon in maatschapsverband uitgeoefend agrarisch bedrijf wordt voortgezet door de zoon, onder meer is overwogen ‘dat (…) de rechtsbetrekkingen tussen deelgenoten in een gemeenschap worden beheerst door de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, die in het algemeen in de weg staan aan een waardering die voortzetting van een (nog juist lonend) bedrijf onmogelijk maakt (…)’. Hieruit vloeit voort dat in het algemeen sprake zal zijn van nakoming van een verplichting — en niet van de bedoeling tot bevoordeling die is vereist voor het aannemen van een schenking — voor zover waardering op een lagere waarde dan de economische waarde noodzakelijk is om voortgezette bedrijfsuitoefening te verzekeren.15.’
Hieruit volgt dus dat de Hoge Raad al in 2004 en herhaald in 2009 heeft uitgemaakt dat bij agrarische bedrijfsopvolging de rechtsbetrekkingen tussen deelgenoten in een gemeenschap worden beheerst door de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, die in het algemeen in de weg staan aan een waardering die voortzetting van een (nog juist lonend) bedrijf onmogelijk maakt . Zoals in het volgende subonderdeel (II.2) verder wordt uitgewerkt was er eigenlijk al sinds 1 juli 1998 sprake van één agrarisch bedrijf, aanvankelijk in een maatschap tussen vader en [zoon 1], vervolgens met toetreding van de echtgenote van [zoon 1] en in 2003 via een verpachtingsconstructie. Anders dan het hof overweegt sub a in rov. 24 is er dus juist wel sprake van toepasselijkheid van bedrijfsopvolgingsjurisprudentie en volgt uit die jurisprudentie nu juist dat er geen sprake is van een bevoordeling, laat staan van een bevoordelingsbedoeling.
Hof miskent ook, althans gaat voorbij aan de stelplicht en bewijslast van [zoon 2] terzake
Die bevoordelingsbedoeling moet met zoveel woorden door de partij die zich op een schenking beroept worden gesteld en bewezen. 16. In casu is dat [zoon 2] die zich immer op dit rechtsgevolg beroept. Bij gebreke van zelfs een gestelde bevoordelingsbedoeling en bevoordelingsbewustheid bij [zoon 2] kon en mocht het hof geen schenking aannemen. Het hof miskent ook dit in zijn oordeel sub a t/m g althans is dit oordeel zonder nadere toelichting niet toereikend gemotiveerd.
Verweer ontbreken bevoordelingsbedoeling is expliciet gevoerd
Het verweer terzake van het ontbreken van een bevoordelingsbedoeling is overigens met zoveel woorden gevoerd in de akte van 9 februari 2022 p. 6 onderaan17. en in hoger beroep herhaald: op p. 11, 3e woordblok is hier uitdrukkelijk naar verwezen.18. Het hof heeft dus miskend, althans geen kenbare aandacht gegeven aan het expliciet gevoerde verweer dat er geen bevoordelingsbedoeling was. Het hof had hierop dan ook expliciet moeten reageren, hetgeen het hof heeft nagelaten, waardoor de uitspraak — naast rechtens onjuist omdat het sub a t/m g, in het bijzonder sub f een schenking aanneemt zonder de bevoordelingsbedoeling bij moeder en begunstigingsbewustzijn bij [zoon 1] vast te stellen, ook zijn uitspraak niet toereikend gemotiveerd.
Ook overigens geen sprake van een schenking want geen handeling om niet
Het hof miskent in zijn oordeel sub a t/m g bovendien dat een schenking overeenkomst om niet is, die ertoe strekt dat de ene partij, de schenker, ten koste van eigen vermogen de andere partij, de begiftigde, verrijkt. Art. 7:175 lid 1 BW. Alleen de overeenkomst om niet, welke strekt tot verrijking van de andere partij ten koste van het eigen vermogen, is een schenking in de zin van art. 7:175 BW. Daarnaast blijft onverkort gelden dat de overeenkomst met een bevoordelingsbedoeling moet zijn aangegaan, terwijl de begiftigde, ten koste van het vermogen van de schenker, door de overeenkomst is verrijkt.19. Zoals het hof ook zelf vaststelt in rov. 16 heeft [zoon 1] zich erop beroepen dat het aangaan van de vof-overeenkomst, die het hof in rov 27 als een schenking aanmerkt, gunstig was voor moeder omdat daarbij haar vermogen van box 3 naar box 1 verhuisde. Het toetreden tot de vof-2 en het aangaan van de overnameclausule geschiedde dus geenszins ‘om niet’ hetgeen evenzeer aan het aannemen van een schenking in de weg staat.
Hof treedt buiten het debat van partijen
II.2
In samenhang met et in onderdeel II.1 gestelde, maar ook los daarvan is rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk is wat het hof in rov. 24 en 25 overweegt (sub a en b). Het hof overweegt aldaar dat
- (1)
uit het betoog van [zoon 1] volgt dat de onroerende zaken die erflaatster aan de vof 1 had verpacht, en daarom
- (2)
voor erflaatster geen ondernemingsvermogen was omdat zij voor haar de onroerende zaken kwalificeerden als box 3 vermogen, dus als belegging.
- (3)
Een belegging kan naar het oordeel van het hof niet als een onderneming worden gekwalificeerd zodat
- (4)
het hof van oordeel is dat de bedrijfsopvolgingsrechtspraak waarnaar [zoon 1] verwijst in het onderhavige geval niet relevant is.
Het hof miskent aldus ten eerste dat het hof buiten het debat van partijen treedt en zijn taak als appelrechter miskent (schending van artt 24 en 149 Rv) nu [zoon 2] dit verweer zoals weergegeven onder (1) t/m (4) niet heeft gevoerd20., getuige bijvoorbeeld MvA rnr 9 t/m 11, waarin [zoon 2] niet meer of anders stelt dan dat moeder op 77 jarige leeftijd toetreedt tot het bedrijf van [zoon 1] en het om de bedrijfscontinuïteit van het bedrijf van [zoon 1] gaat en niet aan de zijde van erflaters (MvA rnr. 10). Het Box 3-verhaal en de kwalificatie dat het zou gaan om een belegging zijn dus niet door [zoon 2] aangevoerd. Het hof miskent aldus dat het de rechter niet vrijstaat zijn beslissing te baseren op rechtsgronden of verweren die weliswaar zouden kunnen worden afgeleid uit in het geding gebleken feiten en omstandigheden, maar die door de desbetreffende partij niet aan haar vordering of verweer zijn ten grondslag gelegd. Daardoor wordt de wederpartij immers tekortgedaan in haar recht zich daartegen naar behoren te kunnen verdedigen.21.
Hof miskent het debat: verloop agrarisch bedrijf
Voorts miskent het hof hier hetgeen [zoon 1] op p. 11–12 van de MvG (door [zoon 2] onbetwist) heeft aangevoerd met betrekking tot het verloop van de agrarische ondernemingen binnen de familie [erflater], althans laat het dat onbesproken, in het bijzonder het verloop van de samenwerking, zoals blijkt uit de navolgende aldaar in de MvG p. 11–12 aangevoerde tijdbalk:
- •
Tot 1 juli 1998
- —
eenmanszaak [erflater] (vader), [a-straat 01]
- —
eenmanszaak [zoon 1], [a-straat 02]
- •
Van 1 juli 1998 tot 1 januari 2000
- —
Vader-zoon maatschap [erflater+zoon 1], [a-straat 01]
Eenmanszaak [zoon 1], [a-plaats]
- •
Van 1 januari 2000 tot 1 januari 2003 Vader/zoon/schoondochter (partner [zoon 1]) vof met twee locaties:
- a.
[a-plaats] (BTW-regeling; administratie ABAB);
- b.
[b-plaats] (landbouw-regeling: administratie door [A])
- •
Vanaf 1 januari 2003 is er sprake van een man/vrouw vof, met gemeenschap van goederen, dus zonder rekening-couranten.
[zoon 1] heeft in de MvG p. 11–12 aangevoerd dat de ondernemingen van vader en [zoon 1] altijd sterk zijn verbonden met elkaar en dat vader in 2003 is teruggetreden, waarna die verbondenheid is gebleven in de vorm van een verpachting: op pagina 12 en 13 van de MvG voert [zoon 1] aansluitend aan voormelde tijdbalk (onderstreept door mij-HJWA):
‘In de periode van 1 januari 2003 tot 1 januari 2017 zijn de percelen grond door vader en moeder allemaal verpacht geweest aan [zoon 1]. Die pachtrechten zijn overigens niet(!) beëindigd op het moment van het aangaan van de vof door [zoon 1] en zijn moeder. Met andere woorden: toen moeder toetrad tot de vof, toen liepen de pachtrechten van [zoon 1] door. Dit betekent dat moeder bij het aangaan van de vof feitelijk verpachte grond in gebruik en genot in de vof heeft ingebracht. Zie in dit verband de hierna aangehaalde uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 juli 2000. Als productie 41 worden enkele pachtovereenkomsten uit het verleden in het geding gebracht.
De pachtverhoudingen zijn overigens na het aangaan van de vof niet ontbonden. Een en ander betekent dat zelfs indien de moeder niet zou zijn toegetreden tot de vof, dan had [zoon 1] op basis van de Pachtwet de grond tegen de waarde verpachte staat over kunnen nemen. De waarde verpachte staat is in beginsel de waarde in economisch verkeer. Het overlijden van de moeder betekent immers niet dat daarmee ook een einde is gekomen aan de pachtverhouding. De pachtverhouding was overigens een onlosmakelijk onderdeel van de voortzetting van de onderneming nadat de maatschap met de vader is ontbonden. [zoon 1] heeft gedurende alle jaren, ook nadat vader was overleden, pachtpenningen betaald en de grond en bedrijfsgebouwen met ondergrond te [b-plaats] altijd als een goede pachter beheerd. Voorts wordt hierbij nog aangetekend dat bedoelde cultuurgronden en de bedrijfsgebouwen met ondergrond te [b-plaats] door vader en moeder in box 3 altijd zijn verantwoord tegen de waarde in verpachte staat in het vermogen.
Indachtig het feit dat de percelen grond voorafgaande aan het aangegaan van de vof verpacht waren aan [zoon 1] is het in het geheel niet opmerkelijk dat partijen in de vof-akte zijn overeengekomen dat de waarde van de grond moet worden berekend op basis ‘net lonende exploitatie’. Indien de vof-akte niet zou zijn aangegaan, dan was de pachtverhouding gecontinueerd en had er uiteindelijk een waarde berekening hebben moeten plaatsvinden op basis van grond in verpachte staat. Een dergelijke berekening van de percelen in verpachte staat zou hebben geleid tot de navolgende uitkomsten. Hierbij wordt verwezen naar productie 42, zijnde een berekening van het ondernemingsvermogen van de vof op basis van de waarde in verpachte staat. Hieruit volgt dat alsdan de legitieme aanspraak van [zoon 2] zou hebben bedragen EURO 171.407,-
Met ter toelichting van voormelde berekening is als productie 43 toegevoegd de zogenaamde ‘Waardering van verpachte gronden in box 3, Belastingjaar 2017’, opgesteld door de Nederlandse Belastingdienst. Met betrekking tot voormelde waardering/berekening op basis van verpachte staat is gerekend met een waardedruk van 50%. Deze waardedruk is gebaseerd op de gegeven[s] uit voormelde ‘Waardering van verpachte grond in box 3 Belastingjaar 2017’, uitgaande van een niet-eindige pacht (zulks op basis van de in 2016 schriftelijk vastgelegde pachtverhouding tussen [zoon 1] enerzijds en aanvankelijk vader en moeder en na het overlijden van vader uiteraard alleen moeder.
Voor de goede orde wordt hierbij aangetekend dat [zoon 1] van mening is en blijft dat ten deze moet worden uitgegaan van ‘net lonende exploitatie’ omdat dit tussen partijen is overeengekomen. Indien daar evenwel niet vanuit zou worden gegaan, dan zou er een berekening gemaakt moeten worden op basis van de feitelijke situatie destijds: zijnde percelen grond die al een reeks van jaren waren verpacht door de moeder aan [zoon 1]. De uitkomst van de waarde berekening in verpacht staat is volgens [zoon 1] een extra argument dat ten deze geen sprake was van een gift of een schenking door de moeder aan [zoon 1] ten tijde van het sluitend van de vof-akte en de toetreding tot de vof. In verband met het feit dat er destijds weldegelijk sprake was van pachtverhoudingen worden hierbij als productie … enkele pachtovereenkomst uit het verleden in het geding gebracht. Vanaf 2000 was in elk geval alle grond op basis van pachtovereenkomsten in gebruik bij [zoon 1] en werden [.]er door [zoon 1] pachtpenningen betaald.
Zie in dit verband ook de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 juli 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:6764. Ook hier ging het om een continuering van het gebruiksrecht doordat de pachter en de verpachter een vennootschap onder firma zijn aangegaan. Het gerechtshof oordeelde hierbij onder meer:
‘Het hof oordeel[t] daarom dat de pachtverhouding tussen [appellant] en [AJ is blijven bestaan omdat de rechtsverhouding die tot stand is gebracht met de vennootschapsakte in overwegende mate ook de trekken van pacht heeft. Dan vereist de pachtersbescherming dat de vennootschapsakte ook moet worden aangemerkt als een pachtovereenkomst.’’
[zoon 1] beroept zich er dus uitdrukkelijk op dat eerst hij samen met vader een melkveehoudersbedrijf had en na het terugtreden van vader in 2003 vader de bij het voortzettende bedrijf (de man-vrouw maatschap van [zoon 1], waartoe later ook zoon [kind 1] is toegetreden, hetgeen resulteerde in vof-1), de gronden krachtens een pachtovereenkomst in gebruik gaf [zoon 1] stelt op p. 12 MvG met zoveel woorden dat de pachtverhouding een onlosmakelijk onderdeel van de voortzetting van de onderneming was nadat de maatschap met de vader is ontbonden. [zoon 1] heeft gedurende alle jaren, ook nadat vader was overleden, pachtpenningen betaald en de grond en bedrijfsgebouwen met ondergrond te [b-plaats] altijd als een goede pachter beheerd. Voorts wordt hierbij nog aangetekend dat bedoelde cultuurgronden en bleven bij dat bedrijf en dat uit dien hoofde, ook gelet op het feit dat de waarde in verpachte staat 50% bedroeg van de waarde in onverpachte staat, in de vof-2 overeenkomst is aangesloten bij de ‘net lonende exploitatie’.
Dus niet alleen treedt het hof buiten het debat van partijen, het oordeel is bovendien ook rechtens onjuist en onbegrijpelijk, nu [zoon 1] juist heeft aangevoerd dat in de historische context gezien er nu juist wèl aanleiding was om de bedrijfsopvolgingsjurisprudentie toe te passen omdat er eerst in maatschapsverband met vader werd samengewerkt en toen vader stopte de gronden werden verpacht aan de voortzetters waarna in 2017 de vof-2 overeenkomst werd gesloten. Het hof gaat hieraan geheel ongemotiveerd voorbij.
Ten tweede miskent het hof in de oordelen in rovv 24 en 25 sub a en b dat de klassieke bedrijfsopvolgingsrechtspraak nu juist wel van belang is zowel voor de vraag of er sprake is van een bevoordelingsbedoeling en dus van een schenking (rov. 27), alsook of er sprake is van een redelijke tegenprestatie in het kader van de vraag of er sprake is van een quasi legaat (zie rov 28). Indien immers partijen er op basis van die bedrijfsopvolgingsjurisprudentie van uitgingen dat er geen sprake was van een bevoordeling (en dus ook geen bedoeling daartoe hadden) dan is er geen sprake van een schenking. Die bedrijfsopvolgingsjurisprudentie is voorts van belang voor de vraag of er sprake is van een quasi legaat voor de vraag of er sprake is van een redelijke tegenprestatie. Zie in dat verband hierna onderdeel III.
Motiveringsklachten
II.3
In rov. 25 (sub d) overweegt het gerechtshof onder meer:
‘Tussen het sluiten van de vof 2 (4 april 2017) en het overlijden van erflaatster in augustus 2019 rust slechts een tijdspanne van ruim twee jaar. Het hof gaat ervan uit dat de waardes van de onroerende zaken per sterfdatum niet substantieel zullen afwijken van 1 januari 2017, zijnde de obligatoire datum van het aangaan van de vof 2.’
Dit oordeel is onbegrijpelijk, althans ondeugdelijk gemotiveerd om navolgende redenen.
Op het moment van inbreng van de onroerende zaken op 1 januari 2017 was er sprake van onroerende zaken in ‘verpachte staat’ zoals het hof ook in rov. 25 sub b aanneemt.22. Zoals in onderdeel II.2 met een citaat uit de MvG is weergegeven is daar een lange geschiedenis aan voorafgegaan, waarbij tot 2003 vader samen met [zoon 1] een melkveehoudersbedrijf had en vader nadien, na zijn uittreden de gronden heeft verpacht. Het gerechtshof overweegt in zijn arrest op meerdere plaatsen dat voor 1 januari 2017 de grond van de moeder verpacht was aan vof-1 en dat [zoon 1] zich daarop heeft beroepen.23. De overweging rov. 25 sub c van het hof kan niet anders worden begrepen dan dat volgens het hof er geen sprake is van waardeverschil tussen de waarde in verpachte en in onverpachte staat. Het hof miskent, althans laat onbesproken dat [zoon 1] bijvoorbeeld in de MvG in de toelichting op grief 2 p. 13 eerste woordblok heeft aangevoerd dat de waarde in verpachte staat slechts 50% bedraagt van die in vrij te verkopen staat.
Ook uit de cijfers die in het geding zijn gebracht en waarop in de toelichting op grief 1 een beroep is gedaan volgt dat er weldegelijk sprake is van verschil in waarde tussen enerzijds sterfdatum en anderzijds datum inbreng in de vof-2. In rov. 21 overweegt het gerechtshof :
‘Op basis van de concept aangifte erfbelasting is de waarde van het aandeel van erflaatster in het ondernemingsvermogen € 1.440.292,- (…).’
(onderstreping toegevoegd door HJWA)
Echter, op 1 januari 2017 was de waarde van het ondernemingsvermogen van de moeder € 807.000.24. Hierbij wordt aangetekend dat op 1 januari 2017 er uiteraard sprake was van onroerende zaken in verpachte staat. In voornoemde € 1.440.292,- is het feit dat de grond verpacht niet verdisconteerd.25. In het kader van de door het gerechtshof gehanteerde berekening wordt er overigens zonder motivering aan voorbij gegaan dat de percelen grond ten tijde van het aangaan van vof 2 werd ingebracht ‘in gebruik en genot’. Ook dit leidt tot en situatie dat er sprake is van gebruik, ook na 1 januari 2017, waardoor de pachtverhouding niet zomaar is vervallen.
II.4
Het oordeel rov. 25 (sub c) zoals in onderdeel II.3 aangehaald kan evenmin worden verklaard door de rechtens onjuiste en onbegrijpelijke aanname van het hof in rov. 25, alwaar het overweegt:
‘Uit het feitelijk handelen van de vennoten van vof 1 en erflaatster volgt dat de pachtovereenkomst tussen de vof 1 enerzijds en erflaatster anderzijds per 1 januari 2017 in obligatoire zin is beëindigd.’
Het hof treedt aldus (andermaal) buiten het debat van partijen en miskent zijn taak als appelrechter (en artt 24 en 149 Rv). Immers, geen van de partijen heeft aangevoerd dat per 1 januari 2017 de pachtovereenkomst in obligatoire zin is beëindigd. Sterker nog, zoals uit het in onderdeel II.2 geciteerde deel van de MvG (te vinden op p. 12 tweede woordblok na de bulletpoints) blijkt juist dat [zoon 1] met zoveel woorden heeft gesteld dat ‘de pachtverhoudingen na het toetreden van de vof niet zijn ontbonden’, waarbij kennelijk vof-2 is bedoeld. [zoon 1] koppelt daaraan t.a.p. vervolgens de conclusie dat indien moeder niet tot vof-2 zou zijn toegetreden dan had [zoon 1] op basis van de Pachtwet de grond tegen de waarde verpachte staat over kunnen nemen.
Het ‘verdwijnen’ van de pachtverhoudingen volgt ook niet uit de vof-2 overeenkomst, nog daargelaten dat het hof daar bij gebreke aan een beroep daarop door [zoon 2] ook geen acht op had mogen slaan. Een rechtsgeldig en door de pachtkamer goedgekeurde26. pachtovereenkomst ‘verdwijnt’ niet zomaar, ook niet in obligatoire zin. Dit oordeel is daarom naast rechtens onjuist ook onbegrijpelijk, dan wel niet toereikend gemotiveerd. Het is bovendien een ontoelaatbare verrassingsbeslissing, nu geen van beide partijen zich hierover heeft kunnen uitlaten.
Het hof treedt opnieuw buiten het debat van partijen
II.5
Ook treedt het hof buiten het debat van partijen en is ook overigens onbegrijpelijk dat het hof overweegt in rov. 25 sub c, waaronder de overweging ‘dat uit het feitelijk handelen van de vennoten van vof 1 en erflaatster volgt dat per 1 januari 2017 de pachtovereenkomst is beëindigd’ nu de feiten juist op het tegendeel wijzen: gesteld noch gebleken is dat na 1 januari 2017 [zoon 1] en zijn zoon de grond niet op dezelfde wijze feitelijk gebruikten als voorheen. [zoon 1] heeft nu juist gesteld in de MvG p. 12 dat door het overlijden van moeder geen einde is gekomen aan de pachtverhouding. Daarin ligt juist besloten dat die is gecontinueerd. Uit het in onderdeel II.2 geciteerde deel van de MvG volgt nu juist dat de gronden reeds op basis van de pachtovereenkomst tot vof 1 behoorden en bij het sluiten van de vof2 overeenkomst dus vanuit vof 1 naar vof 2 overgingen. Rechtens onjuist en onbegrijpelijk is dan ook (en ook geen valide motivering van de daaraan voorafgaande overwegingen in rov 25 c) dat het hof vervolgens overweegt in rov. 25 sub c:
‘Als dat niet het geval zou zijn geweest dan had erflaatster niet het gebruik van de onroerende zaken kunnen inbrengen in de vof 2. Dus op het moment van de inbreng behoorde tot het vermogen van erflaatster het onbezwaarde eigendom — dus vrij van pacht — van de onroerende zaken.’
Het hof gaat daarbij voorbij aan het feit dat [zoon 1] in de MvG op p. 12 met zoveel woorden heeft gesteld moeder bij het aangaan van de vof-2 overeenkomst ‘feitelijk verpachte grond in gebruik en genot in de vof heeft ingebracht’. Dat dit niet zou kunnen is door [zoon 2] niet gesteld en evenmin gesteld of gebleken. Het oordeel van het hof getuigt dus van een onjuiste rechtsopvatting, is onbegrijpelijk in het licht van de voornoemde stellingname van [zoon 1] en getuigt andermaal van het buiten het debat treden van partijen en van een verboden aanvulling.
Althans geldt het volgende. Het hof oordeelt, kort gezegd: indien de pachtverhouding met vof 1 niet beëindigd zou zijn per 1 januari 2017, dan had moeder het gebruik van de onroerende zaken niet kunnen inbrengen in de vof 2. Echter, zoals reeds aangegeven, de pachtverhouding is nimmer beëindigd en ging dus vanuit dien hoofde over van vof 1 naar vof 2, niet omdat moeder daarvan het gebruik had ingebracht, maar omdat de gepachte gronden overgingen van vof-1 naar vof-2. Op het moment van inbreng in de vof 2 was er in elk geval nog sprake van verpachte staat. Noch in de vof2 overeenkomst noch anderszins is gesteld of gebleken dat die verpachting is opgeheven.
Het hof miskent, aldus oordelend dat de wet gelimiteerde wijzen aangeeft (in art. 7:367 BW) waarop een pachtovereenkomst kan eindigen, te weten opzegging, wederzijds goedvinden of ontbinding. Art. 7:367 BW bevat dwingend recht. Indien men in het onderhavige geval zou aannemen dat er sprake is van een beëindiging met wederzijds goedvinden, dan is voor een rechtsgeldige beëindiging ingevolge art. 7:318 lid 1 BW een goedkeuring van de grondkamer noodzakelijk. De eis van die goedkeuring vervalt overigens door de feitelijke uitvoering van de overeenkomst, met andere woorden: indien de pachtovereenkomst intussen feitelijk is geëindigd. In het onderhavige geval is echter zo dat vof-1 de grond gebruikte vóór 1 januari 2017 en ook na het sluiten van de vof-2 overeenkomst dat gebruik ná 1 januari 2017 werd gecontinueerd in vof-2.
Vernietiging heeft werking ex tunc
II-6
Het hof miskent vervolgens ook in de hierboven met a t/m g aangeduide overwegingen dat zelfs indien het zo zou zijn als het hof in rov. 28 overweegt — dat het overnemingsbeding zoals opgenomen in de vof 2-akte nietig zou zijn, zie voor de bestrijding hiervan hierna onderdeel III — dan betekent dit dat dit in beginsel werking ‘ex tunc’ heeft.27. Dit betekent herstel in de toestand voorafgaand aan aangaan overeenkomst. In beginsel heeft de vernietiging ten gevolge dat de rechtsverhouding tussen de partijen wordt hersteld in de staat waarin deze vóór het aangaan van de overeenkomst was.’28. Indien de vof-akte op dit punt als nietig moet worden aangemerkt, dan betekent dit dat er nog steeds sprake is van grond in verpachte staat, waarvan [zoon 1] bij MvG p. 12 onbetwist heeft gesteld dat dit een waardedrukkend effect heeft van 50%. Het gerechtshof miskent dit alles, althans gaat hier echter, zonder enige vorm van motivering aan voorbij onder meer door zonder meer sub f uit te gaan van een ondernemingsvermogen bij het aangaan van de vof-2 van € 1.440.292,-.
Motiveringsklachten
II.7
In rov. 27 (sub f) overweegt het hof onder meer:
‘Op het moment van het aangaan van de vof 2 bedroeg het box 3 vermogen dat zij in de vof inbracht plus minus € 1.440.292,-.’
Dit oordeel is onjuist en onbegrijpelijk, mede gelet op onderdelen II.2 t/m II.6. Het hof gaat hier uit van de waarde ten tijde van het overlijden en niet de waarde ten tijde van de inbreng. Zie bijvoorbeeld rov. 21 van het arrest:
‘Op basis van de concept aangifte erfbelasting is de waarde van het aandeel van erflaatster in het ondernemingsvermogen € 1.440.292,-.’
Onder meer uit deze overweging volgt dat dit bedrag — ook volgens het hof — betrekking heeft op de waarde ten tijde van het overlijden, immers het bedrag is ontleend aan de ‘aangifte erfbelasting’.
Het hof gaat in de boven geciteerde overweging opnieuw voorbij aan het feit dat de onroerende zaken ‘op het moment van het aangaan van vof 2’ verpacht waren aan vof-1. Die verpachte staat op het moment van het aangaan van de vof-2 wordt overigens door het gerechtshof op meerdere plaatsen in het arrest erkend. Zie onder andere rov. 25, eerste zin:
‘Vof 1 had voor 1 januari 2017 het gebruik van de onroerende zaken van erflaatster, de vof 1 pachtte namelijk de onroerende zaken van erflaatster.’
Het bedrag van € 1.440.292,- is ontleend aan de aangifte erfbelasting die dateert van na het overlijden van de moeder. Hierbij is uitgegaan van de liquidatiewaarde, zonder dat er rekening is gehouden met de pacht.
II.8
De uitleg van de vof2-akte ten aanzien van de niet-wederkerigheid in rov. 27 sub f, is onbegrijpelijk, nu immers in de vof 2-akte29. uitdrukkelijk wordt bepaald op p. 1 in de considerans:
‘dat de rechtsverhouding die tussen de vennoten door deze overeenkomst tot stand is gekomen hoofdzakelijk wordt beheerst door het streven naar bedrijfscontinuïteit’.
Uit deze bepaling en ook uit het vervreemdingsbeding (art. 25 ) in de vof 2-akte is nadrukkelijk af te leiden dat de continuïteit van de onderneming een wederkerige verplichting is tussen de vennoten:
‘Vervreemdingsbeding
Artikel 25
- 1.
De vennoten beogen een bedrijfsoverdracht tot stand te brengen. Daarbij houden zij rekening met de belangen van de vennoten zelf, de crediteuren en het algemeen belang.
Deze afweging staat in het kader van de voortzetting van het bedrijf en het voorkomen van kapitaalvernietiging, verstoring van loopbaanplannen en van gerechtvaardigde verwachtingen. Op de bedrijfsvoortzettende vennoot rust de maatschappelijke plicht en de natuurlijke verbintenis om te bevorderen dat het bedrijf wordt voortgezet.’
Anders gezegd, ook moeder maakt het aldus door toetreding tot vof-2 mogelijk dat het melkvee familiebedrijf dat op 1 juli 1998 al een aanvang had genomen (zie MvG p. 12 bovenaan) wordt gecontinueerd, ook na haar overlijden.
Dit nog daargelaten dat zij dat niet om niet doet: zij ontvangt blijkens art. 11 30% van het bedrijfsresultaat, terwijl, naar mag worden aangenomen, het werk in beginsel door de andere vennoten wordt gedaan. Ook is onweersproken gesteld dat dit voor haar gunstig was in het kader van box 3.30. Ook om deze reden is het onbegrijpelijk dat er geen sprake is van wederkerigheid.
II.9
Daarnaast oordeelt het hof sub f, — kort gezegd — dat toetreding van moeder tot vof-2 een schenking zou betekenen omdat op het moment van aangaan haar Box 3 vermogen € 1.440.292,= zou betekenen en door toetreding het recht zou ontstaan om het ondernemingsvermogen voor € 90.896 over te nemen (sub f), hetwelk alleen voor hem zou gelden (sub g). Echter ook hier miskent het hof (gaat het van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van een schenking) dat het aangaan van een overeenkomst waar een overnameclausule in staat met een bepaalde rekenmethode nog geen bevoordelingsbedoeling meebrengt en dus ook geen schenking. Niet alleen staat daarin niet opgenomen dat het aandeel ook daadwerkelijk door [zoon 1] wordt overgenomen, maar evenmin tegen welk bedrag. Er staat uitsluitend een blijkens de in subonderdeel II.1 onder (d) genoemde Hoge Raad jurisprudentie31. voor agrarische bedrijfsovernames geaccepteerde waarderingsmaatstaf in. Het is dus rechtens onjuist, althans zonder nadere toelichting onbegrijpelijk dat het hof overweegt dat het toetreden van moeder tot de vof2 overeenkomst een schenking zou inhouden.32.
Concluderend en voortbouwklachten
II.10
Het slagen van één of meer subonderdelen van dit onderdeel II vitiëert rov. 29, waarin het hof oordeelt dat ‘het vorenstaande impliceert dat tot de nalatenschap van erflaatster behoort het volle en vrije eigendom van de onroerende zaken zoals vermeld in de akte van vof en dat bij de berekening van de legitimaire massa moet worden meegenomen de waarde van die goederen op datum van het overlijden van erflaatster.’
Het slagen van één of meer subonderdelen van dit onderdeel II ook rov 30.1 waarin het hof voortbouwt op de beslissing dat de waarde van het ondernemingsvermogen dient te worden gesteld op € 1.440.292. Het betreft dan in het bijzonder de subonderdelen II.3 t/m II 7.
Het slagen van één of meer van de (sub)onderdelen van dit onderdeel II vitiëert ook rov. 27 sub e, f en g, zodat het oordeel dat sprake zou zijn van een schenking of gift niet in stand kan blijven.
III. Quasi legaat?
Vervolgens oordeelt het hof kennelijk voortbouwend op de overwegingen die in onderdeel II zijn aangeduid met a t/m g in rov. 28:
‘Voorts is het hof van oordeel dat in dit specifieke geval — waarbij erflaatster een belegging heeft ingebracht in de vof 2- het Verdelings- en overnemingsbeding als een quasi-legaat in de zin van artikel 4:126 lid 2 onder a BW moet worden aangemerkt.’
Dit oordeel, al dan niet in samenhang gelezen met rovv. 24 t/m 27, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting dan wel is zonder nadere toelichting onbegrijpelijk dan wel niet toereikend gemotiveerd vanwege het navolgende.
Voortbouwklachten
III.0
Vooropgesteld zij dat het hof hier bij zijn oordeel dat ‘erflaatster een belegging heeft ingebracht in de vof 2’ kennelijk voortbouwt op rov. 24 in onderdeel II aangeduid als sub a., waarover onderdeel II.2 klaagt dat het hof buiten het debat van partijen is getreden. Het slagen van onderdeel II.2 vitiëert dan ook rov. 28 dat reeds hierom evenmin in stand kan blijven. Ook overigens maakt dat het slagen van één of meer klachten van onderdeel I of II dat dit ook rov 28 (en 29) vitiëert indien en voor zover rov. 28 gelet op de bewoordingen ‘dit specifieke geval — waarbij erflaatster een belegging heeft ingebracht in de vof 2-’ voor de motivering verwijst naar rovv. 24 t/m 27.
Schending van hoor en wederhoor
III.1
Daarnaast dient als uitgangspunt in dit onderdeel III en zij expliciet gewezen op het verloop van het debat zoals ook omschreven in het arrest op p. 1, waaruit volgt dat [zoon 1] niet meer heeft kunnen reageren op de MvA van [zoon 2], waarin hij voor het eerst een beroep doet op een quasi-legaat (MvA rnr 12).
Het debat is als volgt verlopen. De rechtbank heeft bij (eind)vonnis van 23 maart 2022 in rov 2.3 geoordeeld dat de toetreding van moeder tot de vennootschap een schenking is geweest. De rechtbank heeft daar zijn conclusies vervolgens uit getrokken voor de legitieme (rovv. 2.4 t/m 2.7 en het dictum). [zoon 1] komt daartegen (dus tegen het aannemen van een schenking en de conclusies daaruit) in hoger beroep.
[zoon 2] heeft zich voor het eerst bij memorie van antwoord in appel (rnr. 12) beroepen op de — door hem gestelde — aanwezigheid van een quasi-legaat.33. Hij stelt aldaar niet meer dan het volgende:
- ‘12.
Daar komt bij dat het verdelings- en overnemingsbeding in de vof-akte een zogeheten schenking/gift ter zake des doods betreft op grond art. 4:126 BW (quasi-legaat), welke schenking/gift de strekking heeft dat zij pas na het overlijden van moeder wordt uitgevoerd. Hiervoor geldt de notariële akte als vormvereiste (art. 7:186 lid 1 jo. art. 7:177 lid 1 BW). Aan dit vereiste is niet voldaan. Het beding is immers opgenomen in een onderhandse vof-akte. Consequentie is dat het verdelings- en overnamebeding is vervallen met het overlijden van moeder. [zoon 1] komt derhalve geen beroep toe op dit beding. Primair is [zoon 2] daarom van mening dat voornoemd beding is vervallen. [zoon 1] heeft het vof- aandeel van moeder daarom verkregen op grond van zijn erfgenaamschap, waardoor bij de waardering in het kader van de legitieme moet worden uitgegaan van de vrije waarde in het economisch verkeer per de sterfdatum van moeder. Voor zover uw hof van mening zou zijn dat het beding wel geldig is, is [zoon 2] subsidiair van mening dat het beding een gift is, vast te stellen tegen de waarde van het vof-aandeel in het vrije economische verkeer, waar bij de berekening van zijn legitieme portie rekening mee moet worden gehouden, een en ander zoals door hem uiteengezet in eerste aanleg. Per saldo zou de legitieme berekening wat [zoon 2] betreft dan aangaande zijn primaire en subsidiaire standpunt in beginsel tot dezelfde uitkomst dienen te leiden.’
Het voorwaardelijk incidenteel appel luidt als volgt:
‘Voorwaardelijk incidenteel appel
- 49.
Indien uw hof het vonnis van de rechtbank vernietigt en de legitieme portie van [zoon 2] niet toewijst als gevorderd, vordert [zoon 2] dat uw hof de omvang van zijn legitieme portie en legitimaire in goede justitie bepaalt waarbij voor de berekening daarvan zo veel mogelijk wordt uitgegaan van de werkelijke verkoopopbrengst van voornoemde vermogensbestanddelen en dat voor de waardering van de overige vermogensbestanddelen wordt uitgegaan van de waarde van deze goederen in het vrije economische verkeer per datum overlijden van moeder en dat uw hof, ter vaststelling van de waarde van deze goederen in het vrije economische verkeer, een of meerdere onafhankelijke deskundige(n) benoemt. Zie hiervoor ook hetgeen [zoon 2] in deze memorie heeft opgemerkt bij randnr. 16.’
Het hof heeft het petitum van dat voorwaardelijk incidenteel appel weergegeven in rov. 4.
Het voorwaardelijk incidenteel ziet dus niet op het beroep op het quasi-legaat. Dat betekent dat, zoals ook in onderdeel I al aan de orde is gesteld, nu het incidentele beroep processueel dus een zelfstandige positie inneemt ten opzichte van het principale beroep en het verweer van het quasi legaat kennelijk is gevoerd in het kader van het antwoord in het principale beroep van [zoon 1], [zoon 1] niet bij MvA inc heeft kunnen reageren en ook niet heeft gereageerd op deze nieuwe stelling van [zoon 2] bij MvA. Dit nog daargelaten dat het hof naar eigen zeggen (zie onderdeel I) een niet nader omschreven gedeelte van die MvA Inc. buiten beschouwing heeft gelaten. Zo er dus al gepoogd zou zijn geweest om daarop te reageren (hetgeen [zoon 1] betwist), dan heeft het hof dat kennelijk buiten beschouwing gelaten.
Desalniettemin neemt het hof dit verweer c.q. deze grondslag van een quasi legaat aan (rov. 28) zonder [zoon 1] nog in de gelegenheid te stellen zich daarover expliciet uit te laten. Het hof had ambtshalve moeten constateren dat [zoon 1] zich nog niet over deze grondslag heeft kunnen uitlaten en vervolgens [zoon 1] alsnog in de gelegenheid moeten stellen zulks te doen. Nu het hof dat heeft nagelaten, maar wel die grondslag heeft gehonoreerd heeft het aldus artikel 6 EVRM (eerlijk proces, hoor en wederhoor) en/of artikel 19 Rv (hoor en wederhoor) geschonden.
Artikel 19 Rv eerste lid bepaalt met zoveel woorden dat de rechter bij zijn beslissing zijn oordeel, ten nadele van een der partijen, niet baseert op bescheiden of andere gegevens waarover die partij zich niet voldoende heeft kunnen uitlaten. Dit is ook vaste jurisprudentie.34.
Dat klemt temeer daar, zoals in onderdeel III.2 nog nader uiteen wordt gezet, er in het geheel geen debat is gevoerd over de vraag of er in casu sprake is van een overdracht ‘zonder redelijke tegenprestatie’, (gelet op het hierboven weergegeven citaat stelt [zoon 2] dat ook niet) terwijl [zoon 1] in het kader van het wel eerder gevoerde standpunt van [zoon 2], dat er sprake was van een schenking of gift, in extenso heeft betoogd dat er sprake is van een overdracht tegen een agrarische waarde gebaseerd op een ‘net lonende exploitatie’.35.
Zoals in de volgende onderdelen (III.2 en 3) nader wordt uitgewerkt had het in de rede gelegen dat, indien [zoon 1] in de gelegenheid was gesteld om hierop te reageren, hij ook ter zake van deze grondslag had aangevoerd dat hier sprake was van het in de agrarische wereld alleszins gebruikelijke uitgangspunt van een waardering van de onderneming tegen ‘net lonende exploitatie’, zodat er geen sprake is van een overdracht ‘zonder redelijke tegenprestatie’. Zie ook de parlementaire geschiedenis die een dergelijke overdracht als redelijke tegenprestatie aanmerkt.36. Zo [zoon 2] al voldoende zou hebben gesteld — hij stelt niet dat er geen sprake zou zijn van een overdracht ‘zonder redelijke tegenprestatie’, was er dus zinvol verweer te voeren indien [zoon 1] daartoe door het hof in de gelegenheid was gesteld. Nu dat niet is gebeurd heeft het hof artt. 6 EVRM en 19 Rv geschonden, althans heeft het in elk geval niet, althans niet toereikend gemotiveerd dat en waarom het van oordeel was dat het desalniettemin over deze grondslag kon oordelen.
III.2
Althans, indien onderdeel III.1 niet reeds tot cassatie leidt, dan miskent het hof allereerst dat [zoon 2] in het geheel niet stelt dat er sprake zou zijn van een overdracht ‘zonder redelijke tegenprestatie’, terwijl dit wel een essentiale is voor het aannemen van een quasi legaat. Blijkens de MvA rnr 12 Stelt [zoon 2] niet meer of anders dan dat het verdelings- en overnemingsbeding in de vof-akte een zogeheten schenking/gift ter zake des doods betreft op grond art. 4:126 BW (quasi-legaat), welke schenking/gift de strekking heeft dat zij pas na het overlijden van moeder wordt uitgevoerd. Hiervoor geldt de notariële akte als vormvereiste (art. 7:186 lid 1 jo. art. 7:177 lid 1 BW).
Dat en waarom er sprake zou zijn van een quasi legaat wordt dus door [zoon 2] in het geheel niet onderbouwd. Het hof miskent dus ook dat [zoon 2] op dit punt niet aan zijn stelplicht (art 149 Rv) voldoet, althans stelt het hof daaraan te lichte eisen. [zoon 2] dient op zijn minst te stellen en voldoende te onderbouwen dat en waarom er sprake is van een overdracht ‘zonder redelijke tegenprestatie’.
De eis dat er sprake moet zijn van een situatie ‘zonder redelijke tegenprestatie’ moet volgens de wetgever worden vastgesteld naar het tijdstip van de overgang van het goed.37. De minister licht verder toe dat de redelijkheid van de tegenprestatie in beginsel dient te worden vastgesteld naar het tijdstip van de overgang. Op dat moment vindt immers de vermogensverschuiving plaats ten voordele van degene op wie het goed overgaat. Het hof geeft er geen blijk van dit tijdstip als uitgangspunt te hebben aangenomen, terwijl het voor de vraag of er sprake zou zijn van een schenking blijkens rov. 27 (sub e) het hof als toetsingsmoment neemt het toetreden van moeder tot vof-2.
Bovendien kunnen, aldus de wetgever t.a.p., niettemin de omstandigheden van het geval, waaronder omstandigheden van vóór de overgang van het goed, tot de slotsom voeren dat een, op het eerste gezicht minder dan redelijke, tegenprestatie niettemin redelijk geacht moet worden:
‘(…) Niettemin kunnen er omstandigheden zijn die tot gevolg hebben dat een tegenprestatie die op het eerste gezicht minder dan redelijk is, niettemin redelijk moet worden geacht. De commissie zou hiervan gaarne voorbeelden genoemd zien. In de eerste plaats kan hierbij gedacht worden aan het reeds in de nota van wijziging genoemde geval van het familiebedrijf waarvoor slechts met moeite een verwant kan worden gevonden die tot voortzetting van het bedrijf bereid is. De lage prijs die uiteindelijk voor deze verwant de tegenprestatie vormt voor de verkrijging van de bedrijfsgoederen wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat het alleen zo voor deze verwant rendabel is om zijn arbeidsinspanning aan te wenden ten behoeve van het bedrijf.’38.
De minister noemt dus expliciet als voorbeeld onder meer een familiebedrijf, dat voor een redelijke — zij het lage — prijs overgaat omdat de toestemming moet worden verkregen van een verwant die slechts met moeite tot voortzetting van het bedrijf kan worden bewogen, de lage prijs vormt de beloning voor de arbeidsinspanning van deze verwant, die in geval van een hogere prijs zijn arbeid elders tegen hoger rendement had kunnen inzetten39.
Daaruit volgt dat een overdracht in het kader van een agrarische bedrijfsopvolging tegen een agrarische waarde of, zoals het hier in de stukken steeds is aangeduid: net lonende exploitatie40. in de ogen van de wetgever dus niet valt onder een overdracht ‘zonder redelijke tegenprestatie’. Niet alleen stelt [zoon 2] hierover niets en overweegt het hof daaromtrent ook niets en is [zoon 1] door het hof niet in staat gesteld om zich hierover uit te laten, maar bovendien volgt dus uit de parlementaire geschiedenis dat in een situatie als de onderhavige geen sprake is, althans hoeft te zijn van een overdracht zonder redelijke tegenprestatie.
Indien er sprake is van een redelijke tegenprestatie is immers aan de vereisten van artikel 4:126 BW niet voldaan en dan komt men ook niet toe aan de eis van een notariële akte. Er is dan sprake van een gewone zakelijke overeenkomst die bedrijfsopvolging regelt op een wijze die in de agrarische wereld niet ongebruikelijk is.41.
III.3
Daarbij en daarnaast miskent het hof in rov. 28 dat het — zo het daar gelet op de onderdelen III.1 en III2 al had kunnen en mogen toekomen — aan de hand van alle omstandigheden van het geval dit door [zoon 2] gedane beroep op een quasi legaat had moeten beoordelen, hetgeen het hof hetzij heeft nagelaten, hetzij, nu rov 28 niet is voorzien van enige, voldoende kenbare, motivering, het hof in elk geval niet toereikend heeft gemotiveerd. Het hof komt immers niet verder dan te verwijzen naar ‘dit specifieke geval’. Wat het hof daarmee bedoelt is niet duidelijk, zodat het oordeel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk is en niet toereikend is gemotiveerd.
Indien en voor zover het hof met ‘dit specifieke geval’ tevens het oog heeft op rovv. 24 t/m 27 — duidelijk is dat niet — dan is dit oordeel evenzeer onbegrijpelijk en niet toereikend gemotiveerd. Daarbij is het volgende van belang. Voor het aannemen van een quasi-legaat is, als gezegd, onder meer vereist dat het gaat om een beding waarbij een goed overgaat ‘zonder redelijke tegenprestatie’.
Het hof miskent ook hier de voornoemde uitspraak HR 20 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF1029, waarin onder meer werd beslist ‘dat (…) de rechtsbetrekkingen tussen deelgenoten in een gemeenschap worden beheerst door de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, die in het algemeen in de weg staan aan een waardering die voortzetting van een (nog juist lonend) bedrijf onmogelijk maakt (…)’.
Als gezegd is in de vof 2-akte uitdrukkelijk bepaald in de considerans ‘dat de rechtsverhouding die tussen de vennoten door deze overeenkomst tot stand is gekomen hoofdzakelijk wordt beheerst door het streven naar bedrijfscontinuïteit’. Uit deze bepaling en ook uit het vervreemdingsbeding in de vof 2-akte (artikel 25) is, als gezegd nadrukkelijk af te leiden dat de continuïteit van de onderneming een wederkerige verplichting is tussen de vennoten.
Daarbij is blijkens rnr. 8 bij akte van 9 februari 2022, waarnaar in de MvG op p. 11 derde woordblok is verwezen, ter zake van de berekening van het ondernemingsvermogen van moeder is gesteld:
- (1)
De waardering van het ondernemingsvermogen van erflater heeft plaatsgevonden door ABAB Accountants & Adviseurs.42. De vennoten bij de vof2-akte zich hebben zich dus laten adviseren door ABAB43., een organisatie die gespecialiseerd is in agrarische bedrijfsopvolging.
- (2)
De berekeningen van ABAB zijn gebaseerd op de inhoud van de akte vennootschap onder firma en gaan uit van een zogezegd ‘net lonende exploitatie’. Zie in dit verband de door [zoon 1] in het geding gebrachte productie 7 in eerste aanleg, zijnde de waarde-berekening van de onderneming. Erflater was gerechtigd tot 30% van de waarde van de onderneming. Op pagina 8 van dit rapport is te lezen dat de waarde van de onderneming eind 2019 bedraagt € 143.505,--.; Het aandeel van erflater in de waarde van de onderneming: 30% van € 143.505,--44.
- (3)
In de considerans van de vof-2 overeenkomst is onder meer te lezen:
‘zijn met elkaar op zakelijke grondslagen een overeenkomst van vennootschap onder firma (hierna te noemen vennootschap of vof) aangegaan, welke wordt beheerst door de navolgende voorwaarden en bepalingen.’45.
- (4)
In artikel 4 van de akte vennootschap onder firma is de inbreng geregeld tussen partijen. Uit deze bepaling van de akte volgt wie wat heeft ingebracht en onder welke voorwaarden. In artikel 11 van de akte is geregeld hoe het jaarlijkse resultaat uit gewone bedrijfsuitoefening wordt verdeeld, zulks ongeacht of dit bedrijfsresultaat positief of negatief is. In artikel 15 van de akte is een bepaling opgenomen hoe gehandeld moet worden indien één van de vennoten de onderneming, na beëindiging van de vennootschapsovereenkomst, voortzet. In het tweede lid van artikel 15 wordt in dit verband onder andere bepaald46.:
‘Door de uitoefening van dit voortzettingsrecht treden voor de voortzettende vennoot tevens de verdelings- en overnemingsrechten en -plichten in werking, zoals hierna opgenomen.’
- (5)
In artikel 17 van de akte vennootschap onder firma is bepaald op basis van welke waarderingsmethode de waarde van het maatschapsvermogen en ieders aandeel daarin moet worden vastgesteld. In het eerste lid van artikel 17 kunnen wij in dit verband lezen:47.
‘De voortzettende vennoot verkrijgt krachtens verdeling het aandeel van de niet-voortzettende vennoot in alle goederen die deel uitmaken van het vennootschapsvermogen, onder de gehoudenheid de waarde van dat aandeel in geld uit te keren aan de niet-voortzettende vennoot. (…) De waarde van dat aandeel is gelijk aan de kapitaaldeelname van de niet-voortzettende vennoot in het bedrijf van de vennootschap, zoals die blijkt uit de balans van het bedrijf van de vennootschap op het moment van de verdeling, waarbij alle zaken, zowel roerende als onroerende, en vermogensrechten op het moment van verdeling worden gewaardeerd overeenkomstig een waarde waarbij een externe financier een lening voor de overname van het bedrijf wenst te verstrekken en waarbij tevens een lonende exploitatie van het bedrijf mogelijk is, met dien verstande dat de overnamesom dusdanig dient te zijn dat daardoor een goede oudedagsvoorziening resteert voor de vennoten sub 1, sub 2 en sub 4.’
- (6)
Voorts is in artikel 25 van de akte vennootschap onder firma een vervreemdingsbeding (lees: antispeculatiebeding opgenomen, dit met een werking gedurende een periode van 10 jaren na het moment van verdeling). Dit vervreemdingsbeding is overigens na het aangaan van de akte vennootschap onder firma nog gewijzigd (zie productie 2 bij de conclusie van antwoord). 48.
- (7)
Het gaat bovendien om een type overdracht waarvan de Hoge Raad in HR 13 februari 2004, NJ 2004, 653 (m.nt. WMK) en HR 20 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF1029 heeft uitgemaakt dat die bij bedrijfsopvolging geen schenking meebrengt.49.
Kortom indien het hof daadwerkelijk alle omstandigheden van het geval bij de beoordeling had betrokken dan had het tot de conclusie moeten komen dat er weldegelijk sprake is van een ‘redelijke tegenprestatie’.
Hoewel [zoon 1] zich over de vraag of er sprake is van een overdracht ‘zonder redelijke tegenprestatie’ (een vereiste voor het aannemen van een quasi-legaat) niet heeft kunnen uitlaten, volgt uit de hierboven genoemde punten (1) t/m (7) dat niet, althans niet zonder nadere toelichting die ontbreekt, kan worden aangenomen dat er sprake is van een overdracht ‘zonder redelijke tegenprestatie’. Waar ook blijkens de voormelde Hoge Raad-jurisprudentie er geen sprake is van een schenking en alom is geaccepteerd dat een bedrijfsopvolging in de agrarische sector kan worden gedaan tegen een waardering die nog juist lonend is, en ook de parlementaire geschiedenis, dus de wetgever dit onderschrijft (zie hierboven onderdeel III.2) dat er in een dergelijk geval sprake kan zijn van een redelijke tegenprestatie, heeft het hof door in casu in (rov 24 t/m) rov. 28 wel een quasi-legaat aan te nemen hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij heeft het geen, althans niet toereikend inzicht gegeven in zijn gedachtegang dan wel is dat oordeel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk.
III.4
Het slagen van één of meer subonderdelen van dit onderdeel III vitiëert rov. 29, waarin het hof oordeelt dat ‘het vorenstaande impliceert dat tot de nalatenschap van erflaatster behoort het volle en vrije eigendom van de onroerende zaken zoals vermeld in de akte van vof en dat bij de berekening van de legitimaire massa moet worden meegenomen de waarde van die goederen op datum van het overlijden van erflaatster’.
IV. Motiveringsklachten met betrekking tot de berekening van de legitieme
IV.1
In rov. 31 overweegt het gerechtshof onder meer (onderstreept door mij-HJWA):
‘in de akte van 31 maart 2021 vermeldt [zoon 2] dat hij de voorlopige boedelbeschrijving van [zoon 1] heeft gebruikt voor de berekening van zijn legitieme. Nadien is bij akte van 9 februari 2022 van de zijde van [zoon 1] (zie productie 37) een nadere onderbouwing gegeven van de legitieme aanspraken van [zoon 2]. [zoon 2] geeft in zijn memorie van (voorwaardelijk) incidenteel appel geen nadere onderbouwing van wat in zijn visie de hoogte van zijn legitieme portie dient te zijn met betrekking tot de nalatenschap van erflaatster. Gezien de gewisselde stukken in appel had het op de weg van [zoon 2] gelegen het hof meer inzicht te geven in de onderliggende berekening van zijn legitimaire aanspraak.’
Hoewel het hof dus overweegt dat het de door [zoon 2] gevolgde weg niet kan doorgronden en eenvoudig blijkens de onderstreepte volzin van rov. 31 van oordeel is dat [zoon 2] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, baseert het hof zich zonder nadere motivering blijkens de opgenomen bedragen in rov. 31 op p. 8 en 9 van het arrest en het dictum wel op de uitgangspunten van wat door [zoon 2] aan bedragen is gesteld. Dat is zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, dan wel niet toereikend gemotiveerd.
Voorts miskent het hof dat het incidentele appel voorwaardelijk is ingesteld en overweegt het hof niet of de voorwaarde waaronder dat incidentele beroep is vervuld en zo ja wat dan de beslissing daarop dan ook is. Het oordeel van het hof is dan ook onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd.
IV.2
In rov. 31 geeft het gerechtshof een berekening en daarin wordt als post opgenomen:
‘schenkingen aan kleinkinderen € 103.080,00’.
Voorts wordt in rov. 30 door het gerechtshof opgemerkt dat het in verband met de kleinkinderen gaat om:
‘(…) schenkingen aan de kleinkinderen € 103.080,-- (…)’.
Het hof miskent hier dat het niet gaat om een schenking ‘bij leven’ maar om schenkingen via een legaat.50. Een legaat is een vordering op de nalatenschap en dient dus niet te worden meegenomen bij de berekening van de omvang van de nalatenschap. In verband met de schenkingen bij leven ging het slechts om een bedrag van € 20.112,--.51. Zie in dit verband art. 4:126 BW:
‘Een schenking of andere gift wordt, voor zover deze de strekking heeft dat zij pas na het overlijden van de schenker of gever wordt uitgevoerd, en zij niet reeds tijdens het leven van de schenker of gever is uitgevoerd, voor de toepassing van hetgeen in dit Boek is bepaald betreffende de inkorting en vermindering aangemerkt als een legaat ten laste van de gezamenlijke erfgenamen. ’
Dit heeft dus gevolgen voor de berekening van de legitieme, omdat dit door het hof in rovv. 30, 31 en het dictum uitgaat van een onjuiste, want te hoge omvang van de nalatenschap waarover de legitieme is berekend.
IV.3
In rov. 30.2 wordt door het gerechtshof onder meer geoordeeld (onderstreept door mij-HJWA):
‘Tussen [zoon 2] en [zoon 1] is niet in geschil dat dient te worden uitgegaan van de waarde van het woonhuis in het economische verkeer. [zoon 1] legt ter zake een concept-koopovereenkomst over die niet is getekend door partijen waarin is opgenomen een splitsing van de koopprijs en stelt in de memorie van grieven dat de in de koopovereenkomst opgenomen bedragen overeenkomen met de gerealiseerde koopprijzen, maar legt ter zake geen nadere stukken en/of onderbouwing over. Het hof is van oordeel dat het op de weg van [zoon 1] had gelegen de waarde van het woonhuis nader te onderbouwen, nu [zoon 2] de door [zoon 1] gehanteerde waarde uitdrukkelijk en gemotiveerd heeft betwist terwijl [zoon 1] ter zake niet steeds een eenduidig standpunt innam. Zo stelde [zoon 1] in eerste aanleg in zijn Akte houdende uitlatingen na comparitie van partijen hierover:
(…)
- ‘(b)
De kwestie die leidt tot een verhoging (toevoeging voor de leesbaarheid: van de legitimaire massa): Op productie 35 worden de percelen ‘[b-plaats] B 1465, B 1466 en B 1467 tot het ondernemingsvermogen gerekend. Deze percelen moeten echter niet meer (!) gerekend worden tot het ondernemingsvermogen.’,
En nam, zonder nadere toelichting, later een ander standpunt in. Nu [zoon 1] heeft nagelaten een nadere onderbouwing te geven, gaat het hof, mede gelet op het door [zoon 2] ter zake gesteld, uit van een bedrag van € 970.000,-.’
Dit oordeel, waarbij het hof eerst in rov. 30.2 — terecht — oordeelt dat de waarde van deze onroerende zaken niet tweemaal in de berekening moet worden betrokken, doet het hof dat vervolgens dus wel doordat het uitgaat van de door [zoon 2] gestelde waarde van € 970.000,- bedraagt en motiveert dat met bovenvermelde door mij onderstreepte passages. Dat oordeel is zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd om navolgende redenen. Het hof refereert aan de akte van de zijde van [zoon 1] van 9 februari 2022. Daarin wordt op pagina 3 onder andere opgemerkt:
- ‘(b)
De kwestie die leidt tot een verhoging: Op productie 35 worden de percelen ‘[b-plaats] B 1465, B 1466 en B 1467 tot het ondernemingsvermogen gerekend. Deze percelen moeten echter niet meer (!) gerekend worden tot het ondernemingsvermogen. De reden hiervoor is gelegen in het feit dat voormelde drie percelen in [b-plaats] zijn verkocht met het woonhuis. De opbrengst voor deze drie percelen was € 155.000,--. Omdat door de verkoop van deze drie percelen niet meer wordt voldaan aan de voortzettingseis voor de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in de Successiewet, maken deze drie percelen geen onderdeel meer uit van het ondernemingsvermogen. Doordat deze drie percelen geen onderdeel meer uitmaken van het ondernemingsvermogen moet de waarde van de nalatenschap worden verhoogd met EURO 155.000,--. Dit betekent dat het zuiver saldo van de nalatenschap per [overlijdensdatum] 2019 bedraagt EURO 758.668,--. Conclusie: in productie 35 moet op grond van voormelde twee punten het bedrag ad EURO 651.513,-- worden vervangen door EURO 758.668,--, zijnde het zuiver saldo van de nalatenschap per [overlijdensdatum] 2019.’
Anders dan het gerechtshof oordeelt, is er nadien geen ander standpunt ingenomen. In de memorie van grieven — die uiteraard van latere datum is dan voormelde akte van 9 februari 2022 — is voormeld standpunt over de dubbelteller eenvoudigweg herhaald. Zie p. 6 en 7 van de memorie van grieven. In hoger beroep is geenszins door [zoon 1] een ander standpunt ingenomen. Het standpunt in de memorie van grieven is identiek aan datgene wat in de akte van 9 februari 2022 staat. Het oordeel van het hof dat er een anders standpunt zou zijn ingenomen is op dit punt dan ook volstrekt onnavolgbaar en dus onbegrijpelijk. Dat geldt dan dus ook voor de motivering dat en waarom het hof ondanks de — vastgestelde — dubbeltelling toch van die waarde van € 970.000,= uitgaat.
Dit oordeel getuigt vervolgens ook van een onjuiste rechtsopvatting ter zake van de stelplicht en bewijslast. Het hof miskent — kennelijk omdat [zoon 2] in eerste instantie in het gelijk is gesteld en [zoon 1] appelleert52.— dat het [zoon 2] is die zich in het kader van zijn vordering ad € 461.700,1053. op het rechtsgevolg beroept dat zijn legitieme op dat bedrag moet worden gesteld en dat de waarde van de woning € 970.000,= bedraagt. [zoon 2] draagt daarvan zowel de stelplicht als de bewijslast.
Te meer nu, anders dan het hof overweegt, [zoon 1] geen ander standpunt heeft ingenomen en dus de door [zoon 1] gestelde waarde gemotiveerd heeft betwist miskent het hof bovendien dat artikel 149 Rv meebrengt dat het hof die door [zoon 2] gestelde waarde niet als vaststaand kon en mocht aannemen en zeker niet van [zoon 1] een nadere onderbouwing kon worden gevergd.
IV.4
In rov. 27 overweegt het hof onder meer :
‘Op het moment van het aangaan van de vof 2 bedroeg het box 3 vermogen dat zij in de vof inbracht plus minus € 1.440.292,-.’
In rov. 30.1 overweegt het hof onder meer:
‘Zoals hiervoor uiteengezet, beslist het hof dat de waarde van het ondernemingsvermogen dient te worden gesteld op € 1.440.292,-.’
Dit bedrag is ontleend aan ‘de aangifte erfbelasting’. Voor de berekening van die aangifte is maatgevend de Successiewetgeving. Het hof miskent dat er geen enkele grond aan te wijzen om de aangifte erfbelasting of de Successiewetgeving bepalend te achten voor het bepalen van het aandeel in het ondernemingsvermogen dat de moeder toekomt en al zeker niet op het moment van het aangaan van de vof-2 overeenkomst ruim twee jaar eerder. Zoals ook in onderdeel II.3 t/m II.7 reeds uiteengezet is in de hoogte van het ondernemingsvermogen opgenomen in de aangifte erfbelasting op geen enkele wijze verdisconteerd dat het hier gaat om grond die verpacht was aan vof 1, hetgeen wèl aan de orde was bij het aangaan van de vof-2 overeenkomst (en daarna voortduurde zie MvG p. 11 en 12) Voor de goede orde wordt hier aangetekend dat de waarde van het ondernemingsvermogen op 1 januari 2017 (datum van het aangaan van de vof 2) bij moeder bedroeg € 807.000,-.54. De berekening van [zoon 2] is rechtstreeks gebaseerd op voormelde € 1.440.292,-.
IV.5
In de memorie van grieven (toelichting grief 1 p. en ook in de akted.d. 9 februari 2022 (p. 3, rnr 4) waaraan het hof rov 30.2 aan refereert is al uitdrukkelijk opgemerkt dat in de opstelling van [zoon 2] meerdere dubbeltellers zitten. In vervolg hierop wordt door het gerechtshof onder meer opgemerkt in rov. 30.2:
- ‘—
de onroerende zaken, genummerd B1465, 1466, 1467. (…) Nu het hof heeft beslist dat het ondernemingsvermogen dient te worden gewaardeerd zoals hiervoor overwogen, dient de waarde van deze onroerende zaken niet tweemaal (eenmaal in de waardering van het ondernemingsvermogen en eenmaal in de waardering van het privévermogen van erflaatster te worden betrokken).’
Vervolgens blijkt echter dat het gerechtshof de onroerende zaken genummerd B1465, 1466 en 1467 toch twee keer verdisconteert. Immers, in rov. 31 van het arrest zien we dat het gerechtshof de navolgende bedragen verwerkt:
‘woonhuis: € 970.000’
En:
‘aandeel ondernemingsvermogen: € 1.440.292’.
In beide bedragen is verwerkt:
- —
€ 182.500, zijnde grasland van ca 3.42.42 ha (zie pagina 2 van productie 25);
- —
€ 162.500, zijnde: erf en ondergrond van de wagenberging ca. 1.750 m2 (€ 97.500) en wagenberging (€ 65.000) (zie eveneens pagina 2 van productie 25).
De genoemde bedragen: € 182.500 en € 162.500, dat zijn ook de bedragen die gerealiseerd zijn in het kader van de verkoop van die goederen aan een derde.
Reeds in eerste aanleg is namens [zoon 1] een opmerking gemaakt dat het vorenstaande leidt tot een dubbelteller. Ik verwijs hier naar pagina 3 van de akte van 9 februari 2022, waar onder verwijzing naar productie 35 wordt opgemerkt:
‘Op productie 35 worden de percelen [b-plaats] B.1465, B.1466 en B.1467 tot het ondernemingsvermogen gerekend. Deze percelen moeten echter niet meer(!) gerekend worden tot het ondernemingsvermogen. De reden hiervoor is gelegen in het feit dat voormelde drie percelen in [b-plaats] zijn verkocht met het woonhuis. (…) Omdat door de verkoop van deze drie percelen niet meer wordt voldaan aan de voortzettingseis voor de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in de Successiewet, maken deze drie percelen geen onderdeel meer uit van het ondernemingsvermogen.’
De Rechtbank trok zich van voormelde opmerking niets aan. Het gerechtshof overweegt — zoals hiervoor geciteerd — eerst dat de dubbeltellers niet worden toegestaan, maar vervolgens gaat het gerechtshof toch verder op de weg van de Rechtbank en [zoon 2] en worden voormelde bedragen verdisconteerd in de post ‘woonhuis’ en aansluitend nogmaals in de post ‘aandeel ondernemingsvermogen’. In de memorie van grieven is op pagina 6 in nr. (2) uitdrukkelijk nogmaals herhaald dat de percelen B1465, 1466 en 1467 twee keer zijn meegerekend door de Rechtbank. Op die pagina 3 MvG is ook expliciet aangegeven dat het woonhuis is verkocht voor € 625.000, de percelen B1465, 1466 en 1467 voor € 182.500 en de wagenberging met ondergrond voor € 162.500 (lees: € 65.000 + € 97.500). Op pagina 7 van de memorie van grieven wordt in dit verband opgemerkt:
‘Samenvattend komt het vorenstaande neer op het navolgende: In de berekening van [zoon 2] is een post verwerkt van € 970.000,00. Voor deze post geldt dat een bedrag van € 345.000,-- ook is verwerkt in de post die wordt genoemd ‘aandeel ondernemingsvermogen’ ten bedrage van € 1.440.292,00. De consequentie hiervan is dat de berekening onjuist is en dat — ook indien men de legitieme zou berekenen op de door [zoon 2] gevolgde route — daarbij wordt uitgegaan van onjuiste cijfers, omdat bepaalde goederen 2 maal zijn verwerkt door [zoon 2] in zijn berekening.’
Het hof gaat hier dus ten onrechte de facto aan voorbij, met als gevolg dat de legitieme, zelfs indien men uitgaat van een schenking en/of quasi legaat (veel) te hoog vaststelt. Daarbij vult het hof kennelijk ook toelaatbaar de feiten aan en treedt dus buiten het debat van partijen, althans miskent het dat [zoon 2] op geen enkele wijze heeft onderbouwd waarom die post twee keer zou moeten worden meegerekend. [zoon 2] heeft immers in verband met het vorenstaande uitsluitend gesteld (zie memorie van antwoord rnr. 25):
‘Zoals in eerste aanleg uiteengezet houdt [zoon 2] het ervoor dat de verkoopopbrengst van het onroerend goed B1465, 1466, 1467 apart in de berekening legitieme portie opgenomen dient te worden, gelijk [zoon 1] heeft gedaan (zie akte 31 maart 2021, randnr. 24). [zoon 2] betwist derhalve dat hij een bedrag van € 345.000 te veel zou hebben meegenomen in zijn berekening.’
[zoon 2] erkent dat het gaat om de verkoopopbrengst van genoemde goederen. Maar [zoon 2] geeft vervolgens geen enkele onderbouwing waarom in zijn berekening die € 345.000 twee maal moet worden meegenomen.
V
Het slagen van één of meer klachten vitiëert ook rovv. 29, 30, 31, 35, 36 en het dictum.
Weshalve:
[zoon 1] op grond van dit middel de vernietiging van het arrest vordert met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad zal vermenen te behoren, met veroordeling van verweerder in cassatie in de kosten van het geding te vermeerderen met de wettelijke rente ingaande veertien dagen na het te deze te wijzen arrest van de Hoge Raad.
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 03‑04‑2024
Productie 41 MvG. Pachtovereenkomst met vof 1. Het hof stelt dit ook vast in rov 14 eerste bulletpoint.
Zie akte van 9 februari 2022, p 8 –10.
MvG toelichting grief 2 p. 11 –13.
Zie akte van 9 februari 2022, p. 4, rnr 8 6, 7 en productie 35 bij die akte.
Zie onder meer rnr. 6 van de akte van 9 februari 2022, rnr 4.
MvG grief 2 p. 10 – 14.
Zie onder andere de akte van [zoon 2] van 31 maart 2021 rnr. 38 in eerste aanleg en in hoger beroep MvA 8–10. [zoon 2] stelt dat volgens hem het aandeel van de moeder in de liquidatiewaarde € 1.440.292,- bedraagt en dat aan hem een legitieme portie moet worden uitgekeerd ten bedrage van € 461.700,10.
Het hof motiveert dat niet nader, zodat niet valt na te gaan waarop het hof doelt.
In de antwoordakte d.d. 6 juni 2023 p. 3 onder i) wijst [zoon 1] dan ook terecht op de verwevenheid van de debatten in principaal appel en voorwaardelijk incidenteel appel.
In de uitspraak HR 8 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1715 wordt verwezen naar: HR 12 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7272, rechtsoverweging 3.5.
HR 8 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1715 en CPG A-G Wissink vóór HR 14 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:262
Zie Asser/Perrick 4 2021/254–257. Perrick noemt het voorbeeld dat degene die een Vermeer voor een ongewoon laag bedrag verkoopt omdat hij denkt dat het om een (goede) imitatie gaat, schenkt niet.
Het betrof een fiscale zaak waarbij een vergelijkbare situatie aan de orde was: een maatschap tussen vader en zoon waarbij de maatschapsovereenkomst werd ontbonden en de zoon gebruik maakte van het voortzettingsbeding. In casu heeft [zoon 1] in extenso betoogd en is ook in de vof-2 overeenkomst opgenomen dat hier is overgenomen tegen de nog juist lonende waarde. Indien dat fiscaal blijkens voormelde uitspraak niet als schenking wordt aangemerkt, getuigt het van een onjuiste rechtsopvatting en is het zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk, althans niet voldoende gemotiveerd dat het hof hier wel een schenking aanneemt. Niet alleen ontbreekt, als gezegd, de bevoordelingsbedoeling, maar ook is de in agrarische kringen nog juist lonende waarde gehanteerd, waarbij is beoogd om de continuïteit van het melkveebedrijf te waarborgen.
Zie hierboven ook onder A sub 13.
Zie hierboven ook onder A sub 14.
[zoon 2] heeft nergens gesteld dat het gaat om beleggingen en evenmin daaraan de conclusie verbonden dat ‘een belegging niet als onderneming kan worden gekwalificeerd’ en evenmin dat daarom de bedrijfsopvolgingsrechtspraak waarnaar [zoon 1] verwijst in het onderhavige geval niet relevant is.
Vaste jurisprudentie HR 17 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5663, NJ 2006, 158 (Spector/Fotoshop 2000) verwijzend naar HR 1 oktober 2004, nr. C03/093, NJ 2005, 92. Herhaald in onder meer: HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:663.
Zie verder MvG grief 2 p. 11 laatste woordblok t/m p. 14 halverwege, verwijzend naar productie 41 waarbij enkele pachtovereenkomsten zijn overgelegd, ook deels geciteerd in onderdeel II.1.
Rovv. 9, 11, 16, 19 en 24.
Bestaande uit grond en gebouwen inclusief ondergrond. Zie productie 13 bij akte van 21 oktober 2020 p. 4 en 5 en producties 6 t/m 25.
Zoals in de MvG p. 9 laatste woordblok boven grief 2 is aangevoerd betreft het bedrag van € 1.440.292,00, waar [zoon 2] van uitgaan de liquiditeitswaarde. Dit nog daargelaten de dubbeltellingen die daarin zijn verwerkt, waarover ook grief 1 van de MvG gaat. Zie onder meer ook MvG p. 9
Rov. 14 eerste bulletpoint. Zie ook Productie 41 MvG.
In de MvG p. 12 heeft [zoon 1] in dit verband met zoveel woorden gesteld dat indien moeder niet zou zijn toegetreden tot de vof [zoon 1] op basis van de Pachtwet de grond tegen de waarde verpachte staat over had kunnen nemen.
Asser-Sieburgh 6-III 2022, nr. 637.
Productie 1 bij CvA.
MvG toelichting grief 2 p. 11, 6e woordblok en p. 13, 4e woordblok.
HR 20 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF1029.
Dit nog daargelaten de in subonderdelen II.3 t/m II.7 gerichte klachten tegen het oordeel dat het ondernemingsvermogen van moeder bij aanvang van die vof-2 overeenkomst gelijk zou zijn aan die van de successieaangifte, nu daarin voorbijgegaan wordt aan de verpachte staat van de zich tot dat vermogen behorende gronden en de 50% waardedrukkend effect daarvan, hetgeen uiteraard de vof-2 akte weggedacht eenvoudig aan de orde zou zijn gebleven. Dat betekent dus dat het hof in rov. 27 sub e f en g om redenen in die subonderdelen II.3 t/m II.7 ten onrechte uitgaat van een ondernemingsvermogen van moeder per 1 januari 2017 van € 1.440.292,=.
Zie ook rov 23.
Zie in dit verband HR 23 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2753, NJ 1999, 114 en HR 6 oktober 2000, NJ 2000, 691).
Zie bijvoorbeeld MvG de toelichting op grief 2 p. 11 eerste woordblok.
Kamerstukken TK II, 2000–2001, 17 213, nr. 6, p. 21.
Kamerstukken TK II, 2000–2001, 17 213, nr. 6, p. 21.
Bijvoorbeeld MvG p. 5 sub b., p. 11 eerste twee woordblokken, p. 12 laatste woordblok, p. 13 tweede woordblok, p. 15 voorlaatste woordblok en productie 40.
Zie MvG p. 11 eerste woordblok waarin dat met zoveel woorden wordt gesteld.
Akte van 9 februari 2022, rnr. 8 p. 4
MvG toelichting grief 2, p. 11. Het hof stelt dit ook van in rov 14.
Akte van 9 februari 2022, rnr. 8 p. 4
Akte van 9 februari 2022, rnr. 8 p. 7
Akte van 9 februari 2022, rnr. 8 p. 7
Akte van 9 februari 2022, rnr. 8 p. 7
Akte van 9 februari 2022, rnr. 8 p. 8.
Akte van 9 februari 2022, rnr. 8 p. 5
Zie MvG p. 9 eerste woordblok.
Zie CvA rnr 14 en 15 alsook MvG p. 8 en p. 9 eerste woordblok. Bij testament heeft moeder vervolgens een legaat gegeven van 5× € 20.616 = € 103.080 en € 20.000,= aan de hervormde kerk.
Zie in dat verband ook rov 3.
Vonnis rb d.d. 23 maart 2022 rov 2.2 verwijzend naar rnr 43 van zijn akte van 31 maart 2021.
Zie hierboven onderdeel II.3. Zie productie 13 bij akte van 21 oktober 2020 p. 4 en 5 en producties 6 t/m 25.