Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/10.7.2
10.7.2 Overgang van de vordering
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS584871:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. bijvoorbeeld HR 1 december 2000, NJ 2001, 146.
Zie Van Achterberg 1999, nr. 17; Wibier 2009a, nr. 23; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 268. HR 17 januari 2003, NJ 2004, 281 (Oryx/Van Eesteren), m.nt. HJS; HR 29 januari 1993, NJ 1994, 171 (Van Schaik q.q./ABN Amro), m.nt. PvS; Hof 's-Hertogenbosch 18 mei 1992, NJ 1993, 62.
Bij de vernietiging en de uitoefening van het recht van reclame en bij de vervulling van een ontbindende voorwaarde gebeurt dit van rechtswege; bij ontbinding pas na de vervulling van de ongedaanmakingsverbintenis.
Vgl. o.a. HR 19 september 1997, NJ 1998, 689 (Verhagen q.q./INB II), m.nt. WMK onder NJ 1998, 690; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 270 en 272; Van Achterberg 1999, nr. 16; Wibier 2009a, nr. 23; Salomons 2007, p. 656, nt. 64.
Zie o.a. art. 3:187 BW, art. 6:143 BW en art. 7:9 lid 1 BW. Zie hierna nr. 670-673.
Zie V.V. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 395; en M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 396.
Vgl. hiervóór nr. 415,421 en 425 e.v.
Zie T.M., Parl. Gesch. Boek 3, p. 393. Art. 3:94 lid 4 BW leent zich voor overeenkomstige toepassing op de levering na verdeling ex art. 3:185 BW, en op de overgang van vorderingen van rechtswege, zoals bij borgtocht, huur en kwalitatieve rechten, met dien verstande dat deze gevallen bewijs kan worden gevraagd van de overdracht van het goed waaraan de vordering is verbonden.
T.M., Parl. Gesch. Boek3, p. 393, onder verwijzing naar HR 14 januari 1927, NJ 1927, p. 409, w. 11624.
Art. 3:94 lid 4 BW bevestigt dat wederkerig schuldeiserschap voor opschorting geen vereiste is (zie hiervóór nr. 598).
Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-1* 2008, nr. 232.
Zie over misbruik van bevoegdheid, Schrage 2007.
Zie HR 19 februari 1960, NJ 1960, 178 (Sanders c.s./Daumiller); HR 19 december 1969, NJ 1970, 200 (Eckmann/De Auto Onderlinge), m.nt. GJS; vgl. HR 23 juni 1950, NJ 1950, 660. Anders: G.J. Scholten in zijn noot onder HR 19 december 1969, NJ 1970, 200. Vgl. Gebrandy 1990, p. 256-259.
Zie Hof Arnhem 22 november 1961, NJ 1962,218.
Zie Hof 's-Hertogenbosch 13 november 1996, NJ 1997, 445. Zie ook HR 4 juni 1923, NJ 1923, p. 948.
631. Voor de inningsbevoegdheid van de nieuwe schuldeiser is beslissend of een rechtsgeldige overgang van de vordering heeft plaatsgevonden. De schuldenaar kan aan zijn nieuwe schuldeiser ook tegenwerpen dat geen overgang heeft plaatsgevonden, en dat zijn nieuwe schuldeiser om die reden niet inningsbevoegd is. De overdracht van een vordering kan bijvoorbeeld zijn uitgebleven door een gebrek in de leveringshandeling,1 een gebrek in de titel, door de beschikkingsonbevoegdheid van de vervreemder (art. 3:84 lid 1 BW) of door de onoverdraagbaarheid van de vordering (art. 3:83 lid 1 en 2 BW).2 De overdracht van de vordering, en daarmee de inningsbevoegdheid van de nieuwe schuldeiser, kan zijn aangetast door de ontbinding, gevolgd door een retro-overdracht aan de oude schuldeiser, door de vernietiging van de aan de overdracht onderliggende overeenkomst of door de vervulling van een ontbindende voorwaarde.3
Indien de schuldenaar op redelijke gronden twijfelt aan wie de betaling moet geschieden, is hij op grond van art. 6:37 BW bevoegd de nakoming van zijn verplichting op te schorten.4 Hij dient zijn opschortingsverklaring te richten jegens de persoon die nakoming eist, bijvoorbeeld de nieuwe schuldeiser. De opschorting blijft in stand zolang de schuldenaar op redelijke gronden twijfelt. De verplichting jegens de schuldenaar om duidelijkheid te verschaffen rust op de persoon die als schuldeiser nakoming eist. In de onderlinge rechtsverhouding tussen de oude schuldeiser en de nieuwe schuldeiser kan in dit verband even wei op de oude schuldeiser de verplichting rusten om de bescheiden die bij de vordering horen aan de nieuwe schuldeiser ter hand te stellen, opdat de nieuwe schuldeiser zich aan de hand daarvan jegens de schuldenaar als de nieuwe schuldeiser kan presenteren,5 om aan de schuldenaar mededeling te doen van de overgang en daarmee de gewenste duidelijkheid te verschaffen.
632. Bij de overdracht van de vordering kan de schuldenaar daarnaast verlangen dat aan hem een door de vervreemder gewaarmerkt uittreksel van de akte van cessie6 en haar titel ter hand wordt gesteld. Bedingen die voor de schuldenaar niet van belang zijn, behoeven daarin niet te worden opgenomen. Is van een titel geen akte opgemaakt, dan moet hem de inhoud, voor zover voor hem van belang, schriftelijk worden medegedeeld (art. 3:94 lid 4 BW). De vervreemder is meestal de oude schuldeiser, maar kan ook een beschikkingsbevoegde derde zijn.7 Blijkens de parlementaire geschiedenis is de bevoegdheid aan de schuldenaar toegekend, omdat, daar de geldigheid van een overdracht mede wordt bepaald door de geldigheid van de titel, het voor hem van belang kan zijn kennis te nemen van de titel van overdracht. Dit belang blijft ook bestaan als wordt aangenomen dat in een ongeldige overdracht een last tot inning kan worden gelezen in verband met de mogelijkheid tot verrekening die na de overdracht kan zijn ontstaan. 8 Het niet-nakomen van de verplichting staat aan een geldige overdracht niet in de weg, maar de schuldenaar kan de nakoming van zijn verplichting jegens de nieuwe schuldeiser opschorten, zolang de oude schuldeiser niet aan zijn verplichting heeft voldaan.9 De schuldenaar kan aldus de nakoming van zijn verplichting jegens de nieuwe schuldeiser opschorten, totdat de oude schuldeiser een verplichting jegens hem is nagekomen. Tussen beide verbintenissen bestaat voldoende samenhang als bedoeld in art. 6:52 BW.10
Voor de uitoefening van de opschortingsbevoegdheid ex art. 3:94 lid 4 BW is niet vereist dat de schuldenaar 'op redelijke gronden' twijfelt of hij aan de nieuwe schuldeiser moet betalen, zoals bij art. 6:37 BW. Het gaat om twee verschillende bevoegdheden, die de schuldenaar cumulatief toekomen. De meerwaarde van de opschortingsbevoegdheid ex art. 3:94 lid 4 BW ten opzichte van de opschortingsbevoegdheid ex art. 6:37 BW is daarin gelegen dat de schuldenaar niet alleen duidelijkheid kan verkrijgen aan wie hij dient te betalen, maar ook duidelijkheid kan verkrijgen 6f een overdracht heeft plaatsgevonden, en zo ja, of de titel gebreken kent, waardoor de overdracht alsnog zou kunnen komen te vervallen. Beide opschortingsrechten leiden tot schuldeisersverzuim (art. 6:58 e.v. BW) en kunnen aan zowel de oude als de nieuwe schuldeiser worden tegengeworpen.11
633. Een bijzonder verweer van de schuldenaar is dat de overdracht van de vordering misbruik van bevoegdheid oplevert (art. 3:13 lid 1 BW) en dat om die reden de nieuwe schuldeiser niet bevoegd is tot inning.12 Slaagt een dergelijk beroep, dan kan de overdracht niet aan de schuldenaar worden tegengeworpen. Van misbruik van (proces)bevoegdheid kan sprake zijn als de vordering in deelvorderingen is gesplitst met geen ander doel om de schuldenaar te schaden, of als met de overgang van ( een deel van) de vordering alleen beoogd is om een andere rechter bevoegd te maken, een bepaalde persoon als getuige te kunnen horen of een faillissement te kunnen aanvragen. Misbruik van procesbevoegdheid wordt door de rechtspraak evenwel niet snel aangenomen. Geen misbruik van bevoegdheid werd aangenomen bij een deelcessie met als doel (onder het oude recht) de kantonrechter bevoegd te maken;13 en evenmin om de cedent als getuige te doen horen.14 Daarentegen is wei geoordeeld dat een nieuwe schuldeiser niet bevoegd is om het faillissement aan te vragen als hij de vordering aan zich heeft laten overdragen met het uitsluitende doel om aldus via faillissement de wederpartij buiten spel te zetten in tussen partijen aanhangige procedures.15