Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/10.7.4
10.7.4 Art. 3:94 lid 3 tweede zin BW
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS591885:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Kamerstukken I 2003-2004, 28 878, nr. C, p. 3.
Vgl. Kamerstukken I 2003-2004,28 878, nr. C, p. 3.
Zie T&C Vermogensrecht 2009 (E.B. Rank-Berenschot), art. 3:94, aant. 5(f).
De mogelijkheid tot verrekening van de schuldenaar veronderstelt overigens dat de schuldenaar bevrijdend kan betalen aan de stille cessionaris, hetgeen niet het geval is als de stille cessionaris een privatieve last tot inning aan de stille cedent heeft verstrekt. Zie hiervóór nr. 614.
Zie Kamerstukken II 2003-2004, 28 878, nr. 5, p. 13-14 (nr. 10); Biemans 2008, par. 3.3.
Zie hiervóór nr. 79 en 588.
Is voor de schuldenaar duidelijk op welke rekening dient te worden betaald, dan komt hem in beginsel geen beroep op de opschortingsgrond van art. 6:37 BW toe. Echter, zolang geen mededeling is gedaan, ligt het niet voor de hand dat hij daarop zal worden gewezen. De stille cedent en de curator zijn niet bevoegd om van hem nakoming te eisen. Zie hiervoor nr. 79. De stille cessionaris heeft geen belang bij een betaling aan de curator. Hij verkrijgt niet meer dan een concurrente boedelvordering tot afdracht jegens de curator. Zie hierna nr. 710.
636. Bij de stille cessie kan de levering niet aan de schuldenaar worden tegengeworpen dan na mededeling van de levering aan hem door de stille cedent of de stille cessionaris. De schuldenaar heeft in beginsel geen reden om op te schorten zolang aan hem geen mededeling is gedaan. Hij kan immers op grand van art. 3:94 lid 3 BW bevrijdend blijven betalen aan de stille cedent. Als de schuldenaar alleen bekend wordt met de stille cessie, zonder dat mededeling is gedaan, ligt opschorting op grand van art. 6:37 BW derhalve niet voor de hand.
Twijfelt de schuldenaar of mededeling is gedaan, dan kan hij wel opschorten op grand van art. 6:37 BW.1 Twijfel over mededeling kan bestaan, omdat de mededeling in verschillende rechtshandelingen van de stille cessionaris besloten kan liggen. Verlangt de stille cessionaris betaling, dan bestaat naar mijn mening geen grand voor twijfel; het is duidelijk dat daarin een mededeling van de cessie besloten zal liggen.2 Ook kan de schuldenaar opschorten op grand van art. 6:37 BW als mededeling is gedaan, maar het niet duidelijk is of de cedent desondanks als privatief inningsbevoegde lasthebber aanblijft.
De schuldenaar die weet heeft van een stille cessie kan een beroep doen op art. 3:94 lid 4 BW,3 ook voordat mededeling is gedaan van de stille cessie. De tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW dient ter bescherming van de schuldenaar. Uit deze bepaling volgt niet dat aan de schuldenaar rechten worden onthouden tot het moment van mededeling. Het mogelijke tegenargument dat de schuldenaar dit beroep niet toekomt, omdat voor hem duidelijk is aan wie hij bevrijdend kan betalen, gaat naar mijn mening niet op. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat art. 3:94 lid 4 BW niet alleen met bevrijdende betaling te maken heeft, maar ook met het recht van de schuldenaar om te weten of een overdracht heeft plaatsgevonden. De schuldenaar kan bij een beroep op art. 3:94 lid 4 BW bijvoorbeeld een redelijk belang hebben met het oog op verrekening met de stille cessionaris.4
Verweert de schuldenaar zich in een procedure dat hij niet bevrijdend aan de stille cedent kon of kan betalen, omdat sprake is van een stille cessie en de stille cedent niet bevoegd was om betalingen in on tv angst te nemen, dan geeft dit verweer geen aanleiding voor de stille cedent om te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij uit hoofde van lastgeving bevoegd is in eigen naam ten behoeve van de rechthebbende op te treden. Op grond van art. 3:94 lid 3 BW kan de schuldenaar immers bevrijdend aan de stille cedent blijven betalen tot het moment van mededeling. Verweert de schuldenaar zich echter in de procedure dat de stille cedent niet bevoegd is om in rechte nakoming te eisen, dan geeft een dergelijk verweer daartoe wel aanleiding. De regel heeft een breder toepassingsbereik. Geeft een verweer van de schuldenaar daartoe aanleiding, dan zal de stille cedent dienen a ante ton en dat hij ( al dan niet krachtens lastgeving) bevoegd is om de desbetreffende rechtshandeling, te verrichten. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan het verweer van de schuldenaar dat de stille cedent niet bevoegd is om te verrekenen of een eis in reconventie in te stellen.
637. Volgens de wetgever kan de schuldenaar opschorten op grond van art. 6:37 BW als de stille cedent failliet is verklaard, en de schuldenaar wetenschap heeft van de stille cessie en het faillissement.5 Deze zienswijze overtuigt niet. Omdat de schuldenaar in het faillissement van de stille cedent bevrijdend kan betalen aan de curator totdat mededeling is gedaan,6 heeft de schuldenaar alleen reden om op te schorten ex art. 6:37 BW, als hij op redelijke gronden twijfelt op welke rekening de betaling aan de curator dient plaats te vinden.7 De schuldenaar kan daarnaast weigeren om aan de stille cedent of de curator te betalen, met een beroep op hun inningsonbevoegdheid. In dat geval kiest hij ervoor geen beroep te doen op de beschermingsbepaling van de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW. Met opschorting ex art. 6:37 BW heeft dit echter niets te maken.
638. Na het moment van mededeling zijn de 'gewone' regels van toepassing. Wordt de schuldenaar door de stille cessionaris aangesproken, dan kan hij zich niet verweren dat nog geen mededeling heeft plaatsgevonden, omdat in het vorderen van nakoming het doen van mededeling ex art. 3:94 lid 3 BW ligt besloten. Bestaat bij hem echter na de mededeling een redelijke grond voor twijfel aan wie hij dient te betalen, dan kan hij opschorten ex art. 6:37 BW. Hij kan voorts een beroep doen op art. 3:94 lid 4 BW. Blijft de stille cedent na mededeling inningsbevoegd krachtens lastgeving dan komt de schuldenaar tevens (naar analogie) een beroep toe op art. 3:71 lid l BW.