Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/10.7.3
10.7.3 Uitoefening van andermans vordering
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS584870:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Vergelijk hetgeen hiervoor bij de overdracht van vorderingen is opgemerkt.
Zie hierna nr. 727-728.
Zie hierna nr. 675-680.
Zie Reehuis 1987, p. 241.
Vgl. Biemans 2008, par. 3.3.
Zie HR 22 juni 2007, NJ 2007,520 (ING/Verdonk q.q.), m.nt. P. van Schilfgaarde; en vgl. HR 30 oktober 2009, NJ 2010, 96 (Hamm q.q./ABN Amro), m.nt. F.M.J. Verstijlen.
Onder verklaringen moeten worden begrepen zowel eenzijdige rechtshandelingen, zoals de opzegging van een overeenkomst, als meerzijdige rechtshandelingen, zoals een overeenkomst. Zie T.M., Parl. Gesch. Boek 3, p. 284. Daaronder valt derhalve ook een vordering tot nakoming.
Zie T.M., Parl. Gesch. Boek 3, p. 284.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 285.
Zie N.v.W., Parl. Gesch. Boek 3, p. 286.
Vergelijk de rechtsregel uit het HR 26 november 2004, NJ 2005, 41 (Haantjes/Damstra). Als het verweer van de schuldenaar daartoe aanleiding geeft, zal de lasthebber die in eigen naam in rechte optreedt, dienen te stellen en zo nodig dienen te bewijzen dat hij uit hoofde van lastgeving bevoegd is in eigen naam ten behoeve van de rechthebbende op te treden. Zie hiervoor nr. 133.
Zie HR 26 november 2004, NJ 2005, 41 (Haantjes/Damstra).
Zie ook hiervoor nr. 133 e.v.
634. Om de betekenis van de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW voor de rechtspositie van de schuldenaar te achterhalen, wordt vastgesteld wat de positie van de schuldenaar zou zijn geweest zonder deze bepaling. In dat kader wordt hieronder ingegaan op de inningsbevoegdheid van de stille cedent. Dit gebeurt aan de hand van de vergelijkbare rechtsfiguren waarbij een derde inningsbevoegd is ten aanzien van andermans vordering.
Voor de toekenning van de inningsbevoegdheid aan de derde dient een rechtsgrond te bestaan. Aan de toekenning van de inningsbevoegdheid aan de derde kunnen gebreken kleven, waardoor hij niet inningsbevoegd is. Bijvoorbeeld, het beperkte recht is niet rechtsgeldig gevestigd (art. 3:84 lid 1 jo 3:98 BW)1 of de volmacht is te beperkt geformuleerd. De schuldenaar kan in deze gevallen aan de derde tegenwerpen dat deze niet inningsbevoegd is en hij om die reden niet aan hem hoeft te betalen. Het is ook denkbaar dat de inningsbevoegdheid van de derde geeindigd is, bijvoorbeeld door de vemietiging van een faillissement, de opzegging van een lastgeving, het tenietgaan van een beperkt recht, het overlijden van de rechthebbende bij bewind of door tussenkomst van een rechter na wanprestatie van de inningsbevoegde derde.2 Indien aangesproken door een pandhouder of vruchtgebruiker, zal de schuldenaar niet als verweer kunnen voeren dat nog geen mededeling heeft plaatsgevonden, omdat in het vorderen van nakoming het doen van mededeling besloten ligt.
Als de schuldenaar op redelijke gronden twijfelt aan wie de betaling moet geschieden, kan hij op grand van art. 6:37 BW nakoming van zijn verplichting opschorten. De schuldenaar dient zijn opschortingsverklaring te richten aan de persoon die nakoming eist. Op deze persoon rust in beginsel de verplichting om de duidelijkheid te verschaffen. De inningsbevoegde derde kan zich bijvoorbeeld aan de hand van de bij de vordering behorende bescheiden, zoals schuldbewijzen, presenteren als de inningsbevoegde persoon. Deze bescheiden zullen in de regel in zijn macht zijn.3 Bij een verpanding kan de schuldenaar opschorten als hij op goede grand twijfelt of de pandhouder de hoogst gerangschikte pandhouder is.4
Ontleent de derde zijn inningsbevoegdheid aan een aanstelling door de rechter, zoals een deurwaarder, een bewindvoerder, een curator, een vereffenaar of een executeur, dan kan over de aanstelling als zodanig in beginsel geen redelijke grond voor twijfel bestaan. De schuldenaar kan echter opschorten op grond van art. 6:37 BW als bijvoorbeeld onduidelijk is op welke rekening moet worden betaald5 of, in faillissement, onduidelijk is of op de vordering een stil pandrecht rust en de curator in dat verband al (actief) inningsbevoegd is.6 Ontleent de derde zijn inningsbevoegdheid aan een aanstelling in een uiterste wilsbeschikking, zoals een bewindvoerder of een executeur, dan kan hij zijn bevoegdheid aan de hand daarvan aantonen, of aan een verklaring van erfrecht zoals bedoeld in art. 4:188 BW. Bij pand en vruchtgebruik kunnen de pandgever en de hoofdgerechtigde bevestigen dat op de vordering een beperkt recht rust op grond waarvan de derde inningsbevoegd is. Bij een beperkt recht kan de schuldenaar verlangen dat aan hem een door de pandgever of hoofdgerechtigde gewaarmerkt uittreksel van de akte van de vestiging van het beperkte recht en haar titel ter hand wordt gesteld (art. 3:98 jo 3:94 lid 4 BW).
635. Bij volmacht is voor de vaststelling van de bevoegdheid van de gevolmachtigde jegens derden een bijzondere regeling gegeven. Verklaringen door een gevolmachtigde afgelegd, kunnen door de wederpartij als ongeldig van de hand worden gewezen, indien zij de gevolmachtigde terstond om bewijs van de volmacht heeft gevraagd en haar niet onverwijld hetzij een geschrift waaruit de volmacht volgt is overlegd, hetzij de volmacht door de volmachtgever is bevestigd (art. 3:71 lid 1 BW).7 Geschiedt de over legging of de bevestiging tijdig, dan heeft de verklaring blijkens de parlementaire geschiedenis haar werking van het ogenblik dat zij is geschied, dus met terugwerkende kracht.8 Geschiedt de overlegging of de bevestiging niet onverwijld, dan heeft de verklaring geen rechtsgevolg.9 De gevolmachtigde kan de verklaring niet tegen schuldenaar inroepen. Het is aan de schuldenaar om te beslissen of hij de verklaring als bevoegd afgelegd wil aanvaarden.10Art. 3:71 lid 1 BW is leent zich voor overeenkomstige toepassing op een last tot inning in eigen naam.11
Bewijs van de volmacht kan niet worden verlangd, indien de volmacht door de volmachtgever ter kennis van de wederpartij was gebracht, indien zij op een door wet of gebruik bepaalde wijze was bekendgemaakt, of indien zij voortvloeit uit een aanstelling waarmede de wederpartij bekend is (art. 3:71 lid 2 BW). Op grond van art. 3:78 BW geldt deze bepaling ook voor andere vormen van vertegenwoordiging dan die op grond van volmacht. Ontleent de derde zijn inningsbevoegdheid aan zijn aanstelling, bijvoorbeeld als bewindvoerder, executeur of vereffenaar, en kan de schuldenaar diens bevoegdheid kennen uit een vonnis of de openbare registers, dan kan de schuldenaar op grond van art. 3:71 lid 2 BW niet om een bewijs van diens vertegenwoordigingsbevoegdheid vragen. Als het bewijs van de volmacht niet kan worden verlangd op grond van art. 3:71 lid 2 BW, zal in de regel bij de schuldenaar geen 'redelijke twijfel' over de inningsbevoegdheid kunnen bestaan, zoals bedoeld in art. 6:37 BW. Uitzonderingen zijn denkbaar.
In het arrest Haantjes/Damstra12 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een door een rechthebbende aan een derde gegeven last om een vordering in te stellen, in beginsel meebrengt dat de derde in eigen naam in rechte kan optreden. De lasthebber is niet gehouden in de dagvaarding of anderszins te vermelden dat hij ter behartiging van de belangen van een ander optreedt. Eerst indien het verweer van de wederpartij daartoe aanleiding geeft, zal de lasthebber dienen te stellen en zo nodig dienen te bewijzen dat hij uit hoofde van lastgeving bevoegd is in eigen naam ten behoeve van de rechthebbende op te treden.13 Deze uitspraak sluit aan op hetgeen in art. 3:71 lid 1 BW is bepaald (toegepast op een procederende gevolmachtigde, namelijk dat de gevolmachtigde zich op verzoek van de schuldenaar als gevolmachtigde dient te kunnen identificeren jegens de schuldenaar. Het arrest sluit ook aan bij de ratio van art. 3:94 lid 4 jo 3:98) BW op grond waarvan de nieuwe schuldeiser eveneens op verzoek van de schuldenaar zich jegens de schuldenaar als zodanig dient te kunnen legitimeren. Uit het arrest Haantjes/Damstra bovendien dat meer vereist is dan alleen een verzoek; voor het stellen en zo nodig bewijzen dat de lasthebber uit hoofde van lastgeving procesbevoegd is, zal het verweer van de schuldenaar aanleiding dienen te geven. Blijft een dergelijke verzoek of een dergelijk verweer achterwege, dan rust de verplichting niet op de gevolmachtigde en de nieuwe schuldeiser respectievelijk de lasthebber die in eigen naam procedeert.