Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/3.2.1.1
3.2.1.1 Het huidige recht van reclame
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS91008:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
TM, Parl. Gesch. Boek 7 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 277 en MvA II, Parl. Gesch. Boek 7 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 281-282; Asser/Hijma 7-I* 2013/599. Een voorbeeld is Rb. Amsterdam 8 november 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:8185. Zie ook hoofdstuk 2, paragraaf 2.3.3.2.
TM, Parl. Gesch. Boek 7 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 277. Schoordijk 1979, p. 543 geeft aan dat het recht van reclame al eeuwen in onze samenleving leeft en dat afschaffing niet begrepen zal worden door velen. Hij verwijst hierbij naar de dissertatie van Feenstra 1949, p. 98 e.v. die de historische ontwikkeling van het reclamerecht beschrijft. Zie ook Fikkers 1992, p. 88.
TM, Parl. Gesch. Boek 7 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 277; MvT, Parl. Gesch. Boek 7 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 278.
MvA II, Parl. Gesch. Boek 7 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 278.
Fikkers 1992, p. 9. Dit concludeert ook Dorhout Mees, Tijdschrift voor Privaatrecht, 1968, p. 420 op basis van een praktijkonderzoek naar het recht van reclame in het BW (oud).
Een eigen onderzoek naar alle gepubliceerde rechtspraak tussen 1 januari 1992 en 1 april 2018 op www.rechtspraak.nl met de zoekterm ‘art. 7:39 BW’ resulteert in zes uitspraken.
MvA II, Parl. Gesch. Boek 7 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 281; Brief van de Amsterdamse en Rotterdamse Kamers van Koophandel, in: MvA II, Parl. Gesch. Boek 7 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 278. Voorzichtig: Snijders & Rank-Berenschot 2017/323.
Verstijlen, TvP 2006/2, p. 1183.
Zie voor de mogelijkheid tot uitbreiding, hoofdstuk 7, paragraaf 7.2.1.1.
Zie bijvoorbeeld Rb. Almelo 20 april 2011, ECLI:NL:RBALM:2011:BQ2109.
Zie bijvoorbeeld Rb. Haarlem 1 december 2010, ECLI:NL:RBHAA:2010:BO8126; Hof Leeuwarden 18 oktober 2011, ECLI:NL:GHLEE:2011:BT7622.
De leverancier heeft op grond van art. 7:39 lid 1 BW gedurende een bepaalde termijn de bevoegdheid om de door hem geleverde zaken op te eisen indien de koper in gebreke is met de betaling van de koopprijs en hiermee aan de vereisten voor ontbinding is voldaan. Het inroepen van het recht van reclame leidt tot ontbinding van de koopovereenkomst. Daarnaast herkrijgt de leverancier de eigendom van de zaken.
Het resultaat is vergelijkbaar met de uitoefening van het eigendomsvoorbehoud in het Nederlandse recht. Het verschil met het eigendomsvoorbehoud is evenwel dat de leverancier het recht van reclame niet hoeft te bedingen. Dit recht komt hem van rechtswege toe. Dit was een belangrijke reden voor Meijers en de minister om het recht van reclame voor het huidige BW te behouden. Ook in de praktijk bleek behoefte te bestaan aan dit recht als een vangnet in situaties waarin de leverancier geen eigendomsvoorbehoud bedingt.1 Het recht werd in de praktijk gezien als ‘een welkom middel voor de verkoper om het geleverde onverwijld terug te krijgen, wanneer de koopprijs onbetaald blijft.’2 De verwachting van de wetgever was zelfs dat het inroepen van dit recht een vlucht zou nemen in vergelijking met het BW (oud).3 Deze verwachting was onder meer gebaseerd op een onderzoek van de wetgevingscommissie naar de behoefte aan het recht van reclame in de praktijk. In het kader van dit onderzoek gaven de Amsterdamse en Rotterdamse Kamer van Koophandel in hun gezamenlijke reactie aan dat er een ‘communis opinio’ bestaat in de praktijk om het recht van reclame te handhaven.4 Ook in de literatuur werd dit onderschreven.5 Andere redenen waren dat de terugwerkende kracht aan de ontbinding werd ontnomen en dat het verkopersprivilege geschrapt werd, waardoor de leverancier zonder eigendomsvoorbehoud nog slechts het recht van reclame ten dienste stond onder het BW van 1992. Uit de gepubliceerde rechtspraak van 1992 tot nu komt dit beeld echter niet naar voren. Er wordt zeer weinig over het recht van reclame geprocedeerd.6 Ook lijkt het recht van reclame minder relevant doordat de leverancier toch vaak een eigendomsvoorbehoud bedingt.7 Aan de principiële betekenis die de wetgever aan het recht van reclame toekent doet dit niet af.
De leverancier kan het recht van reclame uitoefenen als de koper in verzuim is met de betaling van de koopprijs. De koopovereenkomst wordt hierdoor ontbonden en de leverancier herkrijgt de eigendom van de zaken. Dit geldt ook als de zaken zijn doorverkocht aan een derde of bezwaard zijn met een zekerheidsrecht. De rechten van deze rechtsverkrijgers vervallen door uitoefening van het recht van reclame, zo bepaalt art. 7:39 lid 1 BW. Het recht van reclame heeft absolute werking jegens derden.8 Op deze wijze heeft het recht van reclame in het huidig BW dezelfde rechtsgevolgen als onder het BW (oud). Onder het oude recht herkreeg de leverancier namelijk de eigendom, omdat ontbinding zakelijke werking had.9
De leverancier kan het recht van reclame zowel buiten als tijdens het faillissement van de koper uitoefenen (art. 7:40 BW), mits de uitoefening plaatsvindt binnen zes weken nadat de koopprijsvordering opeisbaar is geworden of zestig dagen na aflevering van de zaken (art. 7:44 BW).10 Zijn beide termijnen verstreken, dan kan het recht van reclame niet meer worden uitgeoefend. Deze termijnen zijn relatief kort, omdat de wetgever met het recht van reclame beoogt om de leverancier die zaken levert zonder betalingstermijn11 of die kortlopend leverancierskrediet verstrekt12, te beschermen tegen de koper die de koopprijs niet betaalt. De termijnen hangen samen met de twee functies die het recht van reclame vervult. Deze twee functies kunnen worden afgeleid uit de ontwikkeling van dit recht onder het BW (oud) en huidig BW. Deze ontwikkeling zet ik hieronder uiteen.