Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/10.4.2
10.4.2 Overgang van de vordering
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS585955:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Is tussen de oude schuldeiser en de schuldenaar girale betaling overeengekomen, dan dient de nieuwe schuldeiser aan de schuldenaar zijn rekeningnummer te geven. Voldoet hij daar niet aan, dan leidt dat tot schuldeisersverzuim (art. 6:58 e.v. BW). Zie hiervóór nr. 99.
Anders ten aanzien van afstand om baat (subjectieve schuldvernieuwing), Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-11* 2009, nr. 335, waar staat dat bij subjectieve schuldvernieuwing hetzelfde geldt als bij ontbinding, namelijk dat de schuldenaar de bevoegdheid jegens de oude schuldeiser dient uit te oefenen, maar hij daarop jegens de nieuwe schuldeiser een beroep kan doen.
Zie T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 164. Vgl. HR 24 februari 1933, NJ 1933, p. 645.
Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-1* 2008, nr. 217-221 en 223-224.
Zie Van Achterberg 1999, nr. 16; Wibier 2009a, nr. 23; Asser/Mijnssen & De Haan 3-1 2006, nr. 281; Losbladige Verbintenissenrecht 2001 (A.I.M. van Mierlo), art. 6:145, aant. 16; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 271; Wiarda 1937, p. 200 e.v. en 219. Zie over art. 3:94 lid 4 BW hierna nr. 632.
Zie T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 164; en M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 166. Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-1* 2008, nr. 227-229.
Vgl. HR 10 juni 1988, NJ 1989, 30, m.nt. JBMV; Losbladige Verbintenissenrecht 2001 (A.I.M. van Mierlo), art. 6:145, aant. 18.
Zie ook hiervóór nr. 465.
Vgl. o.a. T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 164; Hof Arnhem 2 april 1974, NJ 1974, 507; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-1* 2008, nr. 225; Kalkman 1994, p. 822 e.v. Tot dezelfde uitkomst komt Aaftink 1974, p. 120, nt. 95.
Zie Wiarda 1937, p. 257 en 262-263.
574. De schuldenaar behoudt zijn hiervoor genoemde bevoegdheden ten aanzien van de vordering. Na de overgang van de vordering dient hij deze jegens zijn nieuwe schuldeiser uit te oefenen. Na de overgang van de vordering is de nieuwe schuldeiser uit hoofde van zijn schuldeiserschap immers als enige bevoegd om betalingen in ontvangst te nemen,1 verplicht om de kwitantie af te geven, bevoegd om afstand te doen, de vordering te wijzigen en toestemming te verlenen aan schuldoverneming, inbetalinggeving en betaling in gedeelten.2 Dienovereenkomstig dient de schuldenaar zíjn bevoegdheden ten aanzien van de vordering jegens zijn nieuwe schuldeiser uit te oefenen. De verweermiddelen die de schuldenaar hieraan ontleent, kan hij jegens de nieuwe schuldeiser inroepen.
575. Als de schuldenaar zijn bevoegdheden uitoefent jegens zijn oude schuldeiser, blijven zij in zijn verhouding tot zijn nieuwe schuldeiser in beginsel zonder rechtsgevolg.
Als de schuldenaar aan zijn oude schuldeiser betaalt, betaalt hij niet bevrijdend. Hij dient opnieuw aan zijn nieuwe schuldeiser te betalen. Hij kan het aan zijn oude schuldeiser betaalde terugvorderen op grond van onverschuldigde betaling (art. 6:203 e.v. BW). In uitzonderingsgevallen wordt een betaling aan de oude schuldeiser als bevrijdend aangemerkt.
Ten eerste, betaling aan een ander dan de schuldeiser of dan degene die met hem of in zijn plaats bevoegd is haar te ontvangen, bevrijdt de schuldenaar, voor zover degene aan wie betaald moest worden de betaling heeft bekrachtigd of erdoor is gebaat (art. 6:32 BW; vgl. art. 3:58 BW). Betaling aan de oude schuldeiser is derhalve bevrijdend, als de nieuwe schuldeiser de betaling heeft bekrachtigd of door de betaling is gebaat, hetgeen bijvoorbeeld het geval is als hij het ontvangene heeft doorbetaald gekregen van de oude schuldeiser.
Ten tweede, de schuldenaar die heeft betaald aan iemand die niet bevoegd was de betaling te ontvangen, kan aan degene aan wie betaald moest worden, tegenwerpen dat hij bevrijdend heeft betaald, indien hij op redelijke gronden heeft aangenomen dat de ontvanger der betaling als schuldeiser tot de prestatie gerechtigd was of dat uit anderen hoofde aan hem moest worden betaald (art. 6:34 lid 1 BW). Indien iemand zijn recht om betaling te vorderen verliest, in dier voege dat het met terugwerkende kracht aan een ander toekomt (bijvoorbeeld, door vernietiging), kan de schuldenaar een inmiddels gedane betaling aan die ander tegenwerpen, tenzij hetgeen hij omtrent dit verlies kon voorzien, hem van de betaling had behoren te weerhouden (art. 6:34 lid 2 BW).3 Betaling aan de oude schuldeiser is derhalve bevrijdend, als de schuldenaar op redelijke gronden heeft aangenomen dat hij nog steeds aan zijn schuldeiser betaalde. Hiervan is sprake als hij niet wist en ook niet behoorde te weten dat de vordering was overgegaan. Bijvoorbeeld, de vordering is van rechtswege overgegaan en de oude schuldeiser en de nieuwe schuldeiser hebben daarvan geen mededeling gedaan aan de schuldenaar, die evenmin van de overgang behoorde te weten.4
Heeft de oude schuldeiser mededeling gedaan als bedoeld in art. 3:94 lid 1 BW, dan kan de schuldenaar zonder nader onderzoek bevrijdend betalen aan de gene die door de oude schuldeiser als de nieuwe schuldeiser is aangewezen. Dit lijdt uitzondering als de schuldenaar bijvoorbeeld weet dat de overeenkomst tot overdracht blootstaat aan vernietiging. Doet de nieuwe schuldeiser mededeling zoals bedoeld in art. 3:94 lid 1 BW, dan dient de schuldenaar afhankelijk van de omstandigheden van het geval onderzoek in te stellen om vast te stellen of degene die zich presenteert als zijn nieuwe schuldeiser dat ook daadwerkelijk is. De schuldenaar zal bijvoorbeeld een beroep dienen te doen op art. 3:94 lid 4 BW.5
576. Blijkens de parlementaire geschiedenis is het aan de schuldenaar om te bepalen of hij zich op deze beschermingsbepalingen wil beroepen. Doet hij dat niet, dan dient hij opnieuw te betalen aan zijn daadwerkelijke schuldeiser, en kan hij het reeds aan de derde betaalde als onverschuldigd terugvorderen. Beroept hij zich wel op de bescherming, dan heeft hij bevrijdend betaald.6
577. Ook voor de andere rechtshandelingen, zoals schuldwijziging en afstand van recht, geldt dat zij in beginsel alleen rechtsgevolg hebben als de schuldenaar zijn bevoegdheden jegens de nieuwe schuldeiser uitoefent. Alleen de nieuwe schuldeiser is bevoegd tot het verrichten van deze (meerzijdige) rechtshandelingen. De schuldenaar kan alleen met hem bijvoorbeeld een beding tot uitsluiting of vermindering van aansprakelijkheid overeenkomen.7 Verricht de schuldenaar de rechtshandelingen met de oude, onbevoegde schuldeiser, dan blijven zij in beginsel zonder rechtsgevolg.8
Art. 6:34 BW leent zich voor overeenkomstige toepassing op deze rechtshandelingen, zoals kwijtschelding, schuldvernieuwing en inbetalinggeving.9 Hetzelfde geldt naar mijn mening voor art. 6:32 BW als aan de in die bepaling gestelde voorwaarden is voldaan. Het is met name denkbaar dat de nieuwe schuldeiser de rechtshandeling zou kunnen bekrachtigen. Zijn bevoegdheid daartoe volgt ook uit art. 3:58 BW. Is de nieuwe schuldeiser gebaat door een inbetalinggeving aan de oude schuldeiser, dan is de betaling aan de oude schuldeiser alleen bevrijdend als de nieuwe schuldeiser ook zijn toestemming had gegeven aan de inbetalinggeving als zodanig.
578. De bevoegdheid om aan de schuldeiser die een vreemdeling is, te verzoeken om zekerheid te stellen (art. 224 Rv), kan ontstaan of komen te vervallen, als de oude schuldeiser geen vreemdeling was, maar de nieuwe schuldeiser dat wel is, en omgekeerd.10 De toekenning van de bevoegdheid dient ter compensatie van een bepaalde kwaliteit van de schuldeiser. De overgang van een vordering leidt in beide gevallen weliswaar tot een juridische verandering, maar zou over de gehele linie, juist omdat de bevoegdheid ter compensatie dient, niet tot een verslechtering of verbetering van de positie van de schuldenaar moeten leiden.