NJ 1933, p. 645
Invloed van de legitieme op het recht van inbezitneming van testamentair-executeurs. Betaling te goeder trouw (art. 1422 B. W.) bij opvordering banksaldo erflater door executeurs.
HR 24-02-1933, ECLI:NL:HR:1933:370, m.nt. Prof. E.M. Meijers
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
24 februari 1933
- Magistraten
Mrs. Fentener van Vlissingen, Visser, van den Dries, van Gelein Vitringa, Kranenburg.
- Zaaknummer
[241933/NJ_1933,_p._645]
- Conclusie
Mr. Berger
- Noot
Prof. E.M. Meijers
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS103679:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1933:370, Uitspraak, Hoge Raad, 24‑02‑1933
- Wetingang
(BW art. 960, 1054, 1422.)
Essentie
Invloed van de legitieme op het recht van inbezitneming van testamentair-executeurs. Betaling te goeder trouw (art. 1422 B. W.) bij opvordering banksaldo erflater door executeurs.
Samenvatting
Het recht tot inbezitneming is onderhevig aan de beperking, welke uit de wettelijke regeling omtrent het wettelijk erfdeel toekomt.
Wanneer niet blijkt, dat de legitimarissen met de uitkeering van het banksaldo aan executeuren genoegen nemen, kan ook geen sprake zijn van betaling te goeder trouw door de Bank (art. 1422 B. W.), wanneer deze weet, dat er legitimarissen zijn.
Partij(en)
I. A. M. Bünker, wonende te Amsterdam, c.s., in hunne ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.