Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/7.1.3
7.1.3 Aandachtspunten, aanbevelingen en suggesties voor onderzoekers
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS457873:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Cursief in origineel.
Cursief in origineel.
Bij mijn weten heeft de Ondernemingskamer tot op heden hierom nog niet verzocht.
De bij dit Aandachtspunt opgenomen voetnoot luidt als volgt: “Artikel 6 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strekt tot waarborging van een eerlijk proces en bepaalt onder meer “bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld”.”
De in het origineel voorkomende voetnoot verwijst naar EHRM 19 maart 2002, JOR 2002/127,m.nt. H.J. de Kluiver (Text Lite Holding).
Het is maar de vraag of de onderzoekers dit wel in hun macht hebben. Zij hebben wel inzicht in de administratie van de rechtspersoon, maar beschikken hier niet over. Zie hierover Hermans 2013,p. 483 en § 7.6.9.4.
Deze Aandachtspunten heb ik besproken in § 6.3.3 en 6.7.3 (raadpleging van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de rechtspersoon en van een nauw verbonden rechtspersoon), § 6.4.3 (het verstrekken van inlichtingen), § 6.5.3 (bevel tot medewerking) en § 6.6.3 (het horen van personen als getuigen).
Dit Aandachtspunt heb ik besproken in § 5.1.3.
Voor een beschrijving van deze Aandachtspunten verwijs ik naar § 10.1.3.
In de considerans onder E formuleert de Ondernemingskamer de algemene norm die de onderzoekers bij de uitvoering van het onderzoek moeten hanteren. De onderzoeker verricht zijn werkzaamheden in alle stadia van het onderzoek – vanaf de aanvaarding van de opdracht tot en met de deponering van het verslag – naar de maatstaf van hetgeen in de gegeven omstandigheden van een bekwaam en redelijk handelend onderzoeker mag worden verwacht.1 Wat dat in de praktijk betekent, kan niet in zijn algemeenheid worden gezegd. Ieder onderzoek is anders en verdient maatwerk. De aanpak zal steeds afhankelijk zijn van de concrete omstandigheden, van de aard van de rechtspersoon (betreft het bijvoorbeeld een beursfonds of een besloten verhouding), van de omvang en noodzakelijke diepgang van het onderzoek en van de betrokken belangen. In de considerans onder F werkt de Ondernemingskamer dit uitgangspunt uit: de Ondernemingskamer biedt in de Aandachtspunten een – niet- uitputtend – overzicht van wat de onder E vermelde algemene norm tezamen met de betrokken wettelijke bepalingen, jurisprudentie en overige rechtsregels voor het onderzoek kan meebrengen. Dit zijn geen regels of voorschriften maar uitsluitend aandachtspunten voor de onderzoeker, met enkele aanbevelingen of suggesties hoe te handelen.2 Het kan zeer wel voorkomen dat de onderzoeker afwijkt en ook dient af te wijken van de suggesties in de Aandachtspunten. De considerans onder H wijst erop dat de secretarissen van de Ondernemingskamer voor vragen van de onderzoeker bereikbaar zijn.
Paragraaf 3 van de Aandachtpunten heeft als titel: “Positie onderzoeker, inrichting en uitvoering van het onderzoek”. Aandachtspunt 3.1 herhaalt in wezen wat ook al in de considerans onder E staat, namelijk dat voor het handelen van de onderzoeker steeds bepalend is hetgeen in de gegeven omstandigheden van een bekwaam en redelijk handelend onderzoeker mag worden verwacht.
Aandachtspunt 3.2 wijst erop dat de onderzoeker – met inachtneming van voormelde norm – vrij is in de uitvoering van de hem opgedragen taken. Hij richt het onderzoek naar eigen inzicht in. Hij verricht zijn werkzaamheden in volstrekte onafhankelijkheid en onpartijdigheid en in openheid over zijn hoedanigheid. Hij verricht zijn werkzaamheden met voortvarendheid. In de toelichting staat dat de onderzoeker in ieder geval zijn hoedanigheid bekendmaakt indien hij een persoon in het kader van het onderzoek hoort.
Aandachtspunt 3.3 herhaalt in iets andere bewoordingen het bepaalde in artikel 2:351 lid 3 BW: het is de onderzoeker verboden hetgeen hem bij zijn onderzoek blijkt, verder bekend te maken dan zijn opdracht met zich brengt.
Aandachtspunt 3.4 bepaalt dat de Ondernemingskamer kan bepalen dat de onderzoeker een plan van aanpak en/of een begroting als bedoeld in Aandachtspunt 5.1 opstelt. In dat geval stuurt de onderzoeker het plan van aanpak en/of de begroting aan de Ondernemingskamer en de betrokken partijen.3
Aandachtspunt 3.5 bepaalt dat hoewel artikel 6 EVRM4 niet van toepassing is op het onderzoek,5 van de onderzoeker mag worden verwacht dat hij het beginsel van hoor en wederhoor als leidraad aanhoudt. De toelichting geeft aan dat daarbij onder meer kan worden gedacht aan:
het presenteren van de onderzoeksopzet aan de indieners van het enquêteverzoek, de te onderzoeken rechtsperso(o)n(en) en (bepaalde) belanghebbende(n); het rekening houden met eventueel hierover gemaakte opmerkingen; het eventueel nader informeren van de bedoelde personen over wijzigingen in de onderzoeksopzet en nadere stappen;
het – na tijdige aankondiging – horen van partijen en overige betrokkenen over het onderwerp van onderzoek en/of bepaalde gedeelten daarvan;
het (doen) maken van een verslag van voor het onderzoeksverslag bepalende gesprekken met gehoorde personen, het voorleggen van die verslagen aan die personen en het rekening houden met eventueel gemaakte opmerkingen;
het rekening houden met eventuele voorstellen tot het horen van bepaalde personen en tot het raadplegen van bepaalde documenten;
het verlenen van toegang tot de administratie van de vennootschap aan degenen die gedurende het tijdvak waarop het onderzoek betrekking heeft deel uitmaakten van het bestuur of de raad van commissarissen of anderszins daarbij een rol hebben gespeeld, voor zover dit nodig is in het belang van het onderzoek met het oog op het beginsel van hoor en wederhoor. Er kunnen zich feiten en omstandigheden voordoen op grond waarvan de onderzoeker besluit dat inzage in de relevante stukken niet wenselijk is (denk bijvoorbeeld aan koersgevoelige informatie).6
Of en in welke mate deze suggesties van toepassing zijn, hangt onder meer af van de aard van de rechtspersoon, de te onderzoeken onderwerpen, de omvang en gewenste diepgang van het onderzoek en de (aard en gevoeligheid van) (bepaalde) bevindingen. In ieder geval stelt de onderzoeker degenen die in het verslag worden genoemd in de gelegenheid om opmerkingen te maken ten aanzien van wezenlijke bevindingen die op henzelf betrekking hebben (artikel 2:351 lid 4 BW).
De Aandachtspunten 3.6-3.9 hebben betrekking op de bevoegdheden die de onderzoekers hebben.7
Aandachtspunt 3.10 bepaalt dat de onderzoeker indien hij dit, mede gelet op de daarmee gemoeide kosten, voor de juiste uitoefening van het onderzoek in redelijkheid nodig acht – bijvoorbeeld indien hij een bepaalde, voor het onderzoek noodzakelijke deskundigheid ontbeert – zich kan laten bijstaan door een of meer personen. De hiermee gemoeide kosten komen ten laste van het onderzoeksbudget.
Aandachtspunt 3.11 heeft betrekking op de situatie dat de onderzoekers proberen een minnelijke regeling te bereiken.8
Paragraaf 4 van de Aandachtspunten heeft als titel: “Onderzoeksverslag”. Deze Aandachtspunten zijn gedeeltelijk van belang voor het onderzoek zelf. Aandachtspunt 4.3 heeft betrekking op bij het verslag te voegen bijlagen, zoals gespreksverslagen en schriftelijke stukken waaraan wezenlijke bevindingen zijn ontleend. Uit Aandachtspunt 4.5 blijkt dat de onderzoekers oordelen, meningen en conclusies mogen geven en aanbevelingen mogen doen.9