Einde inhoudsopgave
Sanctieregeling terrorisme 2002
Artikel 1
Geldend
Geldend vanaf 08-04-2026
- Bronpublicatie:
30-03-2026, Stcrt. 2026, 13031 (uitgifte: 07-04-2026, regelingnummer: BZ2626432)
- Inwerkingtreding
08-04-2026
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
30-03-2026, Stcrt. 2026, 13031 (uitgifte: 07-04-2026, regelingnummer: BZ2626432)
- Vakgebied(en)
Vervoersrecht / Algemeen
Staatsrecht / Bijzondere onderwerpen
Douane (V)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Internationaal strafrecht / Bijzondere onderwerpen
Internationaal publiekrecht / Bijzondere onderwerpen
1.
Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 2, eerste en tweede lid, 3, eerste lid, 4, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van de Europese Unie van 27 december 2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme (PbEG L 344).
2.
Het verbod te handelen in strijd met de artikelen 2, eerste en tweede lid, 3, eerste lid, 4, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2580/2001 is niet van toepassing in geval toepassing is gegeven aan artikel 2 bis, eerste lid, artikel 2 ter, eerste lid, artikel 2 quater, eerste lid, artikel 5 eerste of tweede lid of artikel 6, eerste of tweede lid, van de verordening.
3.
De bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 2 bis, eerste lid, 2 ter, eerste lid, 2 quater, eerste lid, en 6, tweede en derde lid, van Verordening (EG) 2580/2001, is de Minister van Financiën dan wel de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking elk voor het gebied waartoe hun competentie zich uitstrekt.
4.
De bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 4 en 5 van Verordening (EG) 2580/2001, is de Minister van Financiën, met dien verstande dat instellingen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder a, c e tot en met j en, voor zover het een bank of elektronischgeldinstelling betreft die cryptoactivadiensten aanbiedt, l, van de Sanctiewet 1977 de informatie, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van Verordening (EG) 2580/2001 verstrekken aan De Nederlandsche Bank en instellingen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder b, d, k en, voor zover het een andere instelling betreft dan een bank of elektronischgeldinstelling die cryptoactivadiensten aanbiedt, l, van de Sanctiewet 1977 de informatie, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van Verordening (EG) 2580/2001 verstrekken aan de Autoriteit Financiële Markten. De Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten zijn ten behoeve van de uitvoering van voornoemd artikel 4 bevoegd de ontvangen informatie aan de Minister van Financiën te verstrekken.