Einde inhoudsopgave
Verordening (EG) Nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme
Artikel 6
Geldend
Geldend vanaf 27-02-2026
- Bronpublicatie:
26-02-2026, PbEU L 2026, 2026/456 (uitgifte: 26-02-2026, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
27-02-2026
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
26-02-2026, PbEU L 2026, 2026/456 (uitgifte: 26-02-2026, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
Openbare orde en veiligheid / Terrorismebestrijding
1.
Artikel 2, leden 1 en 2, is niet van toepassing op de terbeschikkingstelling van tegoeden of economische middelen die noodzakelijk zijn voor de tijdige verlening van humanitaire bijstand of voor de ondersteuning van andere activiteiten die beantwoorden aan elementaire menselijke behoeften, indien dergelijke bijstand en andere activiteiten worden uitgevoerd door:
- a)
de Verenigde Naties (VN), met inbegrip van de programma's, fondsen en andere entiteiten en organen daarvan, alsook de gespecialiseerde agentschappen en aanverwante organisaties daarvan;
- b)
internationale organisaties;
- c)
humanitaire organisaties met de status van waarnemer bij de Algemene Vergadering van de VN en leden van die humanitaire organisaties;
- d)
bilateraal of multilateraal gefinancierde niet-gouvernementele organisaties die deelnemen aan humanitaire responsplannen van de VN, de VN-responsplannen voor vluchtelingen, andere oproepen van de VN of humanitaire clusters die worden gecoördineerd door het VN-Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Aangelegenheden;
- e)
organisaties en agentschappen waaraan de Unie het certificaat van humanitair partnerschap heeft verleend of die door een lidstaat overeenkomstig nationale procedures gecertificeerd of erkend zijn;
- f)
gespecialiseerde agentschappen van de lidstaten;
- g)
werknemers, begunstigden, ondergeschikte organen of uitvoerende partners van de in de punten a) tot en met f) genoemde entiteiten terwijl en voor zover zij in die hoedanigheid handelen.
2.
Onverminderd lid 1 kunnen de bevoegde autoriteiten in afwijking van artikel 2, leden 1 en 2, onder door hen passend geachte voorwaarden toestemming verlenen voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen, of voor de terbeschikkingstelling van bepaalde tegoeden of economische middelen, nadat zij hebben vastgesteld dat het verstrekken van die tegoeden of economische middelen noodzakelijk is voor de tijdige verlening van humanitaire bijstand of voor de ondersteuning van andere activiteiten die beantwoorden aan elementaire menselijke behoeften.
3.
Indien de relevante bevoegde autoriteit binnen vijf werkdagen na ontvangst van een verzoek om toestemming krachtens lid 2 geen negatief besluit heeft genomen, geen verzoek om informatie heeft ingediend of niet heeft laten weten meer tijd nodig te hebben, wordt die toestemming geacht te zijn verleend.
4.
De betrokken lidstaat stelt de andere lidstaten en de Commissie in kennis van elke krachtens lid 2 verleende toestemming, binnen vier weken na het verlenen van die toestemming.
5.
De leden 1 en 2 worden ten minste om de 24 maanden, of op dringend verzoek van een lidstaat, van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, of van de Commissie na een ingrijpende verandering in de omstandigheden, geëvalueerd.
6.
Lid 1 is van toepassing tot en met 22 februari 2027.