HR, 20-12-1989, nr. 26 062
ECLI:NL:HR:1989:ZC4185
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
20-12-1989
- Zaaknummer
26 062
- LJN
ZC4185
- Vakgebied(en)
Schenk- en erfbelasting (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1989:ZC4185, Uitspraak, Hoge Raad, 20‑12‑1989; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1989:15
ECLI:NL:PHR:1989:15, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 03‑05‑1989
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1989:ZC4185
- Wetingang
art. 33 Successiewet 1956
- Vindplaatsen
BNB 1990/69 met annotatie van G. Laeijendecker
WFR 1990/84, 1
FutD 1990-0003
Uitspraak 20‑12‑1989
Inhoudsindicatie
Successiewet. Voldoening aan een verplichting berustende op de voorschriften van de moraal of het fatsoen.
Hoge Raad der Nederlanden
derde kamer
nr. 26.062
20 december 1989
TB
ARREST
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 11 april 1988 betreffende de ter zake van na te melden schenking opgelegde aanslag in het recht van schenking.
1. Aanslag en bezwaar.
Ter zake van een schenking aan [A] is een aanslag in het recht van schenking opgelegd naar een verkrijging van f 145.726,-- , tot een bedrag van f 86.741,35 waarin begrepen een verhoging na kwijtschelding van f 17.348, 27, welke aanslag, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
2. Geding voor het Hof.
Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft als vaststaande aangemerkt:
Belanghebbende, geboren op [geboortedatum] 1914, trad op […] 1960 in het huwelijk met [A]. Dit huwelijk werd op 12 april 1979 door echtscheiding ontbonden. Reeds voor de datum van echtscheiding woonden de echtgenoten feitelijk gescheiden. Gedurende de periode van feitelijk gescheiden leven ontving [A] van belanghebbende een toelage voor nagenoeg haar gehele levensonderhoud. Op 12 april 1979 heeft belanghebbende ter afkoop van de voorziening in het levensonderhoud van [A] een levenslang recht van vruchtgebruik gevestigd op een deel van zijn in België gelegen onroerende goederen. [A], die in Israël woonde, wendde een gedeelte van de haar op deze wijze toevloeiende inkomsten aan voor het doen van uitkeringen ter voorziening in het levensonderhoud van haar, op 12 juli 1901 geboren, moeder [A], woonachtig in een huurflat in Israël. De enige broer van [A], eveneens in Israël woonachtig, was niet in staat zijn moeder financieel te steunen. [A] had verder geen kinderen.
Blijkens een verklaring d.d. 16 februari 1984 van [A] bedroeg de maandelijkse uitkering van haar aan haar moeder U.S. $ 1.000, -- vanaf januari 1979, geleidelijk oplopend tot U.S. $ 1.500, -- in november 1983.
Omstreeks 1983/1984 werd [A] ongeneeslijk ziek. Op 12 maart 1984 is zij in Amsterdam overleden. Op deze datum eindigden de door [A] aan haar moeder gedane uitkeringen.
Na het overlijden van [A] heeft belanghebbende de betaling van de uitkeringen voor het levensonderhoud aan [A] voortgezet.
Bij akte, die de aanduiding "Conversion" draagt en die op 12 juli 1984 ten overstaan van de gemachtigde is verleden, heeft belanghebbende verklaard de op hem drukkende morele verplichting tot voorziening in het levensonderhoud van [A] te wijzigen in een wettelijk afdwingbare verplichting tot betaling aan [A] van een jaarlijkse toelage ten bedrage van Bfr. 600.000, -- te betalen in vier gelijke kwartaaltermijnen ad Bfr. 150.000, --.
In de akte is voorts overeengekomen dat de verplichting voor belanghebbende om in het levensonderhoud van [A] bij te dragen zal vervallen bij haar overlijden of bij dat van belanghebbende.
Naar aanleiding van de registratie van de akte heeft de inspecteur belanghebbende verzocht aangifte voor het recht van schenking te doen, aan welk verzoek niet is voldaan. Vervolgens is met dagtekening 30 januari 1985 ambtshalve de in het geding zijnde aanslag opgelegd.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag stellende dat sprake was van de voldoening aan een verplichting welke uitsluitend berustte op de voorschriften van moraal en fatsoen en dat derhalve de vrijstelling van artikel 33, lid 1, sub 12, van de Successiewet 1956 (de Wet) van toepassing was. Op 28 augustus 1986 is ter inspectie een aangifte ingekomen; deze is aangemerkt als een bijlage bij het bezwaarschrift.
Het Hof heeft omtrent het geschil en de standpunten van partijen vermeld:
Tussen partijen is in geschil of:
- er sprake is van een schenking
- of de eventuele schenking is vrijgesteld op grond van het bepaalde in artikel 33, lid 1, 12e van de Wet
- of belanghebbende aangifte had moeten doen van de schenking
- of de inspecteur terecht ambtshalve een aanslag heeft opgelegd
- of de aanslag terecht met een verhoging is opgelegd.
Voor het standpunt van partijen wordt verwezen naar hetgeen dienaangaande in de gedingstukken is vermeld.
Ter zitting hebben partijen, zakelijk weergegeven, hieraan nog het volgende toegevoegd :
belanghebbende:
Mevrouw [A] had de - thans bij de pleitnota overgelegde - verklaring enige weken voor haar overlijden op verzoek van belanghebbende geschreven. Naar aanleiding van haar aan belanghebbende gedane verzoek haar moeder te ondersteunen, wilde belanghebbende namelijk precies weten om welke bedragen het ging. Belanghebbende had geen enkel contact meer met zijn ex- schoonmoeder.
Belanghebbendes stelling houdt in de eerste plaats in dat de omzetting geen schenking is, ook niet in de zin van de Wet. Maar als er wel een schenking is, is belanghebbende in de tweede plaats van mening dat deze valt onder de vrijstelling van artikel 33, lid 1, sub 12, van de Wet.
De ex-echtgenote van belanghebbende had - voor zover bekend - geen vermogen. Indien dit wel het geval was geweest, zou het onder andere door haar moeder zijn geërfd en zou het verzoek aan belanghebbende nooit zijn gedaan. Belanghebbendes vermogen is moeilijk te schatten. De familie-aandelen zijn ondergebracht in een stichting. Zijn privévermogen beloopt in ieder geval een aantal miljoenen guldens. Belanghebbende heeft geen kinderen. De broer van belanghebbendes ex-echtgenote vond het een onzekere situatie en drong op de vastlegging aan.
Gelet op de leeftijd en het vermogen van [A] is in de akte geen enkel voorbehoud opgenomen met betrekking tot een mogelijke wijziging van haar situatie.
Er is geen sprake van een bevoordelings-bedoeling indien men iemand helpt in zijn of haar onderhoud te voorzien.
De omstandigheid dat geen aangifte is gedaan is hiertoe te herleiden dat het voor de gemachtigde onduidelijk was waar de Inspecteur de schenking zag. Indien duidelijk was geweest dat de Inspecteur het voldoen van de uitkeringen als een schenking zag, zouden aangifte en beroep op de vrijstelling inderdaad nodig zijn geweest. Naar de mening van de gemachtigde was er geen schenking, zodat aangifte ook niet nodig was.
de Inspecteur:
Het neerleggen van de omzetting in de akte is niet als een schenking beschouwd, maar wel wat inhoudelijk in de akte voorkomt: de periodieke jaarlijkse uitkering. Om die reden is om indiening van een aangifte gevraagd.
Als er al een natuurlijke verbintenis was, had die niet omgezet behoeven te worden. In alle stukken van belanghebbende werd beroep gedaan op een morele verplichting: dan is er dus een schenking waarvoor een beroep op een vrijstelling zou moeten worden gedaan. Ter zitting gaat de gemachtigde er echter van uit dat er geen schenking is en dat de omzetting evenmin een schenking is.
In de wetsgeschiedenis is de kwestie onderhoudsverplichtingen jegens ex-schoonouders niet aan de orde geweest. Er waren kennelijk geen argumenten voor.
Een band tussen schenker en onderhoudsgerechtigde is wel van belang voor een beroep op de vrijstelling.
Het feit dat de aanslag met verhoging is vastgesteld, vloeit voort uit hetgeen aan de regeling ervan voorafging. Er is een aantal keren verzocht aangifte in te dienen; dit werd steeds op de lange baan geschoven. Uiteindelijk is er een limiet gesteld en toen deze verstreken was, is ambtshalve een
aanslag opgelegd. Het beleid is dat alsdan tevens een boete wordt opgelegd. Zonder de aangifte kan niet beoordeeld worden of de inspecteur over alle gegevens beschikt. Bij de aangifte kan men een beroep doen op vrijstelling; dit kan de inspecteur dan beoordelen.
Het Hof heeft omtrent het geschil overwogen:
5.1. Belanghebbende is van mening dat op hem na het overlijden van zijn voormalige echtgenote een niet in rechte vorderbare verplichting rustte tot voorziening in het levensonderhoud van zijn voormalige schoonmoeder.
5.2. Ingevolge artikel 1, tweede lid, eerste zin, van de Wet wordt voor haar toepassing onder schenking onder meer verstaan elke voldoening aan zulk een in rechte niet vorderbare verplichting.
5.3. Onder zodanige voldoening moet worden verstaan zowel het in feite, bij voorbeeld door middel van overmaking van gelden, van jaar tot jaar voldoen aan zulk een verplichting als het eenmalig omzetten (converteren) van zulk een verplichting in een rechtens afdwingbare, welk laatste blijkens de onder de feiten genoemde akte van 12 juli 1984 is geschied.
5.4. Aldus, naar de bewoordingen der Wet, tot schenkingen bestempelde handelingen zijn, naar luid van artikel 33, eerste lid, onder 12, van de Wet van recht van schenking vrijgesteld, indien en voor zover hetgeen daaruit wordt verkregen heeft gestrekt - voor zover te dezen van belang - tot voldoening aan een verplichting welke enkel berust op de voorschriften van de moraal of het fatsoen.
5.5. Van een zodanige verplichting uit de moraal of het fatsoen is sprake indien de omstandigheden van het geval en de verhouding van de daarbij betrokken personen nakoming van die verplichting zo dringend maken dat degene ten opzichte van wie de verplichting bestaat, deze nakoming mag beschouwen als een hem toekomende prestatie.
5.6. De omstandigheid dat belanghebbende ingevolge een verzoek van zijn voormalige echtgenote de verplichting jegens zijn voormalige schoonmoeder op zich heeft genomen kan niet leiden tot de gevolgtrekking dat de laatstgenoemde de nakoming daarvan als een haar toekomende prestatie mocht beschouwen, nu toch tussen belanghebbende en zijn voormalige schoonmoeder geen familierechtelijke betrekkingen meer bestonden en belanghebbende jegens haar niet tot voorziening in het levensonderhoud was gehouden, nu voorts de gehoudenis van belanghebbendes voormalige echtgenote tot voorziening in dat onderhoud door de dood van die voormalige echtgenote was geëindigd en nu ten slotte aannemelijk is dat belanghebbende uitsluitend op grond van de goede verstandhouding met zijn voormalige echtgenote en niet op grond van zijn betrekkingen tot zijn voormalige schoonmoeder aan het vorenbedoelde verzoek heeft voldaan.
5.7. Op grond van al het vorenoverwogene is de in de akte van 12 juli 1984 geconstateerde rechtshandeling aan het recht van schenking onderworpen.
5.8. Op een rechtshandeling die, zoals in casu, plaats vond in 1984 en die aan het recht van schenking is onderworpen zijn, ingevolge artikel VI, tweede lid, van de Wet van 18 november 1984, Staatsblad 535, van toepassing de bepalingen van de Wet, zoals die luidden vóór 1 januari 1985.
5.9. Op grond van de artikelen 46, tweede lid, en 47, eerste lid, van de Wet, zoals die luidden vóór 1 januari 1985 had belanghebbende van de in de akte van 12 juli 1984 vervatte rechtshandeling aangifte voor het recht van schenking behoren te doen en nu dit- binnen de daarvoor gestelde termijn - achterwege was gebleven, heeft de Inspecteur op grond van het met ingang van 1 januari 1985 vervallen maar ingevolge artikel VI voormeld nog van toepassing zijnde artikel 51 der Wet terecht ambtshalve een aanslag opgelegd.
5.10. De Inspecteur heeft aan belanghebbende en zijn gemachtigde ruimschoots de gelegenheid geboden om aangifte te doen. Nu belanghebbende zijn wettelijke verplichting geen aangifte heeft gedaan en hij kon beschikken over de deskundigheid van zijn gemachtigde en derhalve geacht moet worden op de hoogte te zijn geweest met zijn verplichtingen, moet worden geoordeeld dat aan het aan opzet of grove schuld van belanghebbende te wijten is dat te weinig belasting is geheven.
5.11. Het namens belanghebbende ingediende beroepschrift concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur, alsmede tot vernietiging van de aanslag met inbegrip van de verhoging. Het Hof begrijpt dit aldus dat het beroep is gericht tegen de uitspraak waarbij zowel de aanslag zelf als de in de aanslag begrepen boete, voor zover deze niet is kwijtgescholden, zijn gehandhaafd. Het beroepschrift is naar het Hof tevens verstaat mede gericht tegen het besluit om de boete niet verder kwijt te schelden dan tot op 25 procent.
5.12. Gelet op de aard van het verzuim, de hoogte van het belastingbedrag en de bijzondere omstandigheden van het geval, is het Hof van oordeel dat de verhoging in casu moet worden beperkt tot een bedrag van f 1.000, -- , overeenkomstig hetgeen is bepaald in artikel 9, lid 3, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, zoals dat met ingang van het jaar 1985 voor de heffing van schenkingsrecht geldt.
Op deze gronden heeft het Hof de uitspraak en het kwijtscheldingsbesluit van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot een bedrag van f 69.393,08 aan belasting en f 1.000, -- aan verhoging.
3. Geding in cassatie.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij de volgende klachten aangevoerd:
De uitspraak van het Gerechtshof is gegeven op het beroep tegen de aan belanghebbende door de Inspecteur der registratie en successie te Utrecht onder artikel successie 8 nr. 850104 opgelegde aanslag Schenkingsrecht.
Belanghebbende is van oordeel, dat de bedoelde uitspraak van het Gerechtshof niet in stand kan blijven zulks wegens schending en/of verkeerde toepassing van het recht met name van artikel 33 Successiewet 1956 alsmede van artikel 17 Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
1. Het Hof concludeert in punt 5.7 van zijn uitspraak dat "op grond van al het vorenoverwogene is de in de akte van 12 juli 1984 geconstateerde rechtshandeling aan het recht van schenking onderworpen".
Niet duidelijk uit vorenstaande conclusie is welke rechtshandeling door het Hof is beoogd.
In samenhang met het door het Hof onder punt 5.3 van zijn uitspraak gestelde zou daarmede de conversie van de natuurlijke verbintenis in een rechtens afdwingbare verplichting mede bedoeld kunnen zijn.
Anderzijds zou het mogelijk zijn dat met de "geconstateerde rechtshandeling" wordt gedoeld op de periodieke voldoening van de natuurlijke verbintenis, doch zulks lijkt niet juist nu in de bewuste akte van 12 juli 1984 die voldoening aan de natuurlijke verbintenis op zich niet wordt genoemd.
Daarmede heeft het Hof niet duidelijk gemaakt welke handeling als schenking is aangemerkt, en is derhalve de uitspraak niet met redenen omkleed en zoal een keuze door het Hof zou zijn gemaakt, is die keuze niet gemotiveerd,
2. Het vorenstaande klemt temeer nu de Inspecteur bij de mondelinge behandeling van het beroep van belanghebbende uitdrukkelijk heeft verklaard. niet de omzetting van de natuurlijke verbintenis in een rechtens afdwingbare verplichting te hebben belast doch als schenking aan te merken de
feitelijke betaling van de onderhoudsuitkeringen.
3. Onjuist is het oordeel van het Hof dat de rechtshandeling (te weten de omzetting) een schenkingshandeling inhoudt. Immers de omzetting voldoet niet aan de vereisten die het Nederlandse recht aan de schenking stelt; aan de omzetting ligt vrijgevendheid noch bevoordelingsbedoeling ten grondslag.
4. In het geval het Hof met de "geconstateerde rechtshandeling" gedoeld zou hebben op de voldoening door belanghebbende van een maandelijkse onderhoudsuitkering aan de moeder van zijn vroegere echtgenote dan is zulks onjuist indien het Hof daaraan de conclusie verbindt dat die voldoening een belaste schenking zou zijn.
Artikel 33, lid 1, sub 12 van de Successiewet 1956 zondert juist uit die bij fictie aangemerkte schenkingen indien en voor zover het betreft de voldoening van een verplichting welke enkel berust op de voorschriften van moraal en fatsoen.
Onjuist is het oordeel van het Hof dat nu tussen belanghebbende en de moeder van zijn vroegere echtgenote geen familierechtelijke betrekkingen meer bestonden, deswege geen natuurlijke verbintenis zou bestaan tot overname van de onderhoudsverplichting casu quo het doen van onderhoudsuitkeringen. Weliswaar bepaalt artikel 396 Boek I Burgerlijk Wetboek dat de verplichting van behuwdkinderen tot het verstrekken van onderhoud aan schoonouders vervalt, wanneer het huwelijk van het behuwdkind is ontbonden.
Zulks sluit niet uit dat juist sprake kan zijn van een natuurlijke verbintenis.
Het Hof heeft daarbij voorbij gezien aan de omstandigheid dat in feite een bestaande onderhoudsverplichting is bestendigd; immers voorheen werd het onderhoud van de desbetreffende gefinancierd uit de alimentatie-uitkering door belanghebbende aan zijn vroegere echtgenote.
Uit dien hoofde mocht de moeder van de vroegere echtgenote de voortzetting van de onderhoudsuitkering, thans direct door belanghebbende, als een haar toekomende prestatie beschouwen.
Ten onrechte heeft het Hof aangenomen, nu zulks uit de overgelegde stukken noch anderszins blijkt of is gesteld, dat het aannemelijk is dat belanghebbende uitsluitend op grond van de goede verstandhouding met zijn voormalige echtgenote aan haar verzoek tot voortzetting van de onderhoudsuitkeringen heeft voldaan.
In het onderhavige geval waarbij:
a. sprake is van een voortzetting van een onderhoudsuitkering; en
b. een toezegging aan iemand om na diens overlijden, - en gedaan met het oog op diens overlijden -, een onderhoudsuitkering voort te zetten,
is toch een verplichting aanwezig die door de belanghebbende als zo dringend mocht worden beschouwd, dat zij als een natuurlijke verbintenis is te beschouwen.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal Moltmaker heeft op 3 mei 1989 geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
4. Beoordeling van de klachten.
4.1. Het Hof heeft het volgende vastgesteld:
Belanghebbende trad op […] 1960 in het huwelijk met [A], welk huwelijk op 12 april 1979 door echtscheiding werd ontbonden. Reeds vóór de datum van echtscheiding woonden de echtgenoten feitelijk gescheiden. Gedurende de periode van feitelijk gescheiden leven ontving [A] van belanghebbende een toelage voor nagenoeg haar gehele levensonderhoud. Op 12 april 1979 heeft belanghebbende ter afkoop van de voorziening in het levensonderhoud van [A] een levenslang recht van vruchtgebruik gevestigd op een deel van zijn in België gelegen onroerende goederen. [A] wendde een gedeelte van de daaruit aan haar toevloeiende inkomsten aan voor het doen van uitkeringen ter voorziening in het levensonderhoud van haar moeder [A]. Deze maandelijkse uitkeringen liepen geleidelijk op tot U.S. $ 1.500, -- in november 1983. Op 12 maart 1984 overleed [A] en eindigden de door haar aan haar moeder gedane uitkeringen. Na het overlijden van [A] heeft belanghebbende de betaling van de uitkeringen voor het levensonderhoud aan [A] voortgezet.
Bij akte, verleden op 12 juli 1984, heeft belanghebbende verklaard de op hem drukkende morele verplichting tot voorziening in het levensonderhoud van [A] te wijzigen in een in rechte afdwingbare verplichting tot betaling aan [A] van een jaarlijkse toelage.
4.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de in de akte van 12 juli 1984 geconstateerde rechtshandeling aan het recht van schenking is onderworpen.
De klachten onder 1, 2 en 4 strekken ten betoge dat het Hof niet duidelijk heeft gemaakt welke handeling als schenking is aangemerkt. Deze klachten berusten op een onjuiste lezing van de uitspraak, nu het Hof met de geconstateerde rechtshandeling kennelijk heeft bedoeld het aangaan door belanghebbende van een in rechte afdwingbare verplichting tot het doen van een periodieke uitkering.
4.3. Het Hof heeft terecht geoordeeld dat het omzetten van de morele verplichting in een rechtens afdwingbare, een schenking is in de zin van artikel 1, lid 2, van de Successiewet 1956. De klacht onder 3 faalt derhalve.
4.4. Voor beantwoording van de vraag of meerbedoelde rechtshandeling van het recht van schenking is vrijgesteld op grond van het bepaalde in artikel 33, lid 1, onder 12, van de Successiewet 1956, heeft het Hof met juistheid geoordeeld dat van een verplichting uit de moraal of het fatsoen sprake is indien de omstandigheden van het geval en de verhouding van de daarbij betrokken personen nakoming van die verplichting zo dringend maken dat degene ten opzichte van wie de verplichting bestaat, deze nakoming mag beschouwen als een hem toekomende prestatie.
4.5. Het Hof heeft geoordeeld dat van een op belanghebbende rustende verplichting uit moraal en fatsoen geen sprake is. De tegen dat oordeel gerichte klacht faalt. De omstandigheden waarop belanghebbende zich daarvoor beroept, te weten dat het huwelijk van belanghebbende en daarmede de familierelatie met zijn voormalige schoonmoeder 19 jaar heeft geduurd, dat zijn voormalige echtgenote een gedeelte van haar inkomsten besteedde ter voorziening in het onderhoud van haar moeder, dat belanghebbende aan zijn voormalige echtgenote heeft toegezegd na haar overlijden en met het oog op haar overlijden, de uitkeringen tot het onderhoud van haar moeder voort te zetten rechtvaardigen, ook in onderlinge samenhang beschouwd, niet hier het bestaan van een verplichting welke enkel berust op de voorschriften van de moraal of het fatsoen, aan te nemen.
4.6. De klachten kunnen mitsdien niet tot cassatie leiden.
5. Beslissing.
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Van Dijk als voorzitter, en de raadsheren Stoffer, Mijnssen, Urlings en Zuurmond, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Postema-Van der Koogh, in raadkamer van 20 december 1989.
Conclusie 03‑05‑1989
Inhoudsindicatie
Successiewet. Voldoening aan een verplichting berustende op de voorschriften van de moraal of het fatsoen.
Nr. 26.062
Schenkingsrecht
Derde Kamer B
Parket, 3 mei 1989
Mr. Moltmaker
Conclusie inzake
[X]
tegen
DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIEN
Edelhoogachtbaar college
1. Feiten en geschil
1.1 Voor de feiten moge ik in de eerste plaats verwijzen naar de uitspraak van het hof. Belanghebbendes gewezen echtgenote verstrekte aan haar moeder een maandelijks bedrag ter voorziening in haar levensonderhoud. Belanghebbendes gewezen echtgenote overleed op 12 maart 1984, waarna belanghebbende de uitkeringen aan zijn gewezen schoonmoeder voortzette. Bij akte dd. 12 juli 1984 verplichtte belanghebbende zich tot betaling aan zijn gewezen schoonmoeder van een jaarlijkse toelage van Bfrs 600.000, --.
1.2 In de voormelde akte wordt verklaard:
"[X]'s moral obligation to contribute to the maintenance of [A] is hereby and now converted into a legally enforceable obligation ...
1.4 Het hof heeft de uitspraak van de inspecteur vernietigd, doch slechts voor wat betreft de opgelegde verhoging, maar voor het overige de inspecteur in het gelijk gesteld, in rov. 5.5 overwegende:
"Van een zodanige verplichting uit de moraal of het fatsoen is sprake indien de omstandigheden van het geval en de verhouding van de daarbij betrokken personen nakoming van die verplichting zo dringend maken dat degene ten opzichte ·van wie de verplichting bestaat, deze nakoming mag beschouwen als een hem toekomende prestatie."
1.5 Het hof overweegt vervolgens in rov. 5.6, dat de omstandigheid, dat belanghebbende ingevolge een verzoek van zijn voormalige echtgenote de verplichting jegens zijn voormalige schoonmoeder op zich heeft genomen, er niet toe kan leiden dat de nakoming ervan door die voormalige schoonmoeder mocht worden beschouwd als een haar toekomende prestatie, aangezien
a. tussen hen geen familierechtelijke betrekkingen meer bestonden en belanghebbende jegens haar niet tot voorziening in het levensonderhoud was gehouden;
b. de gehoudenis van belanghebbendes voormalige echtgenote tot dat onderhoud door haar dood was geëindigd en
c. aannemelijk is, dat belanghebbende uitsluitend op grond van de goede verstandhouding met zijn voormalige echtgenote en niet op grond van zijn betrekkingen tot zijn voormalige schoonmoeder aan het vorenbedoelde verzoek heeft voldaan.
1.6 Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld. De toelichting op het middel bevat een viertal punten met een meer algemene opmerking aan het slot.
In de punten 1 en 2 wordt betoogd, dat uit punt 5.7 van de uitspraak niet duidelijk wordt welke rechtshandeling het hof op het oog heeft, hetgeen vooral van belang is, nu de inspecteur ter terechtzitting zou hebben betoogd, dat hij niet de omzetting van de natuurlijke verbintenis in een rechtens afdwingbare verplichting heeft belast, maar de als schenking aan te merken feitelijke betaling van de onderhoudsuitkeringen.
In punt 3 wordt gesteld, dat het hof ten onrechte aanneemt, dat de rechtshandeling (de omzetting) een schenking inhoudt.
In punt 4 wordt, uitgaande van de veronderstelling, dat het hof met de "geconstateerde rechtshandeling" de voldoening van een maandelijkse onderhoudsuitkering heeft bedoeld, het oordeel van het hof betwist, dat die voldoening een belaste schenking zou opleveren.
Aan het slot van het beroepschrift in cassatie wordt nog betoogd, dat in het onderhavige geval, waarbij sprake is van een voortzetting van een onderhoudsuitkering en van een toezegging tot zodanige voortzetting, een verplichting aanwezig is die door belanghebbende als zo dringend mocht worden beschouwd, dat zij als een natuurlijke verbintenis is te beschouwen.
1.7 De staatssecretaris heeft een vertoogschrift ingediend.
2 Beoordeling van het cassatiemiddel, algemeen
2.1 Het lijkt mij nauwelijks voor twijfel vatbaar, dat het hof in rov. 5.7 met "de in de akte van 12 juli geconstateerde rechtshandeling" heeft bedoeld het aangaan door belanghebbende van een wettelijke verplichting tot het doen van een periodieke uitkering. Dit blijkt duidelijk uit rov. 5.3. slot en rov. 5.6 aanhef. Dat de inspecteur ter terechtzitting wezenlijk iets anders heeft bedoeld (m.n. een schenking van jaar tot jaar) blijkt niet uit de uitspraak van het hof en is ook in tegenspraak met de berekening van de aanslag. De punten 1, 2 en 4 van de toelichting op het middel missen derhalve feitelijke grondslag.
2.2 Punt 3 van de toelichting op het middel miskent, dat art. 1, lid 2, Sw. 1956 onder schenking mede verstaat elke voldoening aan een schuld of een verplichting, welke in rechte niet gevorderd had kunnen worden. Dit betekent, dat ter zake van de hier aan de orde zijnde rechtshandeling , zelfs al wordt daardoor een natuurlijke verbintenis omgezet in een rechtens afdwingbare, in beginsel schenkingsrecht verschuldigd is, behoudens toepassing van de vrijstelling van art. 3, lid 1, 120, Sw. 1956.
2.3 Waar het i.c. om gaat is hetgeen in het slot van de toelichting op het middel aan de orde wordt gesteld: Welk criterium moet worden aangelegd bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van de voldoening aan een verplichting welke enkel berust op de voorschriften van de moraal of het fatsoen, waarop art. 33, lid 1, 120, Sw. 1956 het oog heeft. Is dat het door het hof in rov. 5.5 omschreven criterium en leidt dat met inachtneming van de door het hof in rov. 5.6 gebezigde argumenten tot de conclusie, dat i.c. van een zodanige verplichting geen sprake is?
3 Ontwikkeling van het begrip natuurlijke verbintenis
3.1 De ontwikkeling van het begrip natuurlijke verbintenis in de jurisprudentie en litteratuur is uitvoerig beschreven door B. Wessels, De natuurlijke verbintenis, prf. Amsterdam VU (1988), blz.204-221 en Asser-Hartkamp I, achtste druk (1988), nrs. 57-87. Ik volsta met een korte samenvatting.
3.2 De omschrijving van art. 33, lid 1, 120, Sw. 1956 is ontleend aan HR 12 maart 1926, W. 11488, NJ 1926,777, nt. P.S., PW 12110 (Goudse bouwmeester). Het begrip natuurlijke verbintenis werd door de HR nader gepreciseerd in het arrest van 18 februari 1938, NJ 1938,323, nt. P.S., PW 14 134 (zie ook HR 12 december 1941, NJ 1942,253, PW 14 639) in dier voege, dat alleen dringende morele verplichtingen van moraal en fatsoen tot natuurlijke verbintenissen kunnen leiden.
3.3 De vraag of een morele verplichting voldoende dringend is om als natuurlijke verbintenis te gelden, kan men van twee kanten benaderen. Men kan beslissend oordelen of de schuldenaar zich in de gegeven omstandigheden gedrongen kon voelen tot voldoening (het "dringendheidscriterium", bezien vanuit de schuldenaar). Men kan echter ook als eis stellen dat de verplichting zo dringend was, dat de schuldeiser de voldoening mocht beschouwen als een hem toekomende, zij het rechtens niet afdwingbare, prestatie. In het laatste geval spreekt men wel van het "aanspraakcriterium".
3.4 Het aanspraakcriterium werd reeds vermeld door Meijers, WPNR 2963 (1926) en door de Administratie als richtsnoer voorgeschreven in PW 12 404 (1927). In het arrest van 22 april 1937, NJ 1937, 1108, nt. P.S. (schoonzusterarrest) leek de HR het aanspraakcriterium te hebben aanvaard, maar bij eerdervermeld arrest NJ 1938,323 weer te hebben verlaten, hetgeen door de annotator Paul Scholten werd betreurd. Sindsdien heeft de HR het aanspraakcriterium aanvaard, nog enigszins verhuld in HR 30 november 1945, NJ 1946,62, PW 14 941 (De Visser-Harms) maar uitdrukkelijk in de belastingarresten van 18 maart 1953, NJ 1953,640, BNB 1953/128 nt. H. J. Hellema, PW 15 981 en 24 juni 1953, NJ 1953,645, BNB 1953/187 nt. H. J. Hellema, PW 15984. Zie ook HR 30 december 1953, NJ 1954,241 nt. Ph.A.N.H. en HR 26 mei 1954. NJ 1954,453 nt. Ph.A.N.H., BNB 1954/225, PW 16 084. In het arrest van 19 mei 1954, BNB 1954/224, nt. Hellema (een week eerder gewezen dan BNB 1954/225), sprak de HR slechts van "een morele verplichting van zo dringende aard, dat zij als natuurlijke verbintenis zou kunnen gelden". Het blijkt dus dat de HR het niet noodzakelijk acht het aanspraakcriterium steeds uitdrukkelijk te vermelden. Zie voorts HR 28 september 1960, NJ 1961,83, BNB 1960/284, PW 17 208.
3.5 Naar aanleiding van HR 4 juni 1965, NJ 1965,277 nt. G.J.S., PW 17 671 is in de litteratuur uitvoerig gediscussieerd over "de vraag of de HR in dat arrest het aanspraakcriterium heeft losgelaten. Zie de noot van G. J. Scholten onder het arrest, S. Royer WPNR 4880/1 (1965), H. Drion Ars Aequi 1965/66 blz. 51 e.v., H. C. F. Schoordijk WFR 4793/1966 en B. Wessels, a.w. blz. 214 e.v. Dok in HR 15 januari 1971, NJ 1971, 187 nt. G.J.S. wordt door de HR niet over het aanspraakcriterium gesproken. De HR heeft het aanspraakcriterium echter weer herhaald in het arrest van 15 november 1978, BNB 1980/212, nt. A. Meering, PW 18 691. Het feit, dat het aanspraakcriterium steeds in belastingarresten door de HR. is gehanteerd, bracht M. V. M. van Leeuwe, inaug. rede Nijmegen 1966, blz. 19 e.v., tot het standpunt, dat dit criterium niet voor het civiele recht geldt en dat voor het belastingrecht het begrip natuurlijke verbintenis dus een beperkter betekenis heeft.
3.6 Wij zien beide elementen verwoord in art. 6.1.1.3, lid 2, aanhef en sub b, NBW, luidende:
"Een natuurlijke verbintenis bestaat:
b. wanneer iemand jegens een ander een dringende morele verplichting heeft van zodanige aard dat naleving daarvan, ofschoon rechtens niet afdwingbaar, naar maatschappelijke opvattingen als voldoening van een aan die ander toekomende prestatie moet worden aangemerkt."
De Toelichting Meijers zegt hierover (Parl.Gesch. Boek 6, Van Zeben, blz. 76/77):
"Bij de beantwoording van de vraag bij welke zedelijke verplichtingen men van een natuurlijke verbintenis kan spreken, bezigt de Hoge Raad in navolging van enkele schrijvers als criterium of degene jegens wie de verplichting bestaat, naleving daarvan als voldoening van een hem toekomende, zij het rechtens niet-afdwingbare prestatie mag beschouwen. Het ontwerp heeft zich hierbij aangesloten, omdat alleen bij een verplichting waarmede een subjectief recht van een ander correspondeert, het ontwerp van een verbintenis spreekt en omdat alleen die zedelijke verplichtingen jegens een ander, waarvan de naleving door deze als een hem toekomende prestatie mag worden beschouwd, op één lijn staan met de verbintenissen waaraan door wet of rechtshandeling de afdwingbaarheid wordt onthouden. Overneming van de door de Hoge Raad geformuleerde beperking was temeer geboden, nu uit het-volgende artikel van het ontwerp volgt dat in beginsel aan het bestaan van een natuurlijke verbintenis dezelfde rechtsgevolgen zijn verbonden als aan het bestaan van een volkomen verbintenis, behoudens de rechtsgevolgen verband houdende met de afdwingbaarheid. Immers een dergelijke regel is alleen juist in die gevallen, waarin tegenover de zedelijke plicht van de één een aanspraak van de ander staat, zodat alleen door het ontbreken van afdwingbaarheid niet van een volkomen verbintenis gesproken kan worden."
Uit deze passage blijkt, dat het aanspraakcriterium een tautologisch karakter heeft. Het zegt niet veel meer dan hetgeen voor de verbintenis in het algemeen geldt, namelijk dat tegenover de verplichting van de één een aanspraak van de ander staat. (Dit geldt uiteraard slechts voor verplichtingen, die hun grondslag vinden in de relatie tussen bepaalde personen en niet voor morele verplichtingen die men kan voelen jegens groepen van personen, bijv. de derde wereld, slachtoffers van rampen enz. Een gift aan het Rode Kruis blijft een gift. ) Dit betekent echter, dat het aanspraakcriterium geen werkelijk criterium is, d.w.z. dat het ons niet veel verder helpt bij de beantwoording van de vraag wanneer sprake is van een natuurlijke verbintenis. Zie Parl. Gesch. Boek 6 Van Zeben blz. 84 en uitvoerig Schoordijk WFR 4793/1966 blz. 238 e.v .. Wessels a.w. blz. 220 meent dat de aanspraak als juridisch ordeningsprincipe meer houvast geeft dan het moraal-sociologische dringendheidscriterium, maar hij beschouwt vervolgens het aanspraakcriterium in art. 6.1.1.3 NBW als overbodig. Zie ook Asser-Hartkamp a.w. blz. 56. De onbruikbaarheid geldt naar mijn mening evenzeer voor dringendheidscriterium, benaderd vanuit de schuldenaar. Aldus ook Wessels, a.w. blz. 219 en 221.
3.7 Voor de beantwoording van de vraag waar de grens ligt tussen de "bloot morele verplichting" (vgl. bijv. HR 30 december 1953, NJ 1954, 241 nt. Ph.A.N.H., BNB 1954/62 nt. Tekenbroek, HR 19 mei 1954, BNB 1954/224 nt. Hellema, HR 26 mei 1954, NJ 1954, 453 nt. Ph.A.N.H., BNB 1954/225, PW 16 084) en de natuurlijke verbintenis zie ik geen ander houvast dan "de maatschappelijke opvattingen". Schoordijk spreekt t.a.p. in deze in navolging van Eggens van "de positieve moraal", Zie over de betekenis van de maatschappelijke opvattingen ook punt 5 van de conclusie van mijn ambtgenote mevr. Biegman-Hartogh voor HR 4 december 1987, NJ 1988,610, nt. EAAL, PW 19 611 en. punt 3 van de noot van Luijten onder dat arrest. Wessels, a.w. blz. 220, acht als formulering van art. 6.1.1.3, lid 2, aanhef en sub b voldoende:
"een natuurlijke verbintenis bestaat indien dit voortvloeit uit de in de maatschappij gangbare voorstellingen omtrent hetgeen zedelijk is."
3.8 Dat subjectieve opvattingen van de schuldenaar over de mate van dringendheid van de verplichting niet maatstafgevend kunnen zijn werd door de HR reeds in NJ 1965,277 uitgesproken. Hetzelfde zal gelden voor de subjectieve opvatting van de schuldeiser. Wel kende de HR in laatstbedoeld arrest betekenis toe aan het feit van de bekrachtiging, niet als symptoom van de subjectieve beleving van de debiteur, maar als objectief gegeven waarin hetgeen zich tussen partijen heeft afgespeeld tot uitdrukking werd gebracht.
3.9 De verwijzing naar de maatschappelijke opvattingen kwam in het oorspronkelijk ontwerp van art. 6.1.1.3 NBW niet voor. De introductie van dat begrip werd als volgt toegelicht (Parl. Gesch. Boek 6, Van Zeben blz. 83):
De in het ontwerp gebezigde uitdrukking "verplichtingen van zedelijk-maatschappelijke aard" is intussen niet geheel verdwenen. Zij is in zoverre terug te vinden in de slotzinsnede van het onder b bepaalde, dat daarin thans met de woorden "naar maatschappelijke opvattingen" is aangegeven dat het -voor de vaststelling of een verplichting als hier bedoeld een natuurlijke verbintenis is, aankomt op de in de maatschappij bestaande opvattingen. In de rechtspraak wordt in dit verband wel gesproken van "naar algemene opvatting" of "naar algemeen gangbare opvattingen", men zie HR 24 juni 1953, N.J. 1953,645; 7 december 1956, N.J. 1958,445; en 28 januari 1959, N.J. 1959,170. In het gewijzigde ontwerp is de term "algemeen" evenwel vermeden. Aldus blijft aan de rechter overgelaten welke de omvang moet zijn van de kring van personen waarin de betreffende opvattingen leven, willen deze opvattingen voor de toepassing van de onderhavige bepaling relevant zijn. Daarbij zal vooral van belang kunnen zijn in welke kring van personen het aan de rechter voorgelegde geval zich heeft afgespeeld."
4.1 Verdedigd is, dat in art. 33, lid 1, 120 Sw. 1956 het arrest van 1926 is gecodificeerd, en dat voor de toepassing van die bepaling niet de ontwikkelingen in de jurisprudentie met betrekking tot het begrip natuurlijke verbintenis (en in het bijzonder de nadere begrenzingen daarvan) behoren te worden gevolgd. In deze zin N. J. Polak, WPNR 4681/3 (1961), J. R. H. Buining, Preadvies Broederschap der notarissen 1962, blz. 22 e.v., Hof Leeuwarden 20 februari 1961, BNB 1961/333, PW 17325 en wellicht W. M. Kleijn in zijn eerdervermelde noot NJ 1983,279. Zij beroepen zich op de wetsgeschiedenis van de wijziging van de Sw. in 1926 (m.n. de toelichting door het kamerlid Van Schaik op zijn amendement, Handelingen Tweede Kamer 1926-1927, verg. 21 oktober 1926, blz. 134).
4.2 Zoals reeds blijkt uit de in punt 3 vermelde jurisprudentie is dit standpunt door de HR niet gevolgd en evenmin door de meeste lagere rechters. Zie voor een jurisprudentieoverzicht G. Laeijendecker, Successiewet 1956 (uitg. Noorduyn, losbl.), aant. 12 en 13 op art. 33 en voorts de beschouwingen van H. Schuttevaer/J. W. Zwemmer, De Nederlandse Successiewetgeving, 3e druk (1985), VII.25, blz. 210 e.v. en IX.28, blz. 291 e.v. Nu de HR in het genoemde arrest BNB 1980/212 het aanspraakcriterium heeft herhaald, acht ik het weinig aannemelijk dat HR 9 juni 1982, NJ 1983,279 nt. WMK, BNB 1982/254 nt. Laeijendecker, PW 18 976, een duidelijke aanwijzing bevat in de richting van een "subjectieve debiteursopvatting", zoals Kleijn in zijn noot in de NJ veronderstelt. Uit het arrest volgt naar het mij voorkomt niet meer, dan dat de vraag of een morele verplichting zo dringend is dat zij een natuurlijke verbintenis oplevert - gezien vanuit de debiteur, met een daarmee (vanzelfsprekend) corresponderende aanspraak van de crediteur - afhangt van de omstandigheden. Vgl. ook de noot van Laeijendecker in de BNB:
"Het Hof zal derhalve de vermelde omstandigheden tezamen moeten toetsen aan de gangbare opvattingen van moraal en fatsoen. Verder houvast geeft de HR niet. "
4.3 De formulering van het. hof in rov. 5.5 dat aan de hand van de omstandigheden van het geval en de verhouding van de daarbij betrokken personen moet worden uitgemaakt of een verplichting uit de moraal of het fatsoen zo dringend is dat degene ten opzicht van wie de verplichting bestaat, de nakoming ervan mag beschouwen als een hem toekomende prestatie, is op zichzelf dus niet onjuist, maar waar het op aankomt is de waardering van die omstandigheden en verhoudingen. Het bestaan van een aanspraak is niet zozeer een toetssteen voor die waardering als wel een gevolgtrekking uit die waardering.
5 Waardering van omstandigheden en verhoudingen
5.1 HR 5 maart 1952, B. 9182 besliste, dat de vraag of in een bepaald geval een natuurlijke verbintenis bestaat, een rechtsvraag is. In het arrest NJ 1965,277 overwoog de HR evenwel:
"dat deze verplichting van zo dringende aard kan zijn, dat zij als een natuurlijke verbintenis moet worden aangemerkt;
dat het antwoord op de vraag of daarvan sprake is, zozeer afhangt van de waardering van alle feiten die tijdens het huwelijk zijn voorgevallen dat, wanneer de rechter die over de feiten oordeelt, in een gegeven geval heeft beslist dat een natuurlijke verbintenis aanwezig is, aan de cassatierechter - daargelaten wat met de betrekking tot de natuurlijke verbintenis overigens op dit punt geldt - slechts ter beoordeling staat of de feitelijke rechter zonder schending van het begrip natuurlijke verbintenis tot zijn beslissing heeft kunnen komen; "
5.2 In het licht van vorenstaand citaat zou de taak van Uw Raad in het onderhavige geval beperkt kunnen blijven tot de beoordeling van de vraag of de door het hof in rov. 5.6 vermelde omstandigheden 's hofs beslissing, dat van een natuurlijke verbintenis geen sprake is, kunnen dragen. Ik merk hierbij echter op, dat uit de jurisprudentie van zowel voor als na 1965 blijkt, dat feit en recht in deze materie niet gemakkelijk te scheiden zijn en dat de HR veelal geneigd lijkt te zijn de vraag, of de vastgestelde feiten al dan niet tot het bestaan van een natuurlijke verbintenis leiden, inhoudelijk te beoordelen. Zie bijv. de genoemde arresten BNB 1980/212, BNB 1982/254 en NJ 1988,610,
5.3 De onderhoudsverplichting jegens schoonouders bedoeld in art. 1:392 BW berust, zoals de aanhef van dat artikel zegt, op aanverwantschap. Als de aanverwantschap eindigt door echtscheiding vervalt ook de onderhoudsverplichting, zie art. 1:396, lid 1, BW. Naar het mij voorkomt kan niet worden gezegd, dat naar de (algemene) maatschappelijke opvattingen op de ex-schoonzoon de natuurlijke verbintenis rust om ook na de echtscheiding in het onderhoud van zijn gewezen schoonouders te blijven voorzien. Onder bijzondere omstandigheden zou daarover wellicht anders kunnen worden geoordeeld.
Als zodanige omstandigheden zouden i.c. kunnen gelden, dat belanghebbende zeer vermogend is, dat de gewezen schoonmoeder geen middelen van bestaan heeft, dat zij derhalve van de bijdrage van haar dochter afhankelijk was en dat de alimentatie van de dochter of datgene wat daar na afkoop voor in de plaats kwam (vruchtgebruik van in België gelegen onroerende goederen) blijkbaar voldoende was om de bijdrage te verstrekken, Naar ik aanneem verkreeg belanghebbende door het overlijden van zijn gewezen echtgenote de volle eigendom van de onroerende goederen weer terug. Bovendien waren de verhoudingen tussen belanghebbende en zijn gewezen echtgenote en schoonmoeder kennelijk van dien aard, dat belanghebbende zich tot het aangaan van een rechtens afdwingbare lijfrenteverplichting geroepen voelde (vgl. NJ 1965, 277 en punt 3.7 slot hiervóór).
5.4 Wat het hof hier tegenover stelt acht ik niet bijzonder overtuigend. Dat de familierechtelijke betrekking is geëindigd en daarmee de onderhoudsverplichting, is juist, maar zegt nog niets omtrent het al dan niet bestaan van de natuurlijke verbintenis tot voortzetting van het onderhoud. Ook al zouden de maatschappelijke opvatting in het algemeen in een andere richting wijzen, dan zou onder bepaalde omstandigheden en verhoudingen van een zodanige verbintenis sprake kunnen zijn, zie ook het slot van het citaat in punt 3.8 hiervóór.
Het is echter denkbaar, dat het hof in rov. 5.6 eerste gedeelte, in. verband met rov. 5.5, heeft bedoeld tot uitdrukking te brengen, dat - behoudens bijzondere omstandigheden - naar maatschappelijke opvatting geen natuurlijke verbintenis meer bestaat om na het einde van de wettelijke verplichting tot onderhoud van de schoonouders (door echtscheiding) dat onderhoud voort te zetten en dat de omstandigheden van het onderhavige geval niet zodanig bijzonder zijn dat deze een andere beslissing zouden rechtvaardigen.
5.5 De overweging dat aannemelijk is, dat belanghebbende uitsluitend op grond van de goede verstandhouding met zijn voormalige echtgenote en niet op grond van zijn betrekkingen tot zijn voormalige schoonmoeder aan het verzoek van zijn voormalige echtgenote heeft voldaan, versterkt de beslissing van het hof m.i. nauwelijks. Het zal duidelijk zijn, dat een slechte verstandhouding met de voormalige echtgenote niet bijzonder zal stimuleren tot het aangaan van een rechtens afdwingbare verplichting als de onderhavige, maar als de aanwezigheid van een goede verstandhouding het motief was om tot omzetting van de natuurlijke verbintenis over te gaan, is dat motief dan relevant voor de vraag of er een natuurlijke verbintenis was? Of bedoelt het hof slechts te zeggen, dat voor de aanwezigheid van een natuurlijke verbintenis in een geval als het onderhavige vereist is, dat tussen de belanghebbende en zijn gewezen schoonmoeder destijds en ook thans nog nauwe persoonlijke (vriendschaps) banden (hebben) bestaan? Ik vraag mij af of een dergelijke eis moet worden gesteld. Naar het mij voorkomt verwijderen wij ons dan te zeer van de in deze kwesties noodzakelijke objectivering. Hoewel niet geheel vergelijkbaar doet dit geval denken aan dat van HR 10 april 1940, PW 14 428, waarin een verplichting van moraal of fatsoen werd aangenomen. Het betrof een uitkering, die iemand deed aan een behoeftige vriendin van zijn overleden moeder op grond van een door die moeder gedaan verzoek (vgl. daarnaast HR 30 april 1941, B. 7327, waar de erflater zijn erfgenamen had verzocht een uitkering te doen aan een door de erflater geprotegeerde zoon van een vriend, in welk geval de HR geen verplichting van moraal of fatsoen aannam).
5.6 Het cassatiemiddel faalt:
a. indien mag worden aangenomen, dat het hof heeft bedoeld te zeggen, dat naar maatschappelijke opvatting in het algemeen na echtscheiding geen natuurlijke verbintenis bestaat om na het vervallen van de wettelijke verplichting tot onderhoud van de gewezen schoonouders dat onderhoud voort te zetten;
b. indien Uw Raad het sub a bedoelde standpunt van het hof onderschrijft (zie punt 5.3 eerste alinea hiervóór);
c. indien voorts mag worden aangenomen, dat het hof heeft bedoeld te zeggen, dat de omstandigheden van het onderhavige geval niet van dien aard zijn, dat deze tot een andere beslissing zouden moeten leiden;
d. indien Uw Raad ook het sub c bedoelde standpunt van het hof als rechtsoordeel onderschrijft, dan wel van oordeel is, dat dit een afweging is die is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en dat het hof die afweging voldoende heeft gemotiveerd.
5.7 Naar het mij voorkomt heeft het hof niet blijk heeft gegeven van een verkeerde rechtsopvatting omtrent het begrip "verplichting welke enkel berust op de voorschriften van de moraal of het fatsoen" als bedoeld is in art. 33, lid 1, 120 Sw. 1956. Voorts ben ik - zij het niet zonder aarzeling - van mening dat het hof zonder schending van voormelde wetsbepaling in het onderhavige geval kon en mocht beslissen, dat van een verplichting als vorenbedoeld geen sprake is.
6 Conclusie
Ik concludeer tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden