Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VIII.6.1
VIII.6.1 Schadevergoeding voor ‘daders’: een oude discussie
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS599816:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De Nederlandse ontwikkelingsgeschiedenis van schadecompensatie voor strafvorderlijk optreden is meermaals uitgebreid beschreven, zie vooral Borsboom 1983, p. 3-79; Kwakman 2003, p. 15-105; Dane 2009, p. 3-84.
Zie bijv. op die manier Coninck Liefsting 1886; Domela Nieuwenhuis 1914, p. 358 e.v. Ook in de memorie van toelichting bij het ORO kwamen deze argumenten ter sprake, zie Kamerstukken 1913/14, 286, nr. 3, p. 87.
Zie bijv. De Pinto 1852; Mom Visch 1870, p. 8; Caudri 1898, p. 7; Handelingen II 1892/93, p. 493.
Zie onder meer Straatman 1877; Leyds 1884. Die gedachte vormde ook aanleiding voor de wetgever van 1926 om af te zien van een motiveringsverplichting bij vrijspraken, zie Kamerstukken II 1913/14, 286, nr. 3, p. 140. Zie voorts de uitvoerige bespreking van deze aloude discussie door Dane 2009, p. 280 e.v.
Uitvoerig aandacht voor het beginsel bestaat bijvoorbeeld in de discussie tussen Van den Berg & Rozemond (1992, 1993) en Mevis (1992, 1993). Zie voorts Uit Beijerse & Dane 1996, p. 273-281; Roef & De Roos 1996, p. 251-258; Bakker Schut 1997; Stolwijk 2007; Dane 2009, i.h.b. p. 416-426 en 446-459; Bogert 2011; Van Malssen 2014; Polman 2016.
Gegrond: EHRM 28 oktober 2003, nr. 44320/98, NJ 2004, 261, NJCM-bull. 2004, p. 234-238, m.nt. Myjer (Baars/Nederland); EHRM 9 februari 2005, nr. 44760/98, EHRC 2005/1, m.nt. Fernhout (Del Latte/Nederland). Ongegrond/niet-ontvankelijk: EHRM 28 september 1995, nr. 15346/89 (Masson & Van Zon/Nederland); EHRM 26 maart 1996, nr. 17314/ 90 (Leutscher/Nederland); EHRM 26 januari 1999, nr. 38087/97, (Hibbert/Nederland); EHRM 25 januari 2000, nr. 32602/96, dec. (Aannemersbedrijf Gebroeders Van Leeuwen BV/ Nederland); EHRM 18 mei 2010, nr. 21167/08, dec. (Bousana/Nederland); EHRM 18 januari 2011, nr. 45482, NJ 2012, 418, (Bok/Nederland). Zie daarover nader § VI.8.1.
Omdat niet elke strafzaak eindigt in een (integrale) veroordeling, houdt de onschuldpresumptie ook niet altijd op te gelden met het definitieve einde van de strafzaak. Worden gedurende het strafproces bevoegdheden ingezet waardoor iemand die nadien niet wordt veroordeeld schade lijdt, dan rijst de vraag wie die schade moet dragen. De discussie over deze politiek gevoelige kwestie is bijna net zo oud als ons Koninkrijk.1
Een punt van twist is daarbij steeds geweest in hoeverre relevant is of aanwijzingen voor schuld van de betrokkene resteren. Voorstanders van een zuiniger regeling vreesden onder meer voor de overheidsschatkist, gunden misdadigers die de dans hadden ontsprongen daarvan geen financieel gewin en waren beducht voor de verlammende werking van een ruime regeling op de opsporingsactiviteit.2 Pleitbezorgers van een ruimhartige, soms zelfs absolute schadevergoedingsregeling, hebben zich van oudsher verzet tegen een (gedeeltelijke) herbeoordeling van de schuld van de verdachte. Sporadisch is daartoe al in de negentiende eeuw expliciet aan de onschuldpresumptie gerefereerd.3 Wijdverbreid was het impliciet aan de presumptie van onschuld verbonden bezwaar dat wanneer restverdenking en restschuld bij de beoordeling leidend zijn, de rechter een tweede keer over de schuld van de niet-veroordeelde zal hebben te oordelen. Dat is op zichzelf onwenselijk en kan bovendien ertoe leiden dat een onderscheid tussen eervol en oneervol niet-veroordeelden ontstaat. Een onderscheid tussen vrijspraken bij gebrek aan bewijs en vrijspraken wegens gebleken onschuld zou neerkomen op herinvoering van de middenbeslissing, welke juist welbewust was afgezworen. 4
Deze discussie duurt nog altijd voort. Onder invloed van het verdragsrecht is de betekenis van de onschuldpresumptie voor dat debat aanzienlijk toegenomen.5 De internationale rechtspraak onderstreept dat op dit punt het onschuldvermoeden belangrijke normerende werking toekomt. Hoewel de richtlijn over de onschuldpresumptie verzoeken tot vergoeding nadrukkelijk van toepassing uitzondert, staat buiten twijfel dat de onschuldpresumptie als neergelegd in het EVRM wel toepasselijk is. Zowel gegronde als ongegronde klachten over Nederlandse schending van artikel 6 lid 2 EVRM betreffen geen materie zo vaak als deze.6