Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht
Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/8.5.1:8.5.1 Inleiding
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/8.5.1
8.5.1 Inleiding
Documentgegevens:
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS577097:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de voorgaande paragrafen is geconcludeerd dat de toepassing van een rechtersregeling in de rechtspraak zal kunnen leiden tot het ontstaan van een zekere 'precedentbinding' van rechters daaraan. Heeft de Hoge Raad eenmaal een uitspraak gedaan waarbij een rechtsregel is aanvaard die inhoudelijk overeenkomt met een eerdere rechtersregeling, dan zijn zowel de Hoge Raad zelf als de lagere rechters in de toekomst in beginsel daaraan gebonden. Een soortgelijke redenering kan gevolgd worden voor uitspraken van appèlrechters, zij het dat de precedentwaarde daarvan in zoverre geringer is dat hierdoor in beginsel slechts de onder de desbetreffende appèlrechter ressorterende lagere rechters gebonden kunnen worden. Op horizontaal niveau liggen de zaken minder duidelijk. Ook hier kan echter, zo is betoogd, de toepassing van een rechtersregeling door rechters na verloop van tijd ertoe leiden dat ook andere rechters daaraan in zekere mate gebonden zijn.
Tot zover de theorie. Vanuit het perspectief van procespartijen is uiteraard de meest interessante vraag wat hiervan nu de praktische consequenties zijn. Kan (of moet) bijvoorbeeld een beroep worden gedaan op een rechtersregeling die de hier geschetste precedentwaarde heeft? En wat zijn de gevolgen indien een rechter zich niet houdt aan de theoretisch op hem rustende verplichting een bepaalde rechtersregeling toe te passen?
In deze paragraaf wordt ingegaan op een drietal aspecten van dit onderwerp. Ten eerste is er de vraag of, indien geconcludeerd moet worden dat een rechtersregeling die in eerdere uitspraken is toegepast inderdaad een zekere precedentbinding toekomt, de rechter in een later geval deze regeling ook ambtshalve dient toe te passen (§ 8.5.2). Verder zal bezien worden welke mogelijkheden tot controle hoger beroep en cassatie in dit verband bieden (§ 8.5.3). Tot slot komen enige praktische belemmeringen die zich bij een beroep op precedenten kunnen voordoen aan de orde (§ 8.5.4).