Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (R&P nr. InsR11) 2019/3.4.2
3.4.2 Deelneming algemeen
mr. A. Karapetian, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. A. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS343681:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Materieel strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In het bestaan van een deelnemingsregeling wordt wel een argument gezien voor de stelling dat de wetgever bij de totstandkoming van het Wetboek van Strafrecht het uitgangspunt huldigde dat het daderschap van de natuurlijke persoon zag op degene die de uitvoeringshandeling had verricht. Uit de deelnemingsregeling blijkt immers dat ook anderen dan de feitelijke uitvoerders op dezelfde voet als de pleger gestraft kunnen worden voor hun betrokkenheid bij het strafbare feit. Zie Vellinga en Vellinga- Schootstra 2005, p. 529.
Zoals het verschil tussen auctores physici en auctores intellectuales. Vellinga-Schootstra 2005, p. 528.
De Jong 2007, p. 115.
Bij het doen plegen zijn echter ook elementen van indirecte deelneming te bespeuren. In het Terp-arrest (HR 19 december 1910, W. 9122) bepaalde de Hoge Raad namelijk dat er ook sprake kan zijn van doen plegen indien de feitelijke uitvoerder de vereiste kwaliteit mist en om die reden niet strafbaar is. Zie De Jong 2007, p. 115.
De Jong 2007, p. 118.
Bij culpoze misdrijven wordt echter aangenomen dat opzet op de delictsgedraging volstaat; de uitlokker en de medeplichtige behoeven derhalve geen opzet te hebben op het gevolg dat door de (culpoze) delictsgedraging is ingetreden. Ten aanzien van geobjectiveerde bestanddelen bij (culpoze en doleuze) misdrijven – waarbij het bestanddeel dus in de delictsomschrijving onttrokken is aan de opzeteis – wordt de stelling verdedigd dat aan de hand van de ratio van de strafbaarstelling dient te worden bepaald of het opzet van de uitlokker en de medeplichtige daarop gericht moeten zijn. Zie Krabbe 2007, p. 142 over uitlokking en Wolswijk 2007b, p. 206-207 over medeplichtigheid. Opgemerkt zij tot slot dat ten aanzien van door het gevolg gekwalificeerde delicten (zoals zware mishandeling de dood ten gevolge hebbend) de wetgever in art. 47 lid 2 Sr en art. 49 lid 4 Sr heeft bepaald dat de uitlokker daar geen opzet op hoeft te hebben.
Met de figuur van de deelneming wilde de wetgever bewerkstelligen dat niet alleen de pleger van het delict strafbaar zou zijn, maar ook degene die een minder vergaande bijdrage had geleverd aan de totstandkoming van het strafbare feit.1 Volgens art. 47 Sr worden als daders van een strafbaar feit gestraft zij die het feit plegen, doen plegen of medeplegen, en zij die door onder meer het gebruik van middelen als giften, beloften en geweld het feit opzettelijk uitlokken. In een afzonderlijke bepaling – art. 48 Sr – wordt gesteld dat als medeplichtigen van een misdrijf gestraft worden zij die opzettelijk behulpzaam zijn bij het plegen van het misdrijf en zij die opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van het misdrijf. Uit de omstandigheid dat de medeplichtigheid in een aparte bepaling is geregeld en medeplichtigen door de wetgever niet worden aangemerkt als dader, kan al worden afgeleid dat het bij medeplichtigheid gaat om de zwakste vorm van deelneming. Medeplichtigheid is bovendien alleen strafbaar indien het grondfeit een misdrijf is en bij aansprakelijkheid geldt er een lager strafmaximum. De deelnemingsvormen zijn op basis van hun kenmerken onderverdeeld in bepaalde categorieën.2 Een differentiatie in de literatuur die invloed heeft op de invulling van de voorwaarden die voor de verschillende deelnemingsvormen gelden, betreft het onderscheid tussen directe en indirecte deelneming.
Bij directe deelneming gaat het om deelneming waarbij de deelnemer in de plaats van de pleger treedt; de deelnemers vervullen samen de bestanddelen van de delictsomschrijving.3 Het medeplegen is een vorm van directe deelneming en wordt gezien als de deelnemingsfiguur die het dichtst in de buurt van het plegen komt. De medeplegers vervullen samen de bestanddelen van de delictsomschrijving. Ook voor het doen plegen geldt dat zij gezien wordt als een meer directe vorm van deelneming; de doen pleger (die ook wel middellijke pleger wordt genoemd) bewerkstelligt dat door middel van een andere persoon een delict wordt gepleegd, waarbij de feitelijke uitvoerder zelf niet strafrechtelijk aansprakelijk is.4 Indirecte deelneming ziet op de figuren waarbij de deelnemers niet in de plaats van de pleger treden, maar juist naast de pleger staan die zelf de bestanddelen van de delictsomschrijving vervult. Uitlokking en medeplichtigheid zijn deelnemingsvormen die zich erdoor kenmerken dat de uitlokker en de medeplichtige niet zelf de uitvoeringshandeling verrichten, maar naast een pleger staan die de bestanddelen van het delict vervult.
Het onderscheid tussen directe en indirecte deelneming heeft invloed op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de afzonderlijke deelnemingsfiguren. Zo geldt bij medeplegen als een vorm van directe deelneming dat een verdeling van de bestanddelen tussen de medeplegers mogelijk is. De medepleger hoeft niet zelf alle bestanddelen te hebben vervuld voor strafbaarheid. De medeplegers bewerkstelligen samen het plaatsvinden van het strafbare feit. Voldoende is dat de medeplegers op strafrechtelijk relevante wijze hebben bijgedragen aan de totstandkoming van het strafbare feit.5 Bij uitlokking en medeplichtigheid is een dergelijke verdeling niet mogelijk; de pleger dient zelf alle bestanddelen te vervullen. De uitlokker en de medeplichtige staan dus in zekere zin verder af van het gepleegde feit. Een ander belangrijk gevolg dat met dit onderscheid samenhangt, betreft de opzeteis die wordt gehanteerd bij de deelnemingsvormen. Bij de directe deelnemingsvormen zoals medeplegen geldt dat geen verdergaand opzet is vereist dan voor de pleger geldt. Het opzet van de medepleger dient gericht te zijn op die bestanddelen ten aanzien waarvan ook het opzet van de pleger is vereist. Dat is anders voor de uitlokker en de medeplichtige. Vanwege het feit dat er bij deze deelnemers altijd een hoofddader is die de bestanddelen vervult, wordt aangenomen dat de uitlokker en de medeplichtige behalve opzet op de deelnemingshandeling in beginsel ook opzet moeten hebben op de delictsbestanddelen, ook al is dat niet vereist voor de pleger.6 Dat betekent dat de uitlokker van (en de medeplichtige aan) een overtreding opzet moet(en) hebben op de bestanddelen ervan, terwijl opzet geen vereiste is voor strafbaarheid van de pleger bij een overtreding.7 Bij alle vormen van deelneming geldt dat voorwaardelijk opzet volstaat.
Tot slot is van belang te wijzen op de verschillen tussen directe en indirecte deelneming bij de accessoriteitseis. De accessoriteitseis houdt in dat voor strafbaarheid wegens deelneming vereist is dat een strafbaar (grond)feit heeft plaatsgevonden. Bij een directe deelnemingsvorm als medeplegen speelt de accessoriteit een minder belangrijke rol, hetgeen zich laat verklaren door de aard van de deelnemingsvorm, namelijk dat de medeplegers samen een strafbaar feit tot stand brengen. Wel brengt de accessoriteitseis mee dat voor strafbaarheid van de medepleger(s) vereist is dat een delict is gerealiseerd. Bij uitlokking en medeplichtigheid, vormen van indirecte deelneming, vervult de accessoriteiteis wel een belangrijke functie. Door het hanteren van die eis wordt de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de uitlokker en de medeplichtige, die zelf niet de bestanddelen van het delict vervullen en voor het werkelijk plaatsvinden van het delict afhankelijk zijn van de hoofddader, beperkt tot de gevallen waarin er een strafbaar (grond) feit is gepleegd. Voor uitlokking heeft de wetgever de gevolgen van de accessoriteitseis – geen uitlokking indien geen feit is gepleegd – gemitigeerd door in art. 46a Sr te bepalen dat de poging tot uitlokking ook strafbaar is. Ook indien er geen grondfeit is gepleegd kan de uitlokker onder de voorwaarden die art. 46a Sr stelt strafrechtelijk aansprakelijk worden gehouden.