Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (R&P nr. InsR11) 2019/3.4.6
3.4.6 Medeplichtigheid
mr. A. Karapetian, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. A. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS348520:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Materieel strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Smidt I, p. 443.
HR 22 maart 2011, NJ 2011/341 m.nt. T.M.C.J. Schalken. Het kernverwijt bij medeplichtigheid is volgens de Hoge Raad het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf. Daarnaast heeft een veranderd gedragingsbegrip (functioneel daderschap) ertoe geleid dat het tijdsaspect steeds minder relevant is geworden.
Zie voor meer voorbeelden Toorenburg 1998, p. 200.
HR 27 november 2001, NJ 2002/517. Zie verder Wolswijk 2007b, p. 190-191, Wolswijk 2005.
HR 7 april 1998, NJ 1998/558. Niet vereist is dus dat er een ‘adequate causale bijdrage’ is geleverd noch dat het grondfeit bij het ontbreken van de medeplichtigheidshandelingen niet zou hebben plaatsgevonden. Wolswijk 2007b, p. 195.
Wolswijk 2007b, p. 196, die deze vorm van effectiviteit een morele begunstiging noemt.
Naar voorbeeld van de zaak in HR 15 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS1786 waarin een toezegging tot het overnemen van de scooter na de diefstal als het verschaffen van gelegenheid werd beschouwd.
Wolswijk 2007b, p.187.
HR 27 februari 2001, NJ 2001, 308. Mededelingen over feitelijkheden die de pleger reeds bekend waren, zijn daarbij niet voldoende, zo blijkt uit HR 5 januari 1982, NJ 1982/339.
Zie Wolswijk 2007b, p. 206 en 207 voor een weergave van de verschillende standpunten. Hij zelf relativeert het belang van het meningsverschil met een verwijzing naar de constructie van het voorwaardelijk opzet.
De verklaring daarvoor moet gezocht worden in de ondergeschikte rol van de medeplichtige. Hij ‘helpt’ slechts het misdrijf te laten plaatsvinden en bepaalt niet de feitelijke gang van zaken. De Hullu 2018, p. 499.
HR 27 oktober 1987,NJ 1988/492 m.nt. G.E. Mulder. Zie ook HR 22 maart 2011, NJ 2011/342 waarin deze voorwaarde nader werd verduidelijkt.
Zie voor een nadere uitleg paragraaf 3.4.5 over uitlokking.
Op grond van art. 48 Sr worden als medeplichtigen van een misdrijf gestraft ‘zij die opzettelijk behulpzaam zijn bij het plegen van het misdrijf’ en ‘zij die opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van het misdrijf’. Anders dan bij de hiervoor behandelde deelnemingsvormen medeplegen, doen plegen en uitlokking, wordt dit type deelnemers niet als daders aangemerkt. Dit uit zich onder andere in het lagere strafmaximum dat blijkens art. 49 lid 2 Sr voor medeplichtigheid geldt. Volgens deze bepaling dient het maximum van de hoofdstraffen bij medeplichtigheid met een derde te worden verminderd. Medeplichtigheid onderscheidt zich daarnaast van de andere deelnemingsvarianten door art. 52 Sr waaruit blijkt dat medeplichtigheid aan overtredingen niet strafbaar is. Uit al deze kenmerken van medeplichtigheid komt naar voren dat bij de wetgever de opvatting leefde dat het om een minder ernstige vorm van aansprakelijkheid gaat. In de memorie van toelichting werd ten aanzien van het verschil met medeplegen opgemerkt dat de medeplichtige ‘bij het verrigten van die handeling of die handelingen (die het misdrijf uitmaken, AK) slechts eene meer of minder afdoende hulp verleent (curs. AK)’.1
De wet onderscheidt twee vormen van medeplichtigheid: de gelijktijdige die wordt omschreven als het opzettelijk behulpzaam zijn bij het misdrijf en de voorafgaande, die ziet op het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf. Dit onderscheid dient echter niet zo te worden opgevat dat de twee vormen duidelijk zijn afgebakend. De Hoge Raad heeft een dergelijke benadering in een betrekkelijk recent arrest afgewezen.2 Het onderscheid is met name van belang omdat het duidelijk maakt welke gedragingen medeplichtigheid uitmaken.
Bij de gelijktijdige medeplichtigheid gaat het om ondersteuning van de pleger bij de vervulling van de delictsbestanddelen. De medeplichtige heeft daarbij een ondergeschikte rol. Het meest tot de verbeelding sprekende voorbeeld is de medeplichtige die op de uitkijk staat.3 Maar ook het enkele aanwezig zijn bij de uitvoering en niets doen kan behulpzaamheid opleveren. Voor zogenaamde passieve medeplichtigheid is evenwel vereist dat er een rechtsplicht bestond tot ingrijpen en de aangesprokene in strijd daarmee opzettelijk naliet te handelen.4 Voor elke vorm van medeplichtigheid eist de Hoge Raad dat deze enige effectiviteit heeft gehad. De behulpzaamheid dient het gronddelict in enigerlei opzicht te hebben bevorderd of gemakkelijker gemaakt.5 Een aanmoediging of toezegging van hulp kan daarbij voldoen indien de daadwerkelijke pleger daarmee wordt gesterkt in zijn voornemen om het misdrijf te plegen.6
Een belangrijk vereiste van de voorafgaande medeplichtigheid is dat het misdrijf door de inzet van specifieke in de wet genoemde middelen is bevorderd. In de vorige paragraaf is reeds opgemerkt dat de middelen die in art. 48 onder 2 Sr worden genoemd sinds 1924 ook deel uitmaken van de regeling van de uitlokking. Deze middelen worden in de rechtspraak vrij extensief uitgelegd, waardoor zij meer handelingen omvatten dan uit het spraakgebruik voortvloeit. Bij het verschaffen van gelegenheid gaat het niet alleen om het open houden van de deur door de bestuurder zodat de medebestuurder eigendommen van de rechtspersoon kan wegnemen en deze aan de boedel kan onttrekken, maar ook om het maken van afspraken over het overnemen van de auto na de onttrekkingshandeling.7 Als het verschaffen van een middel wordt aangemerkt het geven van voorwerpen aan de pleger. Onder die voorwerpen valt ook geld.8 Bij inlichtingen dient het volgens de Hoge Raad te gaan om ‘mededelingen van feitelijke aard’ die het de verdachte mogelijk of gemakkelijker hebben gemaakt om het feit te plegen.9 Een eenvoudige aansporing is daarbij niet voldoende.
Voor strafbaarheid dient de medeplichtige de bevorderingshandelingen opzettelijk te hebben verricht. Zowel het behulpzaam zijn bij een misdrijf als het verschaffen van gelegenheid, middelen en inlichtingen dienen opzettelijk te zijn geschied. Voorwaardelijk opzet is daarbij voldoende. Het opzet dient gericht te zijn op de medeplichtigheidshandeling(en) en het grondfeit. In het algemeen wordt aangenomen dat de medeplichtige in beginsel opzet moet hebben op alle (objectieve) bestanddelen van het gronddelict, hoewel ook algemeen aanvaard is dat bij culpoze delicten opzet op de delictsgedraging (van de pleger) volstaat.10
Voor gevallen waarin het opzet van de medeplichtige niet correspondeert met het opzet van de pleger, bevat art. 49 lid 4 Sr een afwijkende regeling ten opzichte van de andere deelnemingsvormen. Volgens deze bepaling komt het ‘eigen’ opzet van de medeplichtige pas aan de orde bij het bepalen van de straf. Dat betekent dat de medeplichtige bij de kwalificatie van het strafbare feit de pleger volgt, ook al had hij een minder vergaand opzet. Zijn gedraging kan dus gekwalificeerd worden als medeplichtigheid aan doodslag, ook indien hij bij het bieden van hulp (slechts) opzet had op zware mishandeling.11 Voorwaarde voor die kwalificatie is wel dat het opzet van de medeplichtige ten minste op ‘een deel’ van de handelingen van de dader was gericht.12 De medeplichtige kan in dat geval echter alleen gestraft worden ter hoogte van de straf die op medeplichtigheid aan zware mishandeling is gesteld. De woorden ‘benevens hun gevolgen’ in het laatste zinsdeel van art. 49 lid 4 Sr hebben dezelfde betekenis als bij de regeling van uitlokking en bewerkstelligen dat geobjectiveerde gevolgen voor rekening van de medeplichtige blijven.13 Indien het opzet van de medeplichtige verder gaat dan dat van de pleger, dan brengt het accessoriteitsvereiste met zich dat de medeplichtigheid naar dat feit wordt gekwalificeerd én gestraft. Er is immers een minder vergaand grondfeit gepleegd. Indien het opzet van de medeplichtige en dat van de pleger totaal verschilt, dan is er geen voor de medeplichtige relevant grondfeit gepleegd en kan geen medeplichtigheid worden aangenomen.