Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/9.2.2
9.2.2 Tekstuele interpretatie van het begrip schuldeiser in art. 60 Fw
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS588762:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
De handboeken algemene rechtsleer noemen deze interpretatiemethode overigens doorgaans ‘grammaticale’ interpretatie. Verheugt 2015/8.1 merkt op dat de term grammaticaal te beperkt is. Het gaat volgens hem bij deze methode om het vinden van de algemene betekenis van een term in de wettekst. Ik gebruik afwisselend ‘grammaticaal’ en ‘tekstueel’ en bedoel daarmee hetzelfde.
Zie par. 8.2.2.3.
Zie over het begrip ‘verhaalsrecht’ uitgebreider par. 6.2.3. Het is denkbaar dat de retentor niet alleen verhaalsgerechtigd, maar ook ‘echte’ schuldeiser van de gefailleerde derde is uit hoofde van ongerechtvaardogde verrijking. Die mogelijkheid blijft hier verder buiten beschouwing.
Zie Biemans 2009a, p. 80.
Biemans 2009a, p. 88.
427. Als we art. 60 Fw uitsluitend tekstueel1 zouden interpreteren is het artikel niet van toepassing op het derdenretentierecht. Art. 60 lid 1 Fw bepaalt immers dat de schuldeiser die een retentierecht heeft op een aan de schuldenaar toebehorende zaak, dit recht niet verliest door faillietverklaring. Een functie van art. 60 lid 1 Fw is de afbakening van het toepassingsgebied van leden 2, 3 en 4 van het artikel. Als art. 60 lid 1 Fw toepassing uitsluit, is de rest van het artikel ook niet toepasselijk op een gevalstype.2 In het vermogensrecht bedoelen we met begrip ‘schuldeiser’ normaal gesproken degene met een vordering op een ander; degene die krachtens een verbintenis gerechtigd is tot een prestatie. De retentor die een zaak van een derde terughoudt is niet zelf schuldeiser van de derde, maar heeft alleen een verhaalsrecht op het goed van de failliete derde.3 De derde-eigenaar is geen schuldenaar want dat is alleen degene die krachtens een verbintenis verplicht is om iets te doen of na te laten jegens de schuldeiser.4 Op basis van een geïsoleerde grammaticale interpretatie leent art. 60 Fw zich dus niet voor toepassing. Die niet-toepasselijkheid zou betekenen dat de retentor zijn retentierecht aan de curator kan blijven tegenwerpen. De curator kan de zaak niet opeisen bij de retentor. Bij deze benadering past dat art. 33 Fw evenmin van toepassing is, zodat de retentor zich buiten het faillissement van de derde-eigenaar op de zaak zou kunnen verhalen.5 Maar volstaan met een tekstuele interpretatie van art. 60 Fw zou te kort door de bocht gaan, gelet op (recente) ontwikkelingen in de rechtspraak en wetgeving over het begrip ‘schuldeiser’ in de Faillissementswet.