Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/6.4.4
4.4 Schuldvervanging
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948256:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 4.2.1 hiervóór.
Zie R.E. Brinkman, ‘Schuldvervanging in het huwelijksvermogensrecht’, WPNR 2018/7209 en Verstappen & Burgerhart, Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht, Algemeen deel A 2020, p. 158.
Vgl. R.E. Brinkman, ‘Schuldvervanging in het huwelijksvermogensrecht’, WPNR 2018/7209, p. 739-740. Hij spreekt niet over ‘vervangende’ schulden, maar over ‘nieuwe’ schulden.
Zie R.E. Brinkman, ‘Schuldvervanging in het huwelijksvermogensrecht’, WPNR 2018/7209, p. 739.
Zie R.E. Brinkman, ‘Schuldvervanging in het huwelijksvermogensrecht’, WPNR 2018/7209, p. 740. Zie ook Verstappen & Burgerhart, Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht, Algemeen deel A 2020, p. 158.
Zie anders Breederveld, De huwelijksgemeenschap bij echtscheiding 2008, p. 229-230 en B. Breederveld, De aangepaste gemeenschap van goederen in verband met echtscheiding (R&P nr. PFR2) 2011, p. 116.
Zie anders R.E. Brinkman, ‘Schuldvervanging in het huwelijksvermogensrecht’, WPNR 2018/7209, p. 740 en Verstappen & Burgerhart, Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht, Algemeen deel A 2020, p. 158. Zij menen dat voor schuldvervanging voldoende is dat de vervangende schuld is aangegaan met het oogmerk om een privéschuld te betalen.
Vgl. R.E. Brinkman, ‘Schuldvervanging in het huwelijksvermogensrecht’, WPNR 2018/7209, p. 740.
350. Is eenmaal vastgesteld dat een schuld op grond van artikel 1:94 lid 7 BW/artikel 1:94 lid 5 oud BW buiten de huwelijksgemeenschap is gevallen, dan is vervolgens de vraag wat er gebeurt als die schuld wordt gedelgd met middelen die op hun beurt óók weer zijn geleend. De ene schuld vervangt dan de andere. Hier kunnen verschillende situaties onder worden begrepen. Te denken is aan de situatie dat een echtgenoot een privéwoning heeft en aan een aannemer opdracht geeft tot het verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan die woning, waarna de factuur van de aannemer wordt betaald met geleende gelden. De schuld aan de aannemer is ‘een schuld betreffende een van de gemeenschap uitgezonderd goed’ (artikel 1:94 lid 7 sub a BW/artikel 1:94 lid 5 sub a oud BW),1 welke schuld wordt gedelgd met middelen die uit een geldlening zijn verkregen. De ene schuld vervangt dus de andere. Eenzelfde situatie doet zich voor wanneer diezelfde echtgenoot de tegenprestatie voor de verkrijging van de woning voor meer dan de helft ten laste van zijn privévermogen voldeed, en voor het andere deel een hypothecaire geldlening is aangegaan, welke lening hij vervolgens herfinanciert (bijvoorbeeld omdat de rente voor die nieuwe lening lager is). In dat geval kwalificeerde de oorspronkelijke hypothecaire geldlening op grond van artikel 1:94 lid 7 sub a/artikel 1:94 lid 5 sub a oud BW als ‘een schuld betreffende een van de gemeenschap uitgezonderd goed’, welke schuld is vervangen door een nieuwe schuld. En precies hetzelfde kan zich voordoen wanneer een echtgenoot als erfgenaam schuldenaar is geworden van een ‘losse’ schuld van erflater (bijvoorbeeld een doorlopend krediet), en hij die schuld aflost met middelen die hij van een ander heeft geleend. Het doorlopend krediet kwalificeerde dan als een schuld die ‘behoorde tot een nalatenschap waartoe de echtgenoot is gerechtigd’ (artikel 1:94 lid 7 sub b BW), welke schuld wordt vervangen door een nieuwe schuld.
351. In al deze gevallen is de vraag of de schuld die de oorspronkelijke privéschuld vervangt, zelf ook weer buiten de huwelijksgemeenschap valt. In de literatuur wordt door een aantal schrijvers aangenomen dat dit het geval is.2 Zij doen daarbij een beroep op hetgeen zij als ‘schuldvervanging’ aanduiden. Volgens hen moet de in artikel 1:94 lid 7 sub a BW/artikel 1:94 lid 5 sub a BW bedoelde categorie schulden ruim opgevat worden, en omvat deze óók schulden die worden aangegaan met het oogmerk om eigen schulden te betalen. Aldus bestaan er ‘directe’ privéschulden, en ‘vervangende’ privéschulden.3 De ‘directe’ privéschulden zijn schulden die rechtstreeks in verband staan met het privégoed, zoals de schuld aan de aannemer die onderhoud aan de woning heeft verricht, en belastingen die aan de eigendom van de woning zijn verbonden. Als directe privéschulden kwalificeren bovendien schulden die rechtstreeks voortvloeien uit de rechtshandeling waarbij het privégoed is verkregen, zoals de inbrengschuld bij een legaat, en de schuld tot betaling van de resterende koopprijs in die gevallen dat meer dan de helft daarvan met privévermogen van een echtgenoot is voldaan.4 De ‘vervangende’ privéschulden zijn dan de schulden die zijn aangegaan met het oogmerk om directe privéschulden te vervangen.5 Alhoewel dit niet met zoveel woorden wordt gesteld, kan worden aangenomen dat volgens de betreffende schrijvers precies hetzelfde geldt wanneer het om een schuld gaat die behoort tot een nalatenschap waartoe een echtgenoot als erfgenaam is gerechtigd (artikel 1:94 lid 7 sub b BW). Ook dan kan die directe privéschuld worden vervangen door een andere schuld, en zal die vervangende schuld buiten de huwelijksgemeenschap vallen indien en voor zover deze is aangegaan met het oogmerk de oorspronkelijke schuld te delgen.
352. Ondanks dat de wet nergens zoiets als schuldvervanging erkent, hoeft schuldvervanging in het huwelijksvermogensrecht ook wat mij betreft niet categorisch uitgesloten te worden.6 Wel ben ik van mening dat óók voor schuldvervanging geldt dat daar alleen maar sprake van kan zijn wanneer het geleende geld nimmer tot het vermogen van de betreffende echtgenoot is gaan behoren. Om de vervangende schuld buiten de huwelijksgemeenschap te laten vallen, moet het op grond van de overeenkomst van geldlening geïnde bedrag rechtstreeks door de geldverstrekker aan de schuldeiser van de directe privéschuld zijn voldaan. Is dat niet het geval, dan is het geïnde bedrag (als is het maar een kort moment) tot de huwelijksgemeenschap gaan behoren, en is de schuld die daar tegenover staat (dus) ook in de huwelijksgemeenschap gevallen. Het gemeenschapskarakter van die schuld kan dan vervolgens niet wijzigen, ook niet op grond van schuldvervanging. Verwezen wordt naar hetgeen daar in paragraaf 4.2.2 reeds over is opgemerkt (zie met name randnummer 338). Naar mijn mening is het voor schuldvervanging dus nietvoldoende dat de vervangende lening is aangegaan ‘met het oogmerk’ om eigen schulden te betalen, maar zal het geleende bedrag rechtstreeks vanuit het vermogen van de geldverstrekker moeten zijn aangewend voor de delging van de oorspronkelijke privéschuld.7 Alleen dan kan deze vervangende schuld op zijn beurt ook weer van de huwelijksgemeenschap zijn uitgezonderd. Gaat men van dit uitgangspunt uit, dan is het vervolgens ook mogelijk dat die vervangende privéschuld op zijn beurt ook weer door een vervangende schuld wordt vervangen.8 Aldus kan zich een keten van schuldvervanging voordoen, zolang de geleende bedragen maar nimmer aan de betreffende echtgenoot zijn uitgekeerd.