Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/9.4.1
9.4.1 De gevolgen van vermenging voor het eigendomsvoorbehoud
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90754:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Dirix, Tilleman & Vanorschoven 2010, nr. 425; Sagaert 2014, nr. 85-86; Sagaert & Del Corral 2015, nr. 174; De Winter, RW 2017-18, p. 1524; Storme 2018, p. 23.
Sagaert 2017, nr. 29; Jansen 2017, nr. 67.
Voor een bespreking van de regels van zaaksvorming verwijs ik naar hoofdstuk 11, paragraaf 11.4.
De Winter, RW 2017-18, p. 1525.
Jansen 2009, nr. 832; Vanwynsberghe, Jura Falc 2010-11, p. 40-41; Sagaert 2014, nr. 87; Storme 2018, 23.
Sagaert 2003, nr. 430 e.v.
Dit wordt besproken in hoofdstuk 10, paragraaf 10.2.2.2.
Sagaert & Del Corral 2015, nr. 175 en de verwijzingen aldaar naar Franse rechtspraak; Dirix, RW 1997-98, nr. 31; Sagaer 2003, nr. 431; Dirix 2011, nr. 31; Sagaert 2014, nr. 87.
Sagaert & Del Corral 2015, nr. 183.
Sagaert 2017, nr. 31.
Dirix & de Corte 2006, nr. 602; Storme 2012-13, p. 106; Sagaert & Del Corral 2015, nr. 183; zie over toevallige mede-eigendom o.m. Dekkers & Dirix 2005, nr. 278-295; Sagaert 2014, nr. 328-348; Hellebuyk 2014, Commentaar bij art. 70 Pandwet, nr. 2; Sagaert 2017, nr. 31.
Van vermenging in het Belgische recht is sprake als gelijksoortige zaken van verschillende eigenaren worden samengevoegd waardoor niet meer duidelijk is welke zaak aan wie toebehoort. De desbetreffende zaken zijn niet meer ‘identificeerbaar’ of ‘individualiseerbaar’ volgens het Belgische recht.1 Het kan hier gaan om hoeveelheden tarwe of vloeibaar metaal, maar ook om goudstaven of stoelen. Met andere woorden, vermenging omvat de situaties die naar Nederlands recht worden onderscheiden in eigenlijke en oneigenlijke vermenging.
Er is nog een verschil met het Nederlandse recht. Vermenging is in het Belgische recht beperkt tot gelijksoortige zaken.2 Bij het samenvoegen van ongelijksoortige zaken zijn de regels van zaaksvorming van toepassing.3 Naar Nederlands recht kan eigenlijke vermenging zich voordoen zowel met ongelijksoortige als gelijksoortige zaken. Dit verschil tussen de rechtsstelsels verdient wel enige nuancering. Worden in het Nederlandse recht ongelijksoortige zaken vermengd, dan ontstaat hierdoor dikwijls een nieuwe zaak en is sprake van zaaksvorming in plaats van eigenlijke vermenging.
In de klassieke Belgische leer heeft vermenging tot gevolg dat het eigendomsvoorbehoud vervalt. Door vermenging houden de oorspronkelijke zaken op te bestaan en ontstaat één zaak. De eigendom komt toe aan degene in wiens handen de vermenging plaatsvindt.4 Deze klassieke leer is echter verlaten. Deze ontwikkeling is begonnen in de literatuur waar wordt aangenomen dat vermenging slechts een bewijsprobleem is voor de oorspronkelijke eigenaren. Aangenomen wordt dat de oorspronkelijke zaken niet meer individualiseerbaar zijn door vermenging in de zin dat zij hun oorspronkelijke zaken niet meer kunnen aanwijzen.5 Dit vertoont gelijkenissen met het Nederlandse leerstuk van oneigenlijke vermenging. Aan deze ontwikkeling in het Belgische recht ligt ten grondslag dat het onbillijk werd geacht dat schuldeisers van de koper verrijkt worden ten koste van de oorspronkelijke eigenaren en beperkt gerechtigden door vermenging. Ook in de rechtspraak is deze gedachte te vinden.6
Het bewijsprobleem leidt niet tot het rechtsverlies voor de leverancier en andere oorspronkelijke eigenaren in het Belgische recht. De eigenaren kunnen namelijk hun rechten ‘bundelen’ en op deze wijze ‘bewijzen’ dat zij eigenaar zijn van de vermengde hoeveelheid, ongeacht de interne verhoudingen. Zij revindiceren deze zaak als collectief uit het vermogen van de koper. Zij zijn mede-eigenaars van de vermengde hoeveelheid. Dit resultaat vertoont overeenkomsten met het leerstuk van eigenlijke vermenging in het Nederlandse recht waar eveneens mede-eigendom kan ontstaan op grond van art. 5:15 jo. art. 5:17 lid 2 BW. Daarnaast bestaan overeenkomsten met het leerstuk van oneigenlijke vermenging in het Nederlandse recht. Ingevolge de rekkelijke benadering behoudt de leverancier eveneens een recht op de oneigenlijk vermengde zaken. Deze uitkomst wordt door de Nederlandse literatuur ingepast door aan te nemen dat de leverancier zijn recht kan bundelen met rechten van andere eigenaren en beperkt gerechtigden of dat mede-eigendom ontstaat tussen de eigenaren. 7
Deze ontwikkeling in de Belgische literatuur en rechtspraak is nu ook gecodificeerd in art. 20 (jo. art. 70) Pandwet voor zekerheidsrechten. De wetgever meent dat de zaken niet onbezwaard in de failliete boedel moeten vallen, omdat de boedel daarmee ongerechtvaardigd wordt verrijkt.8 Art. 20 Pandwet bepaalt daarom dat vermenging het pandrecht en het eigendomsvoorbehoud ‘onverlet’ laat. De gevolgen voor de voorrangspositie van de leverancier verschillen vervolgens al naar gelang zaken van de leverancier en de koper of zaken van meerdere leveranciers vermengen.
Vermengen onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaken van de leverancier met zaken van de koper, dan ontstaat numerieke mede-eigendom. Dit betekent dat de aandelen niet worden bepaald op grond van de oorspronkelijke eigendoms- of waardeverhoudingen, maar dat het aandeel van de leverancier eerst wordt bepaald op grond van zijn gehele aanspraak. Ik illustreer dit aan de hand van het volgende voorbeeld.
Leverancier X verkoopt 10.000 liter olijfolie aan koper Y onder eigendomsvoorbehoud. Y giet deze olijfolie bij 20.000 liter van zijn eigen olijfolie. Vervolgens wordt 15.000 liter verkocht. X heeft nu een aanspraak van 2/3 op de overblijvende olijfolie (10.000 liter), want zijn aanspraak wordt eerst geheel toegewezen. De ‘rest’ is eigendom van koper Y.
Hieruit volgt dat als een deel van de vermengde zaken niet meer aanwezig is of de vermengde hoeveelheid in waarde is gedaald, de leverancier hiervan in beginsel geen last heeft. Dit komt voor rekening van de koper. Het Nederlandse recht kent geen vergelijkbare regeling. Op grond van art. 20 Pandwet kan de leverancier vervolgens de hoeveelheid waarop hij recht heeft revindiceren.9
Zijn zaken van meerdere leveranciers vermengd, dan wordt uit art. 20 Pandwet afgeleid dat leveranciers de vermengde zaken als collectief kunnen revindiceren. Hun zaken vormen tezamen een ‘sub-boedel’.10 Zij zijn mede-eigenaars van de eenheidszaak op grond van art. 573 BBW analoog en revindiceren tezamen de zaak.11 De aandelen worden naar rato van de waarde van ieders zaken bepaald. Deze gevolgen zijn vergelijkbaar met vermenging zonder hoofdzaak in het Nederlandse recht. Nadat de zaken collectief zijn gerevindiceerd, kan een leverancier het aantal zaken ter grootte van zijn aandeel revindiceren uit de sub-boedel. Vervolgens kan de leverancier verdeling vorderen van de mede-eigendom (art. 185 BBW).
Vermenging leidt kortom niet tot het verlies van de voorrangspositie voor leverancierskrediet in het Belgische recht, want deze verlengt zich tot de eenheidszaak.