Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht
Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/7.6:7.6 Samenvatting en conclusies
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/7.6
7.6 Samenvatting en conclusies
Documentgegevens:
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS578283:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk is onderzocht welke juridische waarde in ons recht toekomt aan rechterlijke uitspraken (precedenten). Kan bij ons, evenals in Engeland, een bepaalde gebondenheid van de rechter aan precedenten worden aangenomen, en zo ja, hoe ziet deze precedentbinding dan in grote lijnen eruit?
Hoewel de opvattingen in rechtspraak en literatuur op dit gebied niet geheel eenduidig zijn, valt daaruit ruettemin de conclusie te trekken dat ook in ons recht de rechter in elk geval tot op zekere hoogte gebonden dient te zijn aan precedenten. Deze gebondenheid bestaat niet slechts indien en voorzover de eerdere uitspraak nog steeds inhoudelijk juist wordt geacht. Zij berust (daarnaast) op andere gronden die, nog los van de inhoudelijke overtuigingskracht, een zelfstandige normatieve waarde aan een rechterlijke uitspraak verlenen.
Ten eerste is er het feit dat de rechter niet slechts uitspreekt wat voordien reeds geldend recht was, maar in zijn uitspraken ook nieuw recht vormt of althans kan vormen. De erkenning van deze 'rechtsvormende taak' leidt tot het inzicht dat de rechter zich aan de door hem gevormde rechtsregels ook in latere gevallen in beginsel dient te houden. Dit hangt samen met een volgende grondslag die voor de precedentwerking van rechterlijke uitspraken kan worden aangevoerd: het gelijkheidsbeginsel. Dit beginsel, dat van fundamentele aard is, brengt met zich dat een rechtsregel die door de rechter eenmaal is aanvaard, niet slechts in het desbetreffende geval van toepassing is maar een algemene reikwijdte heeft en ook in latere (vergelijkbare) gevallen dient te worden toegepast, tenzij zich een of meer omstandigheden voordoen die een ongelijke behandeling rechtvaardigen.
Daarnaast spelen argumenten een rol die te ontlenen zijn aan de rechts-ontwikkelings- en rechtseenheidsfuncüe van de rechtspraak (met name de rechtspraak in hoogste instande), in combinatie met het feit dat een hogere rechter uitspraken van lagere rechters die in strijd zijn met zijn eerdere rechtspraak kan vernietigen. Tot slot is het rechtszekerheids- of vertrouwensbeginsel van belang: iedere rechterlijke uitspraak heeft immers als kenmerk dat deze een oordeel inhoudt omtrent hetgeen rechtens geldt, dat afkomsdg is van een met staatsmacht bekleed orgaan, hetgeen reeds uit de aard der zaak het vertrouwen wekt dat deze uitspraak ook in latere gevallen gevolgd zal worden.
De gebondenheid aan precedenten wordt door de zojuist genoemde gronden evenwel niet in absolute zin bepaald: zij dragen ieder de mogelijkheid tot afwijking in zich. Het gaat dus veeleer om argumenten die in meerdere of mindere mate in de richting van binding aan precedenten kunnen wijzen. Deze argumenten spreken het sterkst in het voordeel van binding aan precedenten langs verticale lijnen, in het bijzonder ten aanzien van de uitspraken van de Hoge Raad. Het wekt dan ook geen verbazing, dat deze laatste vorm van gebondenheid bij ons in literatuur en rechtspraak het meest op aanvaarding kan rekenen.
Zoals het voorgaande al impliceert, is de binding aan precedenten zoals deze ten onzent wordt aangenomen zeker niet absoluut van aard, maar is zij veeleer te vergelijken met de betekenis die in het Engelse recht aan de zogeheten 'persuasive precedents' toekomt.1 Hoewel de rechter naar Nederlands recht in beginsel aan (bepaalde) precedenten gebonden kan worden geacht, heeft hij de mogelijkheid tot afwijking indien het vasthouden aan een eerdere uitspraak, in het licht van de rechtsontwikkeling en de tegenwoordige maatschappelijke opvattingen en omstandigheden, niet langer aanvaardbaar is. Aangezien de argumenten vóór gebondenheid aan precedenten, zoals die onder meer te ontlenen zijn aan het gelijkheids- en het rechtszekerheidsbeginsel, steeds een zelfstandige waarde hebben, zal echter niet te spoedig mogen worden aangenomen dat zulks het geval is. Daarnaast kan als eis gesteld worden dat de rechter die van een (hem bindend) precedent wil afwijken, dit afdoende motiveert.
Zoals in § 7.1 al is aangegeven, is de vraag naar de precedentwerking van rechterlijke uitspraken hier gesteld als 'voorvraag' voor datgene waar het in dit verband uiteindelijk om draait: kan de toepassing van een rechtersregeling in de rechtspraak ertoe leiden dat deze regeling, op een met de binding aan precedenten vergelijkbare wijze, een bepaalde bindende werking verkrijgt? Bij deze vraag, die in het volgende hoofdstuk wordt behandeld, verdient een aantal punten in het bijzonder de aandacht, gezien de specifieke rol die zij bij rechtersregelingen spelen. Ten eerste dient de preliminaire vraag te worden beantwoord of een rechtersregeling, theoretisch bezien, überhaupt als 'precedentnorm' kan gelden. Een rechtersregeling onderscheidt zich namelijk in dit opzicht op enige punten van de meer gebruikelijke (jurisprudentiële) regels van rechtersrecht. In de eerste plaats is een rechtersregeling, anders dan de in een rechterlijke uitspraak gevormde regel, niet gerelateerd aan de feiten van een concreet geval. Voorts hebben rechtersregelingen doorgaans niet slechts behekking op de beantwoording van 'rechtsvragen' maar ook op de invulling van diverse vormen van rechterlijke 'beleidsruimte', waarbij de vraag is of de mogelijkheid tot precedentwerking in beide gevallen aanwezig is.
Een tweede belangrijk punt is dat de vraag naar gebondenheid aan rechtersregelingen niet slechts speelt in 'verticale' relaties, maar ook - en vooral - in de verhouding van lagere rechters onderling. Rechtersregelingen hebben immers doorgaans juist betrekking op onderwerpen waarbij de invloed van een hogere rechter ontbreekt, bijvoorbeeld als gevolg van een rechtsmiddelenverbod of het ontbreken van een (volledige) toetsing in cassatie.2 Een probleem dat hierbij de aandacht behoeft is dat van enige precedentwerking op horizontaal niveau in ons recht (vooralsnog) niet of nauwelijks sprake lijkt te zijn.3 Niettemin zijn ook in de verhouding van lagere rechters onderling zeker argumenten aan te voeren die een bepaalde binding aan precedenten kunnen funderen, al zal het hierbij gaan om een minder sterke binding dan bijvoorbeeld aan uitspraken van de Hoge Raad toekomt.4 Ook dit zal in het volgende hoofdstuk verder worden uitgewerkt.
331