HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 3.5.1 en 3.21.
HR, 09-12-2025, nr. 25/00821 J
ECLI:NL:HR:2025:1875
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
09-12-2025
- Zaaknummer
25/00821 J
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1875, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑12‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2025:521
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:995
ECLI:NL:PHR:2025:995, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 16‑09‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1875
Beroepschrift, Hoge Raad, 25‑06‑2025
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0383
NJ 2026/106 met annotatie van W.H. Vellinga
Uitspraak 09‑12‑2025
Inhoudsindicatie
OM-cassatie. Jeugdzaak. OM niet-ontvankelijk in vervolging t.z.v. zware mishandeling van baby door minderjarige vader (art. 302.1 Sr) o.g.v. zeer ernstige overschrijding van redelijke termijn in jeugdzaak. Redelijke termijn in eerste aanleg en niet-ontvankelijkheid OM. Heeft hof miskend dat overschrijding van redelijke termijn nooit kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring OM in vervolging? Hof heeft vooropgesteld dat overschrijding van redelijke termijn in uitzonderlijke gevallen tot niet-ontvankelijkverklaring OM in vervolging van verdachte kan leiden en vervolgens geoordeeld dat zeer ernstige overschrijding van redelijke termijn in omstandigheden van dit geval een eerlijk proces niet meer mogelijk maakt en daarom zo’n uitzonderlijk geval oplevert. Hof heeft daarmee miskend dat overschrijding van redelijke termijn op zichzelf (en dus zonder dat daarnaast is vastgesteld dat (mede) a.g.v. die overschrijding sprake is van zodanig ernstige inbreuk op verdedigingsrechten van verdachte dat van eerlijk proces geen sprake meer kan zijn) nooit kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring OM in vervolging van verdachte (vgl. HR:2008:BD2578, HR:2015:2465 en HR:2016:2059). Volgt vernietiging en terugwijzing. CAG (strekking): niet-ontvankelijkverklaring OvJ in ingesteld hoger beroep en HR kan zaak t.a.v. strafoplegging zelf afdoen.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/00821 J
Datum 9 december 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 februari 2025, nummer 20-001110-24, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De raadsman van de verdachte, J.S. Nan, heeft het beroep van het openbaar ministerie tegengesproken.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot zodanige op artikel 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de beslissing van het hof tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte. Het klaagt onder meer dat het hof heeft miskend dat overschrijding van de redelijke termijn nooit kan leiden tot die niet-ontvankelijkverklaring.
2.2.1
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
“hij op of omstreeks 11 augustus 2018 te [plaats], althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2018) van het leven te beroven:
- meermalen, althans eenmaal, die [slachtoffer] (met kracht) tegen/op zijn hoofd heeft geslagen/ en/of gestompt en/of op een hard oppervlak heeft laten vallen en/of tegen een hard oppervlak heeft geslagen en/of gesloten, in elk geval (zeer heftig) uitwendig botsend en/of stompend geweld tegen en/of op zijn hoofd heeft uitgeoefend en/of
- meermalen, althans eenmaal, die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of met kracht door elkaar en/of op en neer en/of heen en weer heeft geschud, in elk geval anderszins (hevig) geweld heeft uitgeoefend op zijn lichaam en/of zijn hoofd,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 11 augustus 2018 te [plaats], althans in Nederland, aan [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2018), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten ernstig hoofdtrauma (een of meer breuken in de schedel en/of een of meer bloedingen in de hersenen/hersenschade), heeft toegebracht, door die [slachtoffer]:
- meermalen, althans eenmaal (met kracht) tegen/op zijn hoofd te slaan en/of te stompen en/of op een hard oppervlak te laten vallen en/of tegen een hard oppervlak te slaan en/of te stoten, in elk geval (zeer heftig) uitwendig inwerkend botsend en/of stompend geweld tegen en/of op zijn hoofd uit te oefenen en/of
- meermalen, althans eenmaal (met kracht) vast te pakken en/of met kracht door elkaar en/of op en neer te schudden, in elk geval anderszins geweld uit te oefenen op zijn lichaam en/of zijn hoofd:
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 11 augustus 2018 te [plaats], althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2018), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen:
- meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer] (met kracht) tegen/op zijn hoofd heeft geslagen/ en/of gestompt en/of op een hard oppervlak heeft laten vallen en/of tegen een hard oppervlak heeft geslagen en/of gestoten, in elk geval (zeer heftig) uitwendig botsend en/of stompend geweld tegen en/of op zijn hoofd heeft uitgeoefend en/of
- meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer] (met kracht) heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of met kracht door elkaar en/of op en neer en/of heen en weer heeft geschud, in elk geval anderszins (hevig) geweld heeft uitgeoefend op zijn lichaam en/of zijn hoofd,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
2.2.2
Het hof heeft het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachte en heeft daartoe overwogen:
“Juridisch kader
In het geval dat een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, vindt niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging plaats. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat – in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens – “the proceedings as a whole were not fair”.
Voorts heeft elke verdachte, ingevolge artikel 6, eerste lid, EVRM, het recht op een openbare behandeling van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Bedoelde termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het Openbaar Ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen.
Als uitgangspunt voor jeugdigen heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de complexiteit van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
Volgens de rechtspraak van de Hoge Raad leidt een overschrijding van de redelijke termijn slechts in uitzonderlijke gevallen tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in zijn vervolging, bijvoorbeeld wanneer in een eenvoudige zaak sprake is van een zeer ernstige overschrijding. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door strafvermindering.
Het hof heeft de volgende belangen, feiten en omstandigheden bij zijn afweging betrokken.
Constatering van de overschrijding van de redelijke termijn
In onderhavige zaak is de verdachte op 20 augustus 2018 door de politie gehoord. De politie heeft op 25 maart 2019 het eindproces-verbaal gesloten. Vervolgens heeft de raadsman van de verdachte zich op 22 januari 2020 gesteld. Op 31 januari 2020 heeft de raadsman onder andere verzocht om een deskundige, een patholoog-anatoom dan wel forensisch arts, te benoemen teneinde (nader) onderzoek te laten instellen naar (de aard van) het letsel. Daarnaast heeft de raadsman op 31 januari 2020 voorwaardelijk verzocht [slachtoffer] te horen. Op 3 april 2020 heeft de officier van justitie aangegeven te voldoen aan het verzoek van de verdediging. Met betrekking tot het voorwaardelijk verzoek heeft de officier van justitie aangegeven daarop nog niet te reageren, maar eerst het nader onderzoek af te wachten en daarna te bezien of dit voorwaardelijk verzoek gehandhaafd blijft. Op 8 april 2021 heeft de rechter-commissaris een deskundige benoemd. Op 8 november 2022 heeft de deskundige het volledige dossier van het Openbaar Ministerie ontvangen, wat uiteindelijk op 28 december 2022 heeft geleid tot het rapport ‘Forensisch-medisch onderzoek inzake een destijds circa 3,5 maand oude jongen’. Vervolgens heeft de verdediging op 5 september 2023 (de Hoge Raad begrijpt: 14 februari 2023) kenbaar gemaakt het verzoek tot het horen van [slachtoffer] te handhaven. Op 3 april 2023 heeft de officier van justitie kenbaar gemaakt zich niet te verzetten tegen dit verzoek. Uiteindelijk is [slachtoffer] op 3 april 2023 (de Hoge Raad begrijpt: 5 september 2023) door de rechter-commissaris gehoord. Na het getuigenverhoor is de raadsman in de gelegenheid gesteld om eventuele nadere onderzoekswensen in te dienen. Op 11 september 2023 heeft de raadsman aangegeven géén nadere onderzoekswensen te hebben. De zaak is vervolgens op 28 maart 2024 ter terechtzitting in eerste aanleg behandeld, waarna op 11 april 2024 uitspraak is gedaan.
Het hof overweegt dat de redelijke termijn is aangevangen op 20 augustus 2018, de dag waarop de verdachte is gehoord. Het vonnis in eerste aanleg is gewezen op 11 april 2024. Aldus is sprake van een tijdsverloop van ongeveer vijf jaren en acht maanden. Daarmee is de redelijke termijn van 16 maanden waarbinnen de berechting van de verdachte had dienen plaats te vinden in zeer extreme mate overschreden. Het betreft een tijdsverloop van bijna 68 maanden en daarmee een overschrijding van de redelijke termijn van bijna 52 maanden.
De advocaat-generaal heeft ter zitting geen redelijke verklaring gegeven voor het forse tijdsverloop en de extreme overschrijding, anders dan dat voornoemde onderzoekshandelingen tijd hebben gekost. Het hof is van oordeel dat de verdediging geen enkel aandeel heeft gehad in de lange duur van de onderzoekshandelingen en daarmee de vertraging van het procesverloop. Daar staat tegenover dat het hof met de verdediging constateert dat het kennelijk meer dan 1,5 jaar heeft geduurd alvorens het Openbaar Ministerie het procesdossier aan het NFI stuurde ten behoeve van het forensisch medisch onderzoek. De onderzoekshandelingen hadden dan ook voortvarender uitgevoerd kunnen en moeten worden en de zaak had daarmee ook veel eerder inhoudelijk behandeld kunnen en moeten worden. Deze termijnoverschrijding komt voor rekening van het Openbaar Ministerie, nu niet is gesteld of gebleken dat sprake is van bijzondere omstandigheden die overschrijding van de redelijke termijn kunnen rechtvaardigen.
Rechtsgevolg van de overschrijding van de redelijke termijn
De verdachte heeft er belang bij niet langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging te moeten leven. Dit geldt te meer bij een jeugdige verdachte. Het jeugdstrafrecht dient immers in hoofdzaak een positieve pedagogische ontwikkeling van verdachten. Dit pedagogische hoofddoel van het jeugdstrafrecht maakt dat de strafrechtelijke reactie snel, doeltreffend en op maat moet zijn. Uiteindelijk is het jeugdstrafrecht gericht op succesvolle reintegratie van de verdachte, opdat de verdachte een constructieve rol in de samenleving zal gaan vervullen. Deze uitgangspunten van het jeugdstrafrecht dienen zowel het belang van de verdachte als de samenleving en volgen uitdrukkelijk uit artikelen 40 lid 1, lid 2 onder b (iii) en lid 4 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). In plaats van een voortvarende behandeling van de strafzaak is echter sprake geweest van een onnodig extreem langdurend proces in eerste aanleg van 68 maanden in welke tijd de (jeugdige) verdachte steeds in onzekerheid heeft moeten verkeren omtrent zijn strafrechtelijke berechting. Hierbij komt dat niet de verdachte, maar het Openbaar Ministerie vervolgens ook nog hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank heeft ingesteld, waardoor het proces uiteindelijk nog langer heeft geduurd. Het hof stelt vast dat de duur van het proces in eerste aanleg en de daarmee gepaard gaande overschrijding van de redelijke termijn zodanig extreem zijn geweest, dat het niet anders kan zijn dan dat de langdurige dreiging van (verdere) strafvervolging een niet onaanzienlijk risico van negatieve beïnvloeding van de ontwikkeling van de (jeugdige) verdachte met zich heeft gebracht en op die wijze per definitie disproportionele negatieve gevolgen heeft gehad voor de belangen van deze (jeugdige) verdachte. Daarmee is naar het oordeel van het hof een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces gemaakt die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd.
Het hof heeft anderzijds ook oog voor de belangen van de slachtoffers en de samenleving bij een effectieve vervolging, berechting en bestraffing van (ernstige) strafbare feiten en de mogelijkheid voor de in het strafproces gevoegde benadeelde partijen om eventueel geleden schade als gevolg van het strafbare feit te verhalen op de verdachte. Wat betreft het eerstgenoemde belang stelt het hof vast dat van een effectieve vervolging, berechting en bestraffing in deze zaak als gevolg van de zeer extreme overschrijding van de redelijke termijn, geen sprake meer kan zijn. Door die zeer extreme overschrijding van de redelijke termijn met 52 maanden heeft pedagogische interventie op grond van het jeugdstrafrecht geen meerwaarde meer, maar het zou ook de positieve ontwikkeling van de verdachte verstoren. De destijds 16-jarige verdachte is inmiddels een 23-jarige jongvolwassene, die samenwoont met zijn vriendin, een 3-jarige zoon heeft en een baan heeft. Ook uit het reclasseringsadvies van 21 januari 2025 blijkt deze positieve ontwikkeling. De reclassering heeft als volgt geconcludeerd: ‘Ten opzichte van het uitgebracht reclasseringsadvies van januari 2024 hebben er op familiair gebied veranderingen plaatsgevonden. Daarnaast zijn er zorgen rondom de huidige partnerrelatie van betrokkene. Het voorgaande heeft niet geleid tot nieuwe justitiecontacten. Verder is er sprake van dagbesteding, een vast inkomen, huisvesting en zijn er geen signalen van problematisch middelengebruik, hetgeen wij aanmerken als beschermende factoren. Het bovenstaande in overweging nemende wordt het risico op recidive ingeschat als laag’. Met de verdediging is het hof dan ook van oordeel dat het doel van pedagogische interventie al op andere wijze is behaald en veroordeling of vervolging alleen maar nadelige en disproportionele gevolgen zal hebben voor de verdachte. Het hof ziet het verstoren van de positieve ontwikkeling van de verdachte als gevolg van een extreem late jeugdstrafrechtelijke interventie als een disproportioneel nadeel voor de verdachte dat onverenigbaar is met de bovengenoemde uitgangspunten van het jeugdstrafrecht.
Wat betreft het belang van de in het strafproces gevoegde benadeelde partijen overweegt het hof als volgt. In onderhavige zaak hebben twee benadeelde partijen zich gevoegd met civiele vorderingen. Het hof heeft kennis genomen van deze vorderingen en is van oordeel dat het belang dat de verdachte heeft bij niet verdere vervolging en het belang dat de maatschappij heeft bij het niet-verstoren van de positieve ontwikkeling van verdachte evident zwaarder wegen dan het belang dat de maatschappij heeft bij de beoordeling van de vorderingen van de benadeelde partijen in deze strafzaak. Dit laatste gelet op de hoogte, de aard, de complexiteit en de kans op toewijzing van deze vorderingen, maar ook gelet op het feit dat de benadeelde partijen de vorderingen tot schadevergoeding bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen. Het maatschappelijk belang om de vorderingen van de benadeelde partijen in deze strafzaak te beoordelen, weegt dan ook minder zwaar dan het belang bij niet-verdere vervolging, berechting en bestraffing van de verdachte en weegt in het licht van al het voorgaande niet zwaar genoeg om het Openbaar Ministerie alsnog ontvankelijk te kunnen verklaren in de vervolging.
Het hof is gelet op alle feiten en omstandigheden van het geval in deze zaak dan ook van oordeel dat sprake is van een zeer ernstige overschrijding van de redelijke termijn in een jeugdzaak, welke overschrijding niet kan worden verklaard of gerechtvaardigd door de eventuele complexiteit van het onderzoek. Gelet op de niet-verklaarbare termijnoverschrijding in deze zaak is naar het oordeel van het hof sprake van een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Het gaat hierbij om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. De inbreuk kan in dit geval het verstrekkende oordeel dragen dat “the proceedings as a whole were not fair”. In dit geval is wat betreft het hof dan ook sprake van een uitzonderlijk geval waarbij niet kan worden volstaan met een andere sanctie dan de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.
Het hof zal, gelet op de genoemde omstandigheden en alles afwegende, het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de (verdere) vervolging van de verdachte.”
2.3
Het hof heeft vooropgesteld dat een overschrijding van de redelijke termijn in uitzonderlijke gevallen tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte kan leiden, en vervolgens geoordeeld dat de zeer ernstige overschrijding van de redelijke termijn in de omstandigheden van dit geval een eerlijk proces niet meer mogelijk maakt en daarom zo’n uitzonderlijk geval oplevert. Het hof heeft daarmee miskend dat een overschrijding van de redelijke termijn op zichzelf – en dus zonder dat daarnaast is vastgesteld dat (mede) als gevolg van die overschrijding sprake is van een zodanig ernstige inbreuk op de verdedigingsrechten van de verdachte dat van een eerlijk proces geen sprake meer kan zijn – nooit kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte (vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, HR 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2465 en HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2059).
2.4
Voor zover het cassatiemiddel daarover klaagt, slaagt het. Dat brengt mee dat bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig is.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 december 2025.
Conclusie 16‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. OM-cassatie. Middel klaagt over beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring van OM in de vervolging wegens onverklaarbare overschrijding van redelijke termijn met bijna 52 maanden in jeugdzaak. De conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot een zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/00821 J
Zitting 16 september 2025
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1.
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 28 februari 2025 het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging.
1.2.
Namens het Openbaar Ministerie heeft H.H.J. Knol, advocaat-generaal bij het ressortsparket, vestiging Den Haag, één middel van cassatie voorgesteld. J.S. Nan, advocaat te Den Haag, heeft namens de verdachte een schriftuur houdende tegenspraak ingediend.
2. Het middel
2.1
Het middel bevat in de kern de klacht dat het hof het Openbaar Ministerie ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in de vervolging wegens overschrijding van de redelijke termijn.
2.2
Voordat ik tot een bespreking van het middel overga, geef ik eerst de relevante delen van het bestreden arrest en het juridisch kader weer.
2.3
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
“hij op of omstreeks 11 augustus 2018 te [plaats] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2018) van het leven te beroven:
- meermalen, althans eenmaal, die [slachtoffer] (met kracht) tegen/op zijn hoofd heeft geslagen/en/of gestompt en/of op een hard oppervlak heeft laten vallen en/of tegen een hard oppervlak heeft geslagen en/of gesloten, in elk geval (zeer heftig) uitwendig botsend en/of stompend geweld tegen en/of zijn hoofd heeft uitgeoefend en/of
- meermalen, althans eenmaal, die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of met kracht door elkaar en/of op en neer en/of heen en weer heeft geschud, in elk geval anderszins (hevig) geweld heeft uitgeoefend op zijn lichaam en/of zijn hoofd,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 11 augustus 2018 te [plaats] , althans in Nederland, aan [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2018), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten ernstig hoofdtrauma (een of meer breuken in de schedel en/of een of meer bloedingen in de hersenen/hersenschade), heeft toegebracht, door die [slachtoffer] :
- meermalen, althans eenmaal (met kracht) tegen/op zijn hoofd te slaan en/of te stompen en/of op een hard oppervlak te laten vallen en/of tegen een hard oppervlak te slaan en/of te stoten, in elk geval (zeer heftig) uitwendig inwerkend botsend en/of stompend geweld tegen en/of op zijn hoofd uit te oefenen en/of
- meermalen, althans eenmaal (met kracht) vast te pakken en/of met kracht door elkaar en/of op en neer te schudden, in elk geval anderszins geweld uit te oefenen op zijn lichaam en/of zijn hoofd:
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 11 augustus 2018 te [plaats] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2018), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen:
- meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer] (met kracht) tegen/op zijn hoofd heeft geslagen/en/of gestompt en/of op een hard oppervlak heeft laten vallen en/of tegen een hard oppervlak heeft geslagen en/of gestoten, in elk geval (zeer heftig) uitwendig botsend en/of stompend geweld tegen en/of op zijn hoofd heeft uitgeoefend en/of
- meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer] (met kracht) heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of met kracht door elkaar en/of op en neer en/of heen en weer heeft geschud, in elk geval anderszins (hevig) geweld heeft uitgeoefend op zijn lichaam en/of zijn hoofd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
2.4
Het bestreden arrest houdt, voor zover van belang voor de beoordeling van het middel, het volgende in:
“Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het Openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging van de verdachte zal worden verklaard. De advocaat-generaal heeft daartoe aangevoerd dat er weliswaar geen duidelijke oorzaak is aan te wijzen voor de enorme overschrijding van de redelijke termijn, maar de Hoge Raad meerdere malen heeft geconcludeerd dat overschrijding van de redelijke termijn nooit leidt tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte dient te worden verklaard. De verdediging heeft in dit verband gewezen op de zeer extreme overschrijding van de redelijke termijn, op de omstandigheid dat de verdachte ten tijde van het incident nog minderjarig was en op de doelstellingen die met het jeugdstrafrecht worden nagestreefd, welke doelstellingen door de extreme overschrijding van de redelijke termijn niet meer met een straf kunnen worden gediend. Met de positieve ontwikkelingen die de verdachte de afgelopen jaren heeft doorgemaakt, is het doel van een eventuele pedagogische interventie op andere wijze al bereikt en de voortzetting van de vervolging zal enkel nadelige en disproportionele gevolgen hebben voor de verdachte. Bovendien heeft het tijdsverloop wel invloed gehad op de mogelijkheid de verdedigingsrechten uit te oefenen en kunnen de belangen van de slachtoffers ook worden gediend via de civielrechtelijke weg.
Juridisch kader
In het geval dat een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, vindt niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging plaats. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat – in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens – “the proceedings as a whole were not fair”.
Voorts heeft elke verdachte, ingevolge artikel 6, eerste lid, EVRM, het recht op een openbare behandeling van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Bedoelde termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het Openbaar Ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen.
Als uitgangspunt voor jeugdigen heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de complexiteit van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
Volgens de rechtspraak van de Hoge Raad leidt een overschrijding van de redelijke termijn slechts in uitzonderlijke gevallen tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in zijn vervolging, bijvoorbeeld wanneer in een eenvoudige zaak sprake is van een zeer ernstige overschrijding. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door strafvermindering.
Het hof heeft de volgende belangen, feiten en omstandigheden bij haar afweging betrokken.
Constatering van de overschrijding van de redelijke termijn
In onderhavige zaak is de verdachte op 20 augustus 2018 door de politie gehoord. De politie heeft op 25 maart 2019 het eindproces-verbaal gesloten. Vervolgens heeft de raadsman van de verdachte zich op 22 januari 2020 gesteld. Op 31 januari 2020 heeft de raadsman onder andere verzocht om een deskundige, een patholoog-anatoom dan wel forensisch arts, te benoemen teneinde (nader) onderzoek te laten instellen naar (de aard van) het letsel. Daarnaast heeft de raadsman op 31 januari 2020 voorwaardelijk verzocht [betrokkene] te horen. Op 3 april 2020 heeft de officier van justitie aangegeven te voldoen aan het verzoek van de verdediging. Met betrekking tot het voorwaardelijk verzoek heeft de officier van justitie aangegeven daarop nog niet te reageren, maar eerst het nader onderzoek af te wachten en daarna te bezien of dit voorwaardelijk verzoek gehandhaafd blijft. Op 8 april 2021 heeft de rechter-commissaris een deskundige benoemd. Op 8 november 2022 heeft de deskundige het volledige dossier van het Openbaar Ministerie ontvangen, wat uiteindelijk op 28 december 2022 heeft geleid tot het rapport ‘Forensisch-medisch onderzoek inzake een destijds circa 3,5 maand oude jongen’. Vervolgens heeft de verdediging op 5 september 2023 kenbaar gemaakt het verzoek tot het horen van [betrokkene] te handhaven. Op 3 april 2023 heeft de officier van justitie kenbaar gemaakt zich niet te verzetten tegen dit verzoek. Uiteindelijk is [betrokkene] op 3 april 2023 door de rechter-commissaris gehoord. Na het getuigenverhoor is de raadsman in de gelegenheid gesteld om eventuele nadere onderzoekswensen in te dienen. Op 11 september 2023 heeft de raadsman aangegeven géén nadere onderzoekswensen te hebben. De zaak is vervolgens op 28 maart 2024 ter terechtzitting in eerste aanleg behandeld, waarna op 11 april 2024 uitspraak is gedaan.
Het hof overweegt dat de redelijke termijn is aangevangen op 20 augustus 2018, de dag waarop de verdachte is gehoord. Het vonnis in eerste aanleg is gewezen op 11 april 2024. Aldus is sprake van een tijdsverloop van ongeveer vijf jaren en acht maanden. Daarmee is de redelijke termijn van 16 maanden waarbinnen de berechting van de verdachte had dienen plaats te vinden in zeer extreme mate overschreden. Het betreft een tijdsverloop van bijna 68 maanden en daarmee een overschrijding van de redelijke termijn van bijna 52 maanden.
De advocaat-generaal heeft ter zifting geen redelijke verklaring gegeven voor het forse tijdsverloop en de extreme overschrijding, anders dan dat voornoemde onderzoekshandelingen tijd hebben gekost. Het hof is van oordeel dat de verdediging geen enkel aandeel heeft gehad in de lange duur van de onderzoekshandelingen en daarmee de vertraging van het procesverloop. Daar staat tegenover dat het hof met de verdediging constateert dat het kennelijk meer dan 1,5 jaar heeft geduurd alvorens het Openbaar Ministerie het procesdossier aan het NFI stuurde ten behoeve van het forensisch medisch onderzoek. De onderzoekshandelingen hadden dan ook voortvarender uitgevoerd kunnen en moeten worden en de zaak had daarmee ook veel eerder inhoudelijk behandeld kunnen en moeten worden. Deze termijnoverschrijding komt voor rekening van het Openbaar Ministerie, nu niet is gesteld of gebleken dat sprake is van bijzondere omstandigheden die overschrijding van de redelijke termijn kunnen rechtvaardigen.
Rechtsgevolg van de overschrijding van de redelijke termijn
De verdachte heeft er belang bij niet langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging te moeten leven. Dit geldt te meer bij een jeugdige verdachte. Het jeugdstrafrecht dient immers in hoofdzaak een positieve pedagogische ontwikkeling van verdachten. Dit pedagogische hoofddoel van het jeugdstrafrecht maakt dat de strafrechtelijke reactie snel, doeltreffend en op maat moet zijn. Uiteindelijk is het jeugdstrafrecht gericht op succesvolle re-integratie van de verdachte, opdat de verdachte een constructieve rol in de samenleving zal gaan vervullen. Deze uitgangspunten van het jeugdstrafrecht dienen zowel het belang van de verdachte als de samenleving en volgen uitdrukkelijk uit artikelen 40 lid 1, lid 2 onder b (iii) en lid 4 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). In plaats van een voortvarende behandeling van de strafzaak is echter sprake geweest van een onnodig extreem langdurend proces in eerste aanleg van 68 maanden in welke tijd de (jeugdige) verdachte steeds in onzekerheid heeft moeten verkeren omtrent zijn strafrechtelijke berechting. Hierbij komt dat niet de verdachte, maar het Openbaar Ministerie vervolgens ook nog hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank heeft ingesteld, waardoor het proces uiteindelijk nog langer heeft geduurd. Het hof stelt vast dat de duur van het proces in eerste aanleg en de daarmee gepaard gaande overschrijding van de redelijke termijn zodanig extreem zijn geweest, dat het niet anders kan zijn dan dat de langdurige dreiging van (verdere) strafvervolging een niet onaanzienlijk risico van negatieve beïnvloeding van de ontwikkeling van de (jeugdige) verdachte met zich heeft gebracht en op die wijze per definitie disproportionele negatieve gevolgen heeft gehad voor de belangen van deze (jeugdige) verdachte. Daarmee is naar het oordeel van het hof een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces gemaakt die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd.
Het hof heeft anderzijds ook oog voor de belangen van de slachtoffers en de samenleving bij een effectieve vervolging, berechting en bestraffing van (ernstige) strafbare feiten en de mogelijkheid voor de in het strafproces gevoegde benadeelde partijen om eventueel geleden schade als gevolg van het strafbare feit te verhalen op de verdachte. Wat betreft het eerstgenoemde belang stelt het hof vast dat van een effectieve vervolging, berechting en bestraffing in deze zaak als gevolg van de zeer extreme overschrijding van de redelijke termijn, geen sprake meer kan zijn. Door die zeer extreme overschrijding van de redelijke termijn met 52 maanden heeft pedagogische interventie op grond van het jeugdstrafrecht geen meerwaarde meer, maar het zou ook de positieve ontwikkeling van de verdachte verstoren. De destijds 16-jarige verdachte is inmiddels een 23-jarige jongvolwassene, die samenwoont met zijn vriendin, een 3-jarige zoon heeft en een baan heeft. Ook uit het reclasseringsadvies van 21 januari 2025 blijkt deze positieve ontwikkeling. De reclassering heeft als volgt geconcludeerd: ‘Ten opzichte van het uitgebracht reclasseringsadvies van januari 2024 hebben er op familiair gebied veranderingen plaatsgevonden. Daarnaast zijn er zorgen rondom de huidige partnerrelatie van betrokkene. Het voorgaande heeft niet geleid tot nieuwe justitiecontacten. Verder is er sprake van dagbesteding, een vast inkomen, huisvesting en zijn er geen signalen van problematisch middelengebruik, hetgeen wij aanmerken als beschermende factoren. Het bovenstaande in overweging nemende wordt het risico op recidive ingeschat als laag’. Met de verdediging is het hof dan ook van oordeel dat het doel van pedagogische interventie al op andere wijze is behaald en veroordeling of vervolging alleen maar nadelige en disproportionele gevolgen zal hebben voor de verdachte. Het hof ziet het verstoren van de positieve ontwikkeling van de verdachte als gevolg van een extreem late jeugdstrafrechtelijke interventie als een disproportioneel nadeel voor de verdachte dat onverenigbaar is met de bovengenoemde uitgangspunten van het jeugdstrafrecht.
Wat betreft het belang van de in het strafproces gevoegde benadeelde partijen overweegt het hof als volgt. In onderhavige zaak hebben twee benadeelde partijen zich gevoegd met civiele vorderingen. Het hof heeft kennis genomen van deze vorderingen en is van oordeel dat het belang dat de verdachte heeft bij niet verdere vervolging en het belang dat de maatschappij heeft bij het niet-verstoren van de positieve ontwikkeling van verdachte evident zwaarder wegen dan het belang dat de maatschappij heeft bij de beoordeling van de vorderingen van de benadeelde partijen in deze strafzaak. Dit laatste gelet op de hoogte, de aard, de complexiteit en de kans op toewijzing van deze vorderingen, maar ook gelet op het feit dat de benadeelde partijen de vorderingen tot schadevergoeding bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen. Het maatschappelijk belang om de vorderingen van de benadeelde partijen in deze strafzaak te beoordelen, weegt dan ook minder zwaar dan het belang bij niet-verdere vervolging, berechting en bestraffing van de verdachte en weegt in het licht van al het voorgaande niet zwaar genoeg om het Openbaar Ministerie alsnog ontvankelijk te kunnen verklaren in de vervolging.
Het hof is gelet op alle feiten en omstandigheden van het geval in deze zaak dan ook van oordeel dat sprake is van een zeer ernstige overschrijding van de redelijke termijn in een jeugdzaak, welke overschrijding niet kan worden verklaard of gerechtvaardigd door de eventuele complexiteit van het onderzoek. Gelet op de niet-verklaarbare termijnoverschrijding in deze zaak is naar het oordeel van het hof sprake van een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Het gaat hierbij om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. De inbreuk kan in dit geval het verstrekkende oordeel dragen dat “the proceedings as a whole were not fair”. In dit geval is wat betreft het hof dan ook sprake van een uitzonderlijk geval waarbij niet kan worden volstaan met een andere sanctie dan de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.
Het hof zal, gelet op de genoemde omstandigheden en alles afwegende, het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de (verdere) vervolging van de verdachte.”
2.5
Vooropgesteld moet worden dat een overschrijding van de redelijke termijn nimmer, dus ook niet in uitzonderlijke gevallen, kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging.1.Dat hierop in jeugdstrafzaken geen uitzondering wordt gemaakt, bleek al uit een arrest van de Hoge Raad van 30 maart 2010, waarin werd vastgesteld dat in die zaak, waarin het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden, maar dat overschrijding van die termijn niet kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging.2.Een vordering tot cassatie in het belang der wet in 2015 heeft daarin geen wijziging gebracht. Daarin werd (nogmaals) de vraag aan de orde gesteld of bij een overschrijding van de redelijke termijn in jeugdstrafzaken de rechter de ruimte zou moeten (her)krijgen daaraan het in art. 359a lid 1 Sv genoemde rechtsgevolg van niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie te verbinden, als de rechter op grond van alle omstandigheden van het geval tot het oordeel komt dat niet kan worden volstaan met een strafvermindering.3.De Hoge Raad zag geen aanleiding om zijn vuistregels aan te passen en overwoog daartoe als volgt:4.
“3.3 De in 2008 herijkte vuistregels beogen duidelijkheid te verschaffen over onder meer de vraag welk rechtsgevolg dient te worden verbonden aan overschrijding van de redelijke termijn. Zij beogen het debat te stroomlijnen en te voorkomen dat gelijke gevallen ongelijk worden behandeld. Het middel noch de daarin geciteerde rechterlijke uitspraken waarin wordt afgeweken van die vuistregels, geven de Hoge Raad op dit moment aanleiding tot aanpassing van zijn onder 3.2 vermelde rechtspraak in de door het middel bepleite zin.
De Hoge Raad merkt daarbij op dat het middel, op zichzelf terecht, sterke nadruk legt op het bijzondere karakter van het jeugdstrafrecht en op het grote belang van een voortvarende afdoening van zaken waarin het strafrecht voor jeugdigen is toegepast. In het midden kan overigens blijven of zich toch niet gevallen kunnen voordoen waarin het uit pedagogisch oogpunt juist niet verantwoord is dat een minderjarige van wie vaststaat dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan een delict, enkel vanwege justitieel talmen ontkomt aan berechting en bestraffing.
Dat belang van een voortvarende afdoening brengt evenwel niet mee dat de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging het rechtsgevolg zou moeten kunnen zijn van de dadenloosheid van de justitiële autoriteiten. Dit rechtsgevolg is zelfs niet passend en geboden indien sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn voor berechting en wordt ook niet dwingend voorgeschreven door de in de toelichting op het middel vermelde verdragsbepalingen.
Mede gelet op andere dan in het middel genoemde belangen, bijvoorbeeld die van mogelijke slachtoffers, al dan niet in de hoedanigheid van benadeelde partij, is er onvoldoende reden om in zulke gevallen het openbaar ministerie zijn vervolgingsrecht te ontzeggen en niet te volstaan met een minder verstrekkend rechtsgevolg als strafvermindering of in voorkomende gevallen de in art. 9a Sr bedoelde schuldigverklaring zonder toepassing van straf of maatregel. Opmerking verdient ook dat een verdachte in voorkomende gevallen een verzoek als bedoeld in art. 36 Sv kan indienen.”
2.6
De op art. 6 lid 1 EVRM gestoelde aanspraak op de behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn, beoogt te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is, onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging zou moeten leven. Naast de bescherming die aldus aan de verdachte wordt geboden zijn er ook andere factoren die nopen tot een voortvarende afhandeling van strafzaken, zoals de preventieve werking die geacht wordt uit te gaan van berechting en bestraffing, de gerechtvaardigde belangen van het eventuele slachtoffer van het feit en de ongunstige invloed van het tijdsverloop op de beoordeling van de feiten als gevolg van de verbleking van de herinnering van – bijvoorbeeld – eventuele getuigen.5.Dat het recht op behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn ook in verband met andere factoren van belang is, brengt echter nog niet mee dat dit voorschrift met het oog op die factoren is opgenomen. Zo heeft de Hoge Raad bijvoorbeeld eerder uitgemaakt dat het voorschrift er in het bijzonder niet toe strekt de verdedigingsrechten van de verdachte te waarborgen. De in het standaardarrest uit 2008 geformuleerde vuistregels houden alleen verband met het recht op behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn en gelden niet voor de beoordeling van inbreuken op de verdedigingsrechten.6.
2.7
In de onderhavige zaak heeft de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep (kort samengevat) bepleit dat de zeer extreme overschrijding van de redelijke termijn maakt dat de doelstellingen die met het jeugdstrafrecht worden nagestreefd, niet meer kunnen worden gediend. Gezien de doorgemaakte positieve ontwikkelingen zal de voortzetting van de vervolging enkel nadelige en disproportionele gevolgen hebben voor de verdachte. Bovendien heeft het tijdsverloop invloed gehad op de mogelijkheid verdedigingsrechten uit te oefenen en kunnen de belangen van de slachtoffers ook worden gediend via de civielrechtelijke weg. Het Openbaar Ministerie dient dan ook, zo heeft de verdediging betoogd, niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging.
2.8
Het hof is, met de verdediging, tot de slotsom gekomen dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. Het hof heeft daartoe overwogen dat de redelijke termijn in zeer extreme mate, namelijk met bijna 52 maanden, is overschreden en schrijft deze termijnoverschrijding toe op het conto van het Openbaar Ministerie. Voor wat betreft de vraag welk rechtsgevolg aan de overschrijding van de redelijke termijn moet worden verbonden maakt het hof in de eerste plaats een belangenafweging tussen enerzijds het belang van de jeugdige verdachte bij een voortvarende behandeling van zijn strafzaak en anderzijds de belangen van de slachtoffers en de samenleving. Het hof stelt ten aanzien van het belang van de verdachte vast dat de overschrijding van de redelijke termijn zodanig extreem is geweest dat het niet anders kan zijn dan dat dit disproportionele negatieve gevolgen voor de verdachte heeft gehad. Bovendien is inmiddels ook het doel van pedagogische interventie op een andere wijze behaald en zal een veroordeling of vervolging alleen maar nadelige en disproportionele gevolgen hebben voor de verdachte. Het hof is van oordeel dat het belang van de verdachte en het belang van de maatschappij bij het niet-verstoren van de positieve ontwikkeling van verdachte evident zwaarder wegen dan het belang dat de maatschappij heeft bij de beoordeling van de vorderingen van de benadeelde partijen. Het hof komt vervolgens gelet op de niet-verklaarbare termijnoverschrijding tot het oordeel dat sprake is van een zodanige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak, dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM. Volgens het hof gaat het hierbij om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd en kan de inbreuk het verstrekkende oordeel dragen dat “the proceedings as a whole were not fair”, zodat niet kan worden volstaan met een andere sanctie dan de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.
2.9
Uit ’s hofs overwegingen maak ik op dat in essentie de excessieve en niet-verklaarbare overschrijding van de redelijke termijn het hof tot zijn beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging heeft gebracht. Zo overweegt het hof dat de overschrijding van de redelijke termijn zodanig extreem is dat het per definitie disproportionele negatieve gevolgen heeft gehad voor de belangen van deze (jeugdige) verdachte en dat daarmee naar het oordeel van het hof een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces is gemaakt die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Dat het doel van pedagogische interventie al op andere wijze is behaald en een vervolging en veroordeling alleen maar nadelige en disproportionele gevolgen zal hebben voor de verdachte, is volgens het hof eveneens toe te schrijven aan de termijnoverschrijding. Ook uit ’s hofs slotoverwegingen volgt dat enkel de niet-verklaarbare termijnoverschrijding in deze zaak ten grondslag is gelegd aan het niet-ontvankelijk verklaren van het Openbaar Ministerie in de vervolging. Daarbij wijs ik erop dat het hof een en ander heeft overwogen onder de kop ‘Rechtsgevolg van de overschrijding van de redelijke termijn’. Zoals uit de hiervoor besproken rechtspraak van de Hoge Raad volgt, kan overschrijding van de redelijke termijn echter nimmer leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging.7.Ook niet in uitzonderlijke gevallen, of zoals het hof in de onderhavige zaak heeft overwogen in eenvoudige zaken waarin sprake is van een zeer ernstige overschrijding. Het oordeel van het hof geeft derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De steller van het middel klaagt daarover terecht.
2.10
Gelet op het voorgaande is het middel, dat klaagt dat het Openbaar Ministerie ten onrechte niet-ontvankelijk in de vervolging is verklaard, terecht voorgesteld.
2.11
De vraag die zich vervolgens voordoet, is tot welke slotsom dit dient te leiden. De steller van het middel wijst erop dat terugwijzing naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch gepaard zal gaan met een verder tijdsverloop en de verdachte daar al de nodige nadelige gevolgen van heeft ondervonden. De benadeelde partijen hebben aan de steller van het middel te kennen gegeven dat zij de strafzaak graag achter zich laten en zich ten aanzien van de vorderingen kunnen vinden in de beslissing van de rechtbank. Nu de verdachte geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis en het Openbaar Ministerie de bezwaren tegen het vonnis in eerste aanleg niet langer handhaaft, verzoekt de steller van het middel om de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep.
2.12
Gelet op het voorgaande kan ik mij goed voorstellen dat de Hoge Raad de zaak inderdaad zelf wil afdoen. De Hoge Raad zal de bestreden uitspraak kunnen vernietigen en de officier van justitie niet-ontvankelijk kunnen verklaren in het ingestelde hoger beroep.8.In dit verband wijs ik wel op het volgende. De rechtbank heeft de verdachte in eerste aanleg wegens subsidiair “zware mishandeling” veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 75 uren, subsidiair 37 dagen jeugddetentie en heeft bepaald dat de verdachte, hoewel hij de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, bij omzetting van de taakstraf in aanmerking komt voor vervangende hechtenis overeenkomstig art. 6:3:10 lid 3 Sv. Daarnaast heeft de rechtbank beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen en aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd. Deze beslissingen zouden met voormelde wijze van afdoening van de zaak onherroepelijk zijn. Op grond van art. 77ma Sv is in het onderhavige geval evenwel het zogenoemde taakstrafverbod van toepassing, hetgeen vergt dat naast een eventuele taakstraf bijvoorbeeld één dag voorwaardelijke jeugddetentie wordt opgelegd. De door de rechtbank opgelegde straf is daarmee in strijd. Gelet hierop zou de Hoge Raad er ambtshalve voor kunnen kiezen om de bestreden uitspraak te vernietigen en te doen wat de rechtbank had behoren te doen.
3. Slotsom
3.1
Het middel slaagt.
3.2
Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 16‑09‑2025
HR 30 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL3228, r.o. 2.2.
Volgens mijn ambtgenoot Spronken die destijds de vordering tot cassatie in het belang der wet indiende zou dat het geval kunnen zijn als de rechter vaststelt dat door het verstrijken van de tijd het pedagogische effect van een berechting nihil, averechts of zelfs negatief van aard is. Zie ECLI:NL:PHR:2015:1295, onder 34.
HR 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2465, NJ 2016/40 m.nt. P.A.M. Mevis.
Zie onder meer: HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 3.11; Hoge Raad 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2059, NJ 2017/51 m.nt. T.Kooijmans r.o. 2.3.1-2.3.2. en Hoge Raad 22 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1413, r.o. 2.3.
Hoge Raad 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2059, NJ 2017/51 m.nt. T.Kooijmans r.o. 2.3.2. Zie ook meer recent HR 12 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1009, r.o. 2.3.2 en HR 22 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1413, r.o. 2.3.2.
Vrij recentelijk is aan de Hoge Raad voorgelegd of de invoering van art. 17 lid 1 Grondwet tot aanpassing van deze jurisprudentie zou moeten leiden. De Hoge Raad deed de zaak af met art. 81 RO. Zie HR 24 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1293. Aanleiding tot aanpassing van deze rechtspraak zie ik op dit moment evenmin. Mijn ambtgenoot Van Kempen nam recent eenzelfde standpunt in. Zie ECLI:NL:PHR:2025:814.
Vgl. HR 19 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1211, waarin de Hoge Raad ook (ten dele) een dergelijke beslissing nam.
Beroepschrift 25‑06‑2025
Hoge Raad der Nederlanden
t.a.v. de strafadministratie
Postbus 20303
2500 EH 's‑Gravenhage
via het cassatieportaal
Onderdeel | Cassatiedesk | |
Contactpersoon | Mr. H.H.J. Knol | |
Doorkiesnummer | 088-6994874 | |
Datum | 25 juni 2025 | |
Ons kenmerk | 20-001110-24 | |
Uw kenmerk | 25/00821 | |
Bijlage(n) | Cassatieschriftuur inz. [verdachte] |
Geachte heer/mevrouw,
Hierbij doe ik U toekomen de cassatieschriftuur in de zaak [verdachte].
Hoogachtend,
Mr. H.H.J. Knol
advocaat-generaal
CASSATIESCHRIFTUUR
Parketnummer: 20-001110-24
Zaaknummer HR: 25/00821
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Het beroep in cassatie van rekwirant is gericht tegen het arrest van het Hof 's‑Hertogenbosch van 28 februari 2025, waarbij het Hof in de strafzaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats],
het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk heeft verklaard in de vervolging ter zake van het primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde.
Rekwirant kan zich met deze uitspraak en de motivering daarvan niet verenigen en stelt daarom een middel van cassatie voor.
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt als bedoeld in art. 79 lid 1 RO, meer in het bijzonder schending van art. 348 en/of 349 Sv en/of art. 6 EVRM, aangezien, zoals hierna nader zal worden toegelicht,
- (i)
het Hof met zijn overweging dat overschrijding van de redelijke termijn slechts in uitzonderlijke gevallen tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie leidt, bijvoorbeeld wanneer in een eenvoudige zaak sprake is van een zeer ernstige overschrijding, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting;
- (ii)
het Hof bij zijn oordeel dat sprake is van de situatie dat ‘the proceedings as a whole are not fair’ ten onrechte een belangenafweging heeft gemaakt tussen enerzijds de belangen van de jeugdige verdachte en anderzijds de belangen van de slachtoffers en de samenleving, en in zoverre blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting;
- (iii)
het oordeel van het Hof dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging wegens overschrijding van de redelijke termijn, omdat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting;
- (iv)
het Hof zijn oordeel dat sprake is van een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd en dat die inbreuk in dit geval het verstrekkende oordeel kan dragen dat ‘the proceedings as a whole were not fair’ en dat niet kan worden volstaan met een andere sanctie dan de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, ontoereikend heeft gemotiveerd, althans is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk.
Toelichting
1.
Aan verdachte wordt — kort gezegd — verweten dat hij op 11 augustus 2018 fors geweld heeft toegepast op de toen nog geen vier maanden oude [slachtoffer], het zoontje van zijn toenmalige vriendin, ten gevolge waarvan [slachtoffer] een ernstig hoofdtrauma heeft opgelopen met blijvend ernstig letsel tot gevolg. Verdachte was op dat moment 16 jaar en bijna 9 maanden oud. Dit is primair tenlastegelegd als poging tot doodslag, subsidiair als zware mishandeling en meer subsidiair als poging tot zware mishandeling. De Rechtbank is bij vonnis van 11 april 2024 gekomen tot een bewezenverklaring van de subsidiair tenlastegelegde zware mishandeling en heeft aan verdachte een werkstraf opgelegd van 75 uren. Bij de strafoplegging heeft de Rechtbank onder meer rekening gehouden met de grote vooruitgang die verdachte inmiddels op verschillende leefgebieden had geboekt en het feit dat de redelijke termijn enorm was overschreden. Tevens heeft de Rechtbank de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toegewezen tot een bedrag van € 5.000 aan immateriële schade en de vordering van zijn moeder toegewezen tot een bedrag van € 16.099,27 aan materiële schade en immateriële shockschade. Het door de verdediging gevoerde verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging wegens de overschrijding van de redelijke termijn, is door de Rechtbank verworpen.
2.
De officier van justitie heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Blijkens de appelmemorie was dit appel gericht tegen de vrijspraak van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag en in vervolg daarop de strafoplegging. Het Hof heeft dit hoger beroep voortvarend behandeld ter zitting van 14 februari 2025. Namens de benadeelde partijen is door hun advocaat aangevoerd dat [slachtoffer] als gevolg van het aan verdachte tenlastegelegde een toekomst tegemoet gaat met heel veel problemen, hij mogelijk begeleid zal moeten wonen en nooit geheel zal kunnen herstellen. In haar schriftelijke slachtofferverklaring heeft de moeder van [slachtoffer] onder meer aangegeven dat zij als gevolg van dit feit is gestopt met werken om voor haar zoontje te kunnen zorgen.
3.
Het Hof heeft het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging en daartoe overwogen:
‘Juridisch kader
In het geval dat een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, vindt niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging plaats. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat — in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens — ‘the proceedings as a whole were not fair’.
Voorts heeft elke verdachte, ingevolge artikel 6, eerste lid, EVRM, het recht op een openbare behandeling van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Bedoelde termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het Openbaar Ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen.
Als uitgangspunt voor jeugdigen heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de complexiteit van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
Volgens de rechtspraak van de Hoge Raad leidt een overschrijding van de redelijke termijn slechts in uitzonderlijke gevallen tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in zijn vervolging, bijvoorbeeld wanneer in een eenvoudige zaak sprake is van een zeer ernstige overschrijding. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door strafvermindering.
Het hof heeft de volgende belangen, feiten en omstandigheden bij haar afweging betrokken.
Constatering van de overschrijding van de redelijke termijn
In onderhavige zaak is de verdachte op 20 augustus 2018 door de politie gehoord. De politie heeft op 25 maart 2019 het eindproces-verbaal gesloten. Vervolgens heeft de raadsman van de verdachte zich op 22 januari 2020 gesteld. Op 31 januari 2020 heeft de raadsman onder andere verzocht om een deskundige, een patholooganatoom dan wel forensisch arts, te benoemen teneinde (nader) onderzoek te laten instellen naar (de aard van) het letsel.
Daarnaast heeft de raadsman op 31 januari 2020 voorwaardelijk verzocht [betrokkene] te horen. Op 3 april 2020 heeft de officier van justitie aangegeven te voldoen aan het verzoek van de verdediging. Met betrekking tot het voorwaardelijk verzoek heeft de officier van justitie aangegeven daarop nog niet te reageren, maar eerst het nader onderzoek af te wachten en daarna te bezien of dit voorwaardelijk verzoek gehandhaafd blijft. Op 8 april 2021 heeft de rechter-commissaris een deskundige benoemd. Op 8 november 2022 heeft de deskundige het volledige dossier van het Openbaar Ministerie ontvangen, wat uiteindelijk op 28 december 2022 heeft geleid tot het rapport ‘Forensisch-medisch onderzoek inzake een destijds circa 3,5 maand oude jongen’. Vervolgens heeft de verdediging op 5 september 2023 kenbaar gemaakt het verzoek tot het horen van [betrokkene] te handhaven. Op 3 april 2023 heeft de officier van justitie kenbaar gemaakt zich niet te verzetten tegen dit verzoek. Uiteindelijk is [betrokkene] op 3 april 2023 door de rechter-commissaris gehoord. Na het getuigenverhoor is de raadsman in de gelegenheid gesteld om eventuele nadere onderzoekswensen in te dienen. Op 11 september 2023 heeft de raadsman aangegeven géén nadere onderzoekswensen te hebben. De zaak is vervolgens op 28 maart 2024 ter terechtzitting in eerste aanleg behandeld, waarna op 11 april 2024 uitspraak is gedaan.
Het hof overweegt dat de redelijke termijn is aangevangen op 20 augustus 2018, de dag waarop de verdachte is gehoord. Het vonnis in eerste aanleg is gewezen op 11 april 2024.
Aldus is sprake van een tijdsverloop van ongeveer vijf jaren en acht maanden. Daarmee is de redelijke termijn van 16 maanden waarbinnen de berechting van de verdachte had dienen plaats te vinden in zeer extreme mate overschreden. Het betreft een tijdsverloop van bijna 68 maanden en daarmee een overschrijding van de redelijke termijn van bijna 52 maanden.
De advocaat-generaal heeft ter zitting geen redelijke verklaring gegeven voor het forse tijdsverloop en de extreme overschrijding, anders dan dat voornoemde onderzoekshandelingen tijd hebben gekost. Het hof is van oordeel dat de verdediging geen enkel aandeel heeft gehad in de lange duur van de onderzoekshandelingen en daarmee de vertraging van het procesverloop. Daar staat tegenover dat het hof met de verdediging constateert dat het kennelijk meer dan 1,5 jaar heeft geduurd alvorens het Openbaar Ministerie het procesdossier aan het NFI stuurde ten behoeve van het forensisch medisch onderzoek. De onderzoekshandelingen hadden dan ook voortvarender uitgevoerd kunnen en moeten worden en de zaak had daarmee ook veel eerder inhoudelijk behandeld kunnen en moeten worden. Deze termijnoverschrijding komt voor rekening van het Openbaar Ministerie, nu niet is gesteld of gebleken dat sprake is van bijzondere omstandigheden die overschrijding van de redelijke termijn kunnen rechtvaardigen.
Rechtsgevolg van de overschrijding van de redelijke termijn
De verdachte heeft er belang bij niet langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging te moeten leven. Dit geldt te meer bij een jeugdige verdachte. Het jeugdstrafrecht dient immers in hoofdzaak een positieve pedagogische ontwikkeling van verdachten. Dit pedagogische hoofddoel van het jeugdstrafrecht maakt dat de strafrechtelijke reactie snel, doeltreffend en op maat moet zijn. Uiteindelijk is het jeugdstrafrecht gericht op succesvolle re-integratie van de verdachte, opdat de verdachte een constructieve rol in de samenleving zal gaan vervullen. Deze uitgangspunten van het jeugdstrafrecht dienen zowel het belang van de verdachte als de samenleving en volgen uitdrukkelijk uit artikelen 40 lid 1, lid 2 onder b (iii) en lid 4 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). In plaats van een voortvarende behandeling van de strafzaak is echter sprake geweest van een onnodig extreem langdurend proces in eerste aanleg van 68 maanden in welke tijd de (jeugdige) verdachte steeds in onzekerheid heeft moeten verkeren omtrent zijn strafrechtelijke berechting. Hierbij komt dat niet de verdachte, maar het Openbaar Ministerie vervolgens ook nog hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank heeft ingesteld, waardoor het proces uiteindelijk nog langer heeft geduurd. Het hof stelt vast dat de duur van het proces in eerste aanleg en de daarmee gepaard gaande overschrijding van de redelijke termijn zodanig extreem zijn geweest, dat het niet anders kan zijn dan dat de langdurige dreiging van (verdere) strafvervolging een niet onaanzienlijk risico van negatieve beïnvloeding van de ontwikkeling van de (jeugdige) verdachte met zich heeft gebracht en op die wijze per definitie disproportionele negatieve gevolgen heeft gehad voor de belangen van deze (jeugdige) verdachte. Daarmee is naar het oordeel van het hof een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces gemaakt die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd.
Het hof heeft anderzijds ook oog voor de belangen van de slachtoffers en de samenleving bij een effectieve vervolging, berechting en bestraffing van (ernstige) strafbare feiten en de mogelijkheid voor de in het strafproces gevoegde benadeelde partijen om eventueel geleden schade als gevolg van het strafbare feit te verhalen op de verdachte. Wat betreft het eerstgenoemde belang stelt het hof vast dat van een effectieve vervolging, berechting en bestraffing in deze zaak als gevolg van de zeer extreme overschrijding van de redelijke termijn, geen sprake meer kan zijn. Door die zeer extreme overschrijding van de redelijke termijn met 52 maanden heeft pedagogische interventie op grond van het jeugdstrafrecht geen meerwaarde meer, maar het zou ook de positieve ontwikkeling van de verdachte verstoren. De destijds 16-jarige verdachte is inmiddels een 23-jarige jongvolwassene, die samenwoont met zijn vriendin, een 3-jarige zoon heeft en een baan heeft. Ook uit het reclasseringsadvies van 21 januari 2025 blijkt deze positieve ontwikkeling. De reclassering heeft als volgt geconcludeerd:
‘Ten opzichte van het uitgebracht reclasseringsadvies van januari 2024 hebben er op familiair gebied veranderingen plaatsgevonden. Daarnaast zijn er zorgen rondom de huidige partnerrelatie van betrokkene. Het voorgaande heeft niet geleid tot nieuwe justitiecontacten. Verder is er sprake van dagbesteding, een vast inkomen, huisvesting en zijn er geen signalen van problematisch middelengebruik, hetgeen wij aanmerken als beschermende factoren. Het bovenstaande in overweging nemende wordt het risico op recidive ingeschat als laag’.
Met de verdediging is het hof dan ook van oordeel dat het doel van pedagogische interventie al op andere wijze is behaald en veroordeling of vervolging alleen maar nadelige en disproportionele gevolgen zal hebben voor de verdachte.
Het hof ziet het verstoren van de positieve ontwikkeling van de verdachte als gevolg van een extreem late jeugdstrafrechtelijke interventie als een disproportioneel nadeel voor de verdachte dat onverenigbaar is met de bovengenoemde uitgangspunten van het jeugdstrafrecht.
Wat betreft het belang van de in het strafproces gevoegde benadeelde partijen overweegt het hof als volgt. In onderhavige zaak hebben twee benadeelde partijen zich gevoegd met civiele vorderingen. Het hof heeft kennis genomen van deze vorderingen en is van oordeel dat het belang dat de verdachte heeft bij niet verdere vervolging en het belang dat de maatschappij heeft bij het niet-verstoren van de positieve ontwikkeling van verdachte evident zwaarder wegen dan het belang dat de maatschappij heeft bij de beoordeling van de vorderingen van de benadeelde partijen in deze strafzaak. Dit laatste gelet op de hoogte, de aard, de complexiteit en de kans op toewijzing van deze vorderingen, maar ook gelet op het feit dat de benadeelde partijen de vorderingen tot schadevergoeding bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen. Het maatschappelijk belang om de vorderingen van de benadeelde partijen in deze strafzaak te beoordelen, weegt dan ook minder zwaar dan het belang bij niet-verdere vervolging, berechting en bestraffing van de verdachte en weegt in het licht van al het voorgaande niet zwaar genoeg om het Openbaar Ministerie alsnog ontvankelijk te kunnen verklaren in de vervolging.
Het hof is gelet op alle feiten en omstandigheden van het geval in deze zaak dan ook van oordeel dat sprake is van een zeer ernstige overschrijding van de redelijke termijn in een jeugdzaak, welke overschrijding niet kan worden verklaard of gerechtvaardigd door de eventuele complexiteit van het onderzoek. Gelet op de niet-verklaarbare termijnoverschrijding in deze zaak is naar het oordeel van het hof sprake van een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM.
Het gaat hierbij om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. De inbreuk kan in dit geval het verstrekkende oordeel dragen dat ‘the proceedings as a whole were not fair’. In dit geval is wat betreft het hof dan ook sprake van een uitzonderlijk geval waarbij niet kan worden volstaan met een andere sanctie dan de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.
Het hof zal, gelet op de genoemde omstandigheden en alles afwegende, het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de (verdere) vervolging van de verdachte.’
4.1
In zijn arrest van 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2059, NJ 2017/51, heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:
‘2.3.1.
Het voorschrift van art. 6, eerste lid, EVRM inzake de behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn beoogt te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging zou moeten leven. In HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 zijn uitgangspunten en regels geformuleerd over de inbreuk op dit voorschrift en het rechtgevolg dat daaraan dient te worden verbonden. In dat arrest is beslist dat overschrijding van de redelijke termijn nimmer kan leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging of de ontnemingsvordering.
2.3.2.
In genoemd arrest is voorts erop gewezen dat ook andere factoren nopen tot een voortvarende afhandeling van strafzaken, zoals de ongunstige invloed van het tijdsverloop op de beoordeling van de feiten als gevolg van de verbleking van de herinnering van — bijvoorbeeld — getuigen. Genoemd voorschrift van art. 6, eerste lid, EVRM inzake de behandeling binnen een redelijke termijn heeft evenwel niet het oog op deze factoren en strekt in het bijzonder niet ertoe de verdedigingsrechten van een verdachte te waarborgen, zoals het recht getuigen te ondervragen. De in voormeld arrest geformuleerde uitgangspunten en regels houden alleen verband met het recht op behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn en gelden dus niet voor de beoordeling van inbreuken op de verdedigingsrechten.
(…)
2.3.4.
Bij een inbreuk op de verdedigingsrechten van de verdachte die niet onder het bereik van art. 359a Sv valt, komt de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging niet in aanmerking, behoudens in het uitzonderlijke geval dat die inbreuk van dien aard is en zodanig ernstig dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM. Daarbij verdient opmerking dat het in de eerste plaats moet gaan om een inbreuk die onherstelbaar is en die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is gecompenseerd. Bovendien moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen — in de bewoordingen van het EHRM — dat ‘the proceedings as a whole were not fair’. Uit een en ander volgt dat de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging slechts in uitzonderlijke gevallen in beeld kan komen. Aan de motivering van die beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring worden hoge eisen gesteld.
Andere gevolgen dan de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging liggen meer in de rede indien sprake is van een — onherstelbare en niet voor (procedurele) compensatie vatbare — schending van de verdedigingsrechten. Ingeval bijvoorbeeld het bewijs van de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde uitsluitend steunt op een hem belastende tegenover de politie afgelegde getuigenverklaring, terwijl op de gronden als vermeld in HR 29 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5539, NJ 2013/145 moet worden aangenomen dat de verdachte niet het bij art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM voorziene recht heeft kunnen uitoefenen die getuige te (doen) horen omtrent die verklaring, en verdachtes betrokkenheid bij het hem tenlastegelegde ook niet wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal dan wel bedoeld steunbewijs geen betrekking heeft op die onderdelen van de verklaring die door de verdachte zijn betwist, ligt het in de rede dat die betwiste getuigenverklaring niet voor het bewijs wordt gebezigd en dat de verdachte bij gebreke van ander bewijsmateriaal wordt vrijgesproken van het hem tenlastegelegde, en in een ontnemingszaak dat de ontnemingsvordering wordt afgewezen. Dat is niet anders indien het tijdsverloop een complicatie heeft gevormd bij de vergaring en de waardering van het bewijsmateriaal.’
In zijn arrest van 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2465, NJ 2016/40, heeft de Hoge Raad specifiek ten aanzien van de redelijke termijn in jeugdzaken overwogen:
‘3.3.
De in 2008 herijkte vuistregels beogen duidelijkheid te verschaffen over onder meer de vraag welk rechtsgevolg dient te worden verbonden aan overschrijding van de redelijke termijn. Zij beogen het debat te stroomlijnen en te voorkomen dat gelijke gevallen ongelijk worden behandeld. Het middel noch de daarin geciteerde rechterlijke uitspraken waarin wordt afgeweken van die vuistregels, geven de Hoge Raad op dit moment aanleiding tot aanpassing van zijn onder 3.2 vermelde rechtspraak in de door het middel bepleite zin.
De Hoge Raad merkt daarbij op dat het middel, op zichzelf terecht, sterke nadruk legt op het bijzondere karakter van het jeugdstrafrecht en op het grote belang van een voortvarende afdoening van zaken waarin het strafrecht voor jeugdigen is toegepast. In het midden kan overigens blijven of zich toch niet gevallen kunnen voordoen waarin het uit pedagogisch oogpunt juist niet verantwoord is dat een minderjarige van wie vaststaat dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan een delict, enkel vanwege justitieel talmen ontkomt aan berechting en bestraffing.
Dat belang van een voortvarende afdoening brengt evenwel niet mee dat de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging het rechtsgevolg zou moeten kunnen zijn van de dadenloosheid van de justitiële autoriteiten. Dit rechtsgevolg is zelfs niet passend en geboden indien sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn voor berechting en wordt ook niet dwingend voorgeschreven door de in de toelichting op het middel vermelde verdragsbepalingen.1.
Mede gelet op andere dan in het middel genoemde belangen, bijvoorbeeld die van mogelijke slachtoffers, al dan niet in de hoedanigheid van benadeelde partij, is er onvoldoende reden om in zulke gevallen het openbaar ministerie zijn vervolgingsrecht te ontzeggen en niet te volstaan met een minder verstrekkend rechtsgevolg als strafvermindering of in voorkomende gevallen de in art. 9a Sr bedoelde schuldigverklaring zonder toepassing van straf of maatregel. Opmerking verdient ook dat een verdachte in voorkomende gevallen een verzoek als bedoeld in art. 36 Sv kan indienen.’2.
4.2
Uit de hiervoor genoemde jurisprudentie volgt dat de enkele overschrijding van de redelijke termijn nimmer kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging, ook niet in jeugdzaken. Voor zover het Hof heeft overwogen dat een overschrijding van de redelijke termijn slechts in uitzonderlijke gevallen tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in zijn vervolging leidt, bijvoorbeeld wanneer in een eenvoudige zaak sprake is van een zeer ernstige overschrijding, geeft dit blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
5.1
Het Hof heeft bij de vraag of ‘the proceedings as a whole were not fair’ een afweging gemaakt tussen enerzijds het belang dat een jeugdige verdachte niet langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging moet leven en anderzijds de belangen van de slachtoffers en de samenleving bij een effectieve vervolging, berechting en bestraffing van (ernstige) strafbare feiten en de mogelijkheid voor de in het strafproces gevoegde benadeelde partijen om eventueel geleden schade als gevolg van het strafbare feit te verhalen op de verdachte. Een dergelijke belangenafweging past niet bij de vraag of sprake is van de situatie dat ‘the proceedings as a whole were not fair’. Als de rechter vaststelt dat een verdachte geen eerlijk proces heeft gekregen, kunnen belangen van de slachtoffers of de samenleving niet meebrengen dat daaraan niet het gevolg van niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging wordt verbonden. In zoverre heeft het Hof dan ook blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
5.2
Indien een dergelijke belangenafweging wel in dit kader van toepassing zou kunnen zijn, maar ook overigens, heeft het Hof zijn verstrekkende oordeel dat als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn sprake is van een zodanig ernstige inbreuk op het recht van verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM, naar de mening van rekwirant ontoereikend gemotiveerd (vgl. HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:217).
Het Hof heeft zijn oordeel dat ‘the proceedings as a whole were not fair’ vrijwel uitsluitend gebaseerd op zijn overwegingen dat en waarom de redelijke termijn negatieve gevolgen heeft gehad voor de belangen van de jeugdige verdachte. Rekwirant wil niets aan die belangen van verdachte afdoen, maar het Hof heeft bij zijn oordeel onvoldoende de ernst van hetgeen aan verdachte is tenlastegelegd en de daaruit voortkomende gevolgen voor zowel het slachtoffertje als zijn moeder betrokken. Niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging heeft immers niet alleen tot gevolg dat verdachte niet wordt bestraft voor hetgeen hem is tenlastegelegd, maar tevens dat de benadeelde partijen hun vorderingen niet meer in het strafgeding kunnen verhalen op verdachte. De enkele overweging van het Hof dat het belang van verdachte bij niet verdere vervolging en het — door het Hof gestelde en niet verder gemotiveerde — belang dat de maatschappij heeft bij het niet-verstoren van de positieve ontwikkeling van verdachte, evident zwaarder wegen dan het belang dat de maatschappij heeft bij de beoordeling van de vorderingen van de benadeelde partijen in deze strafzaak, kan rekwirant niet volgen. Dat de benadeelde partijen hun vorderingen tot schadevergoeding bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen, zoals het Hof overweegt, is op zich juist, maar dat zou betekenen dat zij een civiele procedure zouden moeten beginnen met alle kosten die daarmee gepaard gaan. Daarnaast kunnen zij na niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie zich in een civiele procedure ook niet beroepen op art. 161 Rv dat bepaalt dat een in kracht van gewijsde gegaan, op tegenspraak gewezen vonnis waarbij de Nederlandse strafrechter heeft bewezenverklaard dat iemand een feit heeft begaan, dwingend bewijs oplevert van dat feit.
Ten aanzien van de belangen van de benadeelde partijen in onderhavige zaak is nog van belang dat zij in hoger beroep hun initiële vorderingen hebben gehandhaafd, in het bijzonder de vordering van het slachtoffertje [slachtoffer] waar het betreft vergoeding van de immateriële schade van € 30.000, waar de Rechtbank een bedrag van € 5.000 had toegewezen. De advocaat-generaal heeft in zijn requisitoir aangegeven dat het hoger beroep van de officier van justitie mede is ingegeven om de vorderingen van de benadeelde partijen nog eens onder de aandacht van het Hof te brengen en hij heeft vervolgens gevorderd dat de vorderingen geheel worden toegewezen.
Daarbij komt dat om te kunnen komen tot het oordeel dat ‘the proceedings as a whole were not fair’ sprake moet zijn van een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd (vgl. HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169, r.o. 2.5.2). Weliswaar is door de verdediging in haar pleitnota gesteld dat het tijdsverloop in de optiek van de verdediging wel degelijk invloed heeft gehad en dat zij haar verdedigingsrechten niet, althans niet volledig, heeft kunnen uitoefenen, maar die gestelde inbreuk op de verdedigingsrechten is nauwelijks onderbouwd en het Hof heeft daaromtrent ook niets vastgesteld.
Gelet op het voorgaande heeft het Hof zijn oordeel dat sprake is van een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd en dat die inbreuk in dit geval het verstrekkende oordeel kan dragen dat ‘the proceedings as a whole were not fair’ en dat niet kan worden volstaan met een andere sanctie dan de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, ontoereikend gemotiveerd, althans is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk.
6.
Duidelijk is dat in deze zaak sprake is van een flinke overschrijding van de redelijke termijn. Duidelijk is ook dat verdachte hier nadelige gevolgen van heeft ondervonden. Die gevolgen worden, naar mag worden aangenomen, nog groter als de zaak wordt teruggewezen naar het Hof voor een nieuwe behandeling en het daarmee gepaard gaande verdere tijdsverloop. Rekwirant heeft contact gehad met de advocaat van de benadeelde partijen en zij gaf te kennen dat de benadeelde partijen weliswaar hun initiële vordering zouden wensen te handhaven na terugwijzing, maar dat zij deze strafzaak ook graag achter zich laten en zich op dit moment en onder deze omstandigheden kunnen vinden in de beslissingen van de Rechtbank ten aanzien van hun vorderingen. Gelet op het met het huidige cassatieberoep gepaard gaande verdere tijdsverloop, heeft het Openbaar Ministerie thans geen belang meer bij het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep en worden de aanvankelijke bezwaren tegen het vonnis thans niet langer gehandhaafd. Opmerking verdient dat verdachte geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis.
7.
Indien het cassatiemiddel, dan wel een of meer onderdelen daarvan doel tref(t)(fen), zal het bestreden arrest van het Hof 's‑Hertogenbosch van 28 februari 2025 niet in stand kunnen blijven. Rekwirant verzoekt de Hoge Raad der Nederlanden dan ook deze uitspraak te vernietigen en vervolgens de zaak zelf af te doen door de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep, dan wel te bevelen hetgeen overeenkomstig de bepalingen der wet behoort of had behoren te geschieden.
's‑Gravenhage, 25 juni 2025
mr H.H.J. Knol
advocaat-generaal bij het ressortsparket