Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/6.2.1.2
6.2.1.2 Het recht van reclame en het verhaalsrecht van de fiscus
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90941:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Tekstra 2009, p. 574.
HR 13 januari 1989, NJ 1990/211; HR 9 november 2012, NJ 2013/510 (ABN AMRO Lease/Ontvanger). Wattel, WFR 1989/565; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 932; Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/494, 567.
Ik ben me ervan bewust dat de term bodemrecht niet geheel zuiver is, nu art. 22 lid 3 Iw de fiscus geen recht verschaft, maar slechts de mogelijkheid van verzet door derden beperkt (zie bijvoorbeeld Wessels, Insolventierecht III, nr. 3512 e.v.). Kortheidshalve spreek ik toch van bodemrecht, in navolging van sommigen in de literatuur, zoals Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/494; Geurts & Tweehuysen, TvI 2017/38, paragraaf 3.1 en in de regelgeving, art. 70Iw en de Leidraad Invordering 2008 (art. 22.1). Tekstra 2017, nr. 61 hanteert deze term anders.
Verheul 2018, p. 61-62; Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/114.
Fikkers 1992, p. 266–269; Vriesendorp, TvI 1998/2, p. 29; Asser/Hijma 7-I* 2013/614.
De reclamerende verkoper werd niet ontzien door de fiscus buiten het faillissement van de koper, omdat art. 1191 OBW (die het reclamerecht regelt buiten faillissement) niet werd genoemd in art. 22 lid 3 Invorderingswet. Fikkers en Meijers noemen dit een omissie gezien de wetsgeschiedenis van het recht van reclame. Zie hierover Meijers, WPNR 1935/3393-3395, p. 15; Fikkers, WPNR 1991/5987, p. 2-3; Fikkers 1992, p. 264-265.
Kamerstukken I 1989/90, 21418, 157, p. 20-21. Voor de toelichting wordt verwezen naar Kamerstukken II 1985/86, 19527, 3.
Kamerstukken II 1985/86, 19527, 3, p. 20-21.
Vriesendorp, TvI 1998/2, p. 29-30; Fikkers 1992, p. 266-269; Asser/Hijma 7-I* 2013/614.
Kamerstukken II 1985/86, 19527, 3, p. 15-16.
Kamerstukken II 1985/86, 19527, 3, p. 20-21.
Fikkers, WPNR 1991/5987, p. 3. Anders: Asser/Hijma 7-I* 2013/614.
Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/114; Verheul 2018, p. 59-62.
Dit is de Invorderingswet 1990 die gold tussen 1 juni 1990 en 1 januari 1992.
De behandeling ligt al jaren stil. In 2010 heeft de toenmalige minister van Veiligheid en Justitie wel aangegeven dat het wetsvoorstel niet zal worden ingetrokken, Kamerstukken II 2010/11, 22942, 10, p. 1.
Vriesendorp, TvI 1998/2, p. 29-30; Van der Aa 2007, p. 115; Asser/Hijma 7-I* 2013/614. Fikkers 1992, p. 266-269 lijkt ook te menen dat het reclamerecht moet wijken voor het bodemrecht, al acht zij dit niet wenselijk.
Zie ook Kamerstukken II 1987/88, 20588, 3, p. 22.
Zie hierover uitgebreid hoofdstuk 3, paragraaf 3.2.1.
Hoofdstuk 3, paragraaf 3.2.1.
Zie hierover uitgebreid hoofdstuk 3, paragraaf 3.2.1.
Vriesendorp, TvI 1998/2, p. 30.
HR 9 november 2012, NJ 2013/510 (ABN AMRO Lease/Ontvanger), r.o. 3.4.3.
De uitoefening van het recht van reclame door de leverancier wordt mogelijk doorkruist als de fiscus zich wil verhalen op de zaken waarvoor de leverancier het recht van reclame heeft ingeroepen. De fiscus heeft namelijk de mogelijkheid om op de bodemzaken, zijnde zaken die dienen tot ‘stoffering van een huis of landhoef’, bodembeslag te leggen zolang zij zich op de bodem van de koper bevinden en zonder zich erom te bekommeren aan wie de zaken toebehoren.1 Art. 22 lid 3Iw is vormgegeven als een procesrechtelijke maatregel, maar heeft tot gevolg dat de fiscus in afwijking van art. 3:276 BW verhaal kan nemen op zaken van derden voor een naheffingsaanslag als opgesomd in art. 22 lid 3 sub a tot en met h Iw.2 Dit wordt het bodemrecht genoemd.3
Art. 22 lid 3 Iw bepaalt dat derden geen verzet kunnen aantekenen tegen dit beslag in de zin van art. 456 Rv. De vraag rijst of de leverancier die weer eigenaar is van de bodemzaak door uitoefening van het recht van reclame dit ook niet kan. Indien dit inderdaad het geval is, is de vervolgvraag of sprake is van reële eigendom, zodat de fiscus zich alsnog onthoudt van verhaal op grond van de Leidraad Invordering.
Beide vragen zijn niet eenvoudig te beantwoorden. Zowel voor het standpunt dat de fiscus zich niet kan verhalen op de gereclameerde zaken als voor het standpunt dat hij dit wel kan, valt veel te zeggen. Alles afwegende meen ik dat de leverancier geen verzet kan aantekenen tegen het bodembeslag ex art. 22 lid 3Iw en de fiscus zich ook niet hoeft te onthouden van het nemen van verhaal op de reclameerde zaken op grond van de Leidraad Invordering. Bij deze afweging betrek ik drie factoren: de wetsgeschiedenis, de tekst van art. 22 lid 3 Iw in samenhang met het arrest ABN Amro Lease/Ontvanger en de aard van het recht van reclame.
a. De wetsgeschiedenis
Op grond van de wetsgeschiedenis van art. 22 lid 3 Iw komen auteurs in de literatuur zowel tot de conclusie dat de reclamerende leverancier wel verzet kan aantekenen tegen het bodembeslag van de fiscus 4, als tot de conclusie dat de leverancier dit niet kan5. De auteurs beroepen zich op verschillende onderdelen in de parlementaire geschiedenis ter onderbouwing van hun standpunt. Om de aangevoerde argumenten op waarde te kunnen schatten, zet ik kort het verloop van de wetsgeschiedenis van art. 22 lid 3 Iw uiteen en toon ik de argumenten die in de literatuur worden genoemd.
Het startpunt is art. 22 lid 3 van de Invorderingswet van 1948 en van de Invorderingswet 1990 (oud) (hierna: Iw (oud)). In beide wetten bepaalde art. 22 lid 3 expliciet dat de reclamerende leverancier verzet kon doen tegen het bodembeslag van de fiscus, althans tijdens het faillissement van de koper. De wettekst van art. 22 lid 3 Iw (oud) luidde:
Behoudens het recht van terugvordering, toegekend bij (..) artikel 230 en volgende van het Wetboek van Koophandel [het recht van reclame tijdens faillissement; toevoeging], kunnen derden echter nimmer verzet in rechte doen (..).
Kortom, op grond van art. 22 lid 3Iw (oud) ontzag de fiscus de zaken van de reclamerende leverancier in het faillissement van de koper.6
De uitzondering in art. 22 lid 3Iw (oud) voor het recht van reclame is door de wetgever geschrapt in het kader van de invoering van het huidige BW.7 Het huidige art. 22 lid 3 Iw bepaalt dat derden geen verzet in de zin van art. 456 Rv kunnen doen tegen het bodembeslag, tenzij een recht van terugvordering bestaat omdat de belastingschuldige de zaak onrechtmatig of van een onbevoegde heeft verkregen. In de memorie van toelichting van de Invoeringswet Boeken 3, 5 en 6 nieuw B.W., negende gedeelte, bevattende de aanpassing van de Postwet 1954 en andere wetten wordt over het schrappen van art. 230 e.v. WvK (lees: het recht van reclame tijdens faillissement) uit art. 22 lid 3 Iw opgemerkt:
“(..) [H]et nieuwe BW [maakt], in tegenstelling tot de huidige situatie, geen onderscheid meer tussen het recht van reclame in en buiten faillissement. Gelet op het feit dat onder het huidige recht [zijnde art. 22 lid 3 Iw oud; toevoeging KG] de ontvanger niet behoeft te wijken voor het recht van reclame buiten faillissement, wordt voorgesteld het recht van reclame in het onderhavige artikel te doen vervallen.”8
De minister lijkt in dit citaat te zeggen dat het recht van reclame buiten faillissement al niet werd ontzien bij de uitoefening van het bodemrecht door de fiscus, en het recht van reclame tijdens faillissement nu ook niet meer wordt ontzien. De schrapping van het recht van reclame uit art. 22 lid 3Iw en deze opmerking van de minister vormen voor een aantal auteurs een argument om aan te nemen dat de reclamerende leverancier geen verzet meer kan aantekenen tegen het bodembeslag van de fiscus.9
In de literatuur wordt ook wel verdedigd dat de leverancier wel verzet kan aantekenen tegen het bodembeslag. In dat kader wordt een beroep gedaan op een ander citaat in dezelfde memorie van toelichting. De minister merkt namelijk ook op dat de wijzigingen van de fiscale wet, in het bijzonder met betrekking tot het fiscale voorrecht en bodemvoorrecht, niet inhoudelijk van aard zijn, omdat men al bezig is met een algemene herziening van de Invorderingswet.10 Dit zou betekenen dat het schrappen van het gedeelte van de wettekst over art. 230 WvK in art. 22 lid 3Iw een niet-materiële wijziging is. Wat betekent deze wijziging dan voor de leverancier? De wet maakte vóór 1992 een onderscheid tussen het recht van reclame buiten (art. 1191 en 1192a BW (oud)) en tijdens faillissement (art. 230 e.v. WvK). Deze bepalingen en het daarmee samenhangende onderscheid tussen het inroepen van het recht van reclame buiten en tijdens faillissement zijn geschrapt in het huidige BW. Daarvoor in de plaats is één regeling over het recht van reclame in boek 7 BW gekomen. Art. 22 lid 3 Iw 1990 moest daarom tekstueel worden aangepast.11 Dit zou kunnen betekenen dat de leverancier nogsteeds verzet kan aantekenen tegen het bodembeslag van de fiscus, althans tijdens faillissement.12
Deze uitkomst lijkt echter niet verenigbaar met het huidige recht van reclame waar geen onderscheid wordt gemaakt tussen het recht van reclame tijdens en buiten faillissement. Bij de toepassing van art. 22 lid 3 Iw wordt dan een onderscheid aangenomen dat niet meer in deze bepaling staat en ook niet uit de huidige regeling van het recht van reclame volgt.
De wijziging van art. 22 lid 3 Iw moet dus wel een materiële wijziging betreffen, inhoudende dat (a) de leverancier zowel buiten als tijdens faillissement verzet kan aantekenen tegen het bodembeslag of; (b) de leverancier in beide situaties geen verzet kan aantekenen.
De auteurs in de literatuur die betogen dat de reclamerende leverancier wel verzet kan aantekenen, komen opnieuw met een citaat uit de parlementaire geschiedenis.13 In dit geval betreft het een opmerking van de minister in de memorie van toelichting bij de Invorderingswet 1989 (later Invorderingswet 1990 oud14):
“In beide gevallen [tijdens en buiten faillissement] zullen de bodemgoederen wel door de derde-eigenaar kunnen worden opgevorderd en zal het bodemrecht van de fiscus dus hebben te wijken.”15
De minister geeft duidelijk aan dat de reclamerende leverancier verzet kan aantekenen tegen het bodembeslag van de fiscus. Deze opmerking heeft echter betrekking op art. 22 lid 3 van de Invorderingswet 1989 en van Invorderingswet 1990 (oud) en dus niet op de huidige bepaling. In de memorie van toelichting van het daaropvolgende wetsvoorstel inzake de herziening van het fiscale bodem(voor)recht wordt door de minister evenwel nogmaals te kennen gegeven dat het recht van reclame wordt ontzien door het bodemrecht.16 Dit wetsvoorstel is echter nog steeds aanhangig, zodat twijfelachtig is hoeveel waarde aan deze opmerkingen kan worden gehecht.17
De wetsgeschiedenis van art. 22 lid 3Iw is daarom naar mijn mening niet eenduidig en vormt geen overtuigend argument. Zij bevat aanknopingspunten voor zowel de conclusie dat gereclameerde zaken zijn uitgezonderd van het bodemrecht, als voor de conclusie dat dit niet het geval is.
b. De tekst van art. 22 lid 3 Iw in samenhang met het arrest ABN Amro Lease/Ontvanger
Het huidige art. 22 lid 3Iw bepaalt dat derden geen verzet kunnen doen, tenzij de derde een zaak terugvordert van een koper die deze onrechtmatig of van een onbevoegde heeft verkregen. Een reclamerende leverancier vordert zaken terug van de koper, omdat deze in verzuim is met de betaling van de koopprijs. Hij reclameert de zaken niet van een koper die de zaken onrechtmatig of van een onbevoegde heeft verkregen. De koper heeft de zaken juist verkregen van de beschikkingsbevoegde leverancier. Op grond van de tekst kan de reclamerende leverancier dus geen verzet aantekenen tegen het bodembeslag.
Een steunargument kan worden gevonden in het arrest ABN Amro Lease/Ontvanger. De Hoge Raad overweegt:
“Het bodemrecht van art. 22 lid 3 Iw strekt ertoe te waarborgen dat de Ontvanger zich in weerwil van eventuele rechten van een derde, op de inbeslaggenomen zaak overeenkomstig zijn rang kan verhalen alsof de zaak aan de belastingschuldige toebehoort, met name indien deze rechten van de derde zijn gevestigd met het oog op zekerheid voor de nakoming van verplichtingen van de belastingschuldige jegens deze derde.
(…)
Voor de uitoefening van het bodemrecht door de Ontvanger is in beginsel voldoende dat de desbetreffende zaken zijn aan te merken als bodemzaken van de belastingschuldige in de zin van art. 22 lid 3 Iw.”
De huidige wettekst en dit arrest lijken kortom mee te brengen dat de fiscus bodembeslag kan leggen op de zaken waarvoor de leverancier het recht van reclame heeft ingeroepen. De leverancier kan hiertegen geen verzet aantekenen op grond van art. 22 lid 3 Iw.18
c. De Leidraad Invordering en de aard van het recht van reclame
Ervan uitgaande dat art. 22 lid 3Iw aan de leverancier niet de mogelijkheid biedt om verzet aan te tekenen tegen het bodembeslag, moet vervolgens worden gekeken of de fiscus zich niet alsnog onthoudt van verhaal op grond van de Leidraad Invordering 2008. In art. 22.8.10 van deze Leidraad staat dat de fiscus slechts verhaal neemt op zekerheidseigendom. Hij ontziet reële eigendom, uitzonderingen daargelaten. Bij zekerheidseigendom gaat het om zaken waarop rechten van derden rusten tot zekerheid van nakoming van verplichtingen van de belastingschuldige aan de derde. Als voorbeelden worden het eigendomsvoorbehoud, huurkoop en financial leasing genoemd.
Is de eigendom die de leverancier herkrijgt door uitoefening van het recht van reclame ook te zien als zekerheidseigendom, vergelijkbaar met deze rechtsfiguren, of is het reële eigendom? Voor beide standpunten valt wat te zeggen.
Voor het standpunt dat de fiscus de gereclameerde zaken moet ontzien, kan ten eerste worden aangevoerd dat het recht van reclame geen bedongen zekerheidsrecht is in tegenstelling tot de genoemde voorbeelden van zekerheidseigendom in de Leidraad.19 Ten tweede herkrijgt de leverancier de volledige eigendom door uitoefening van het recht van reclame en is hij in de periode tussen de overdracht en het reclameren geen zekerheidseigenaar, zoals wel het geval is bij een eigendomsvoorbehoud. Vgl. Verheul 2018, p.61-62. Ten derde zijn de functies van het eigendomsvoorbehoud en het recht van reclame deels verschillend. Het recht van reclame kan evenals het eigendomsvoorbehoud strekken tot zekerheid voor de koopprijsvordering van de leverancier. Het recht kan echter ook strekken ter bescherming van de leverancier in het geval hij de koper een korte termijn wil geven om de koopprijs voor de geleverde zaken te betalen.20 De leverancier heeft niet het oogmerk om krediet te verstrekken. Met de betalingstermijn wordt in feite een periode gecreëerd waarbinnen de partijen ‘gelijk oversteken’. Om het handelsverkeer soepel te laten verlopen, hoeven de prestaties niet daadwerkelijk tegelijkertijd verricht te worden. Wordt één van beide prestaties niet verricht, in dit geval de betaling door de koper, dan kan de leverancier de eigendom herkrijgen op grond van het recht van reclame. Partijen bevinden zich in dezelfde posities als voor de verkoop en levering.21 Het recht van reclame biedt bescherming aan de leverancier doordat hij de overdracht ongedaan kan maken als de koper niet binnen de korte termijn van ‘gelijk oversteken’ de tegenprestatie voldoet.
Voor het tegengestelde standpunt pleiten echter naar mijn mening sterkere argumenten. Ten eerste reclameert de leverancier de geleverde zaak omdat de koper de koopprijs niet betaalt. Het recht van reclame vervult dan een met het eigendomsvoorbehoud vergelijkbare zekerheidsfunctie.22Is de koper in verzuim met de betaling, dan kan de leverancier het recht van reclame uitoefenen, waardoor de koopovereenkomst wordt ontbonden en hij de eigendom herkrijgt.23
Ten tweede kan in navolging van het oordeel van de Hoge Raad in het arrest ABN Amro Lease/Ontvanger over de uitoefening van het eigendomsvoorbehoud worden betoogd dat het inroepen van het recht van reclame niet (direct) tot gevolg heeft dat de fiscus zijn bodemrecht niet meer kan uitoefenen. Tot de zaak van de bodem wordt gehaald, is weliswaar geen sprake van zekerheidseigendom zoals bij het eigendomsvoorbehoud, maar vervult de eigendom wel een met het eigendomsvoorbehoud vergelijkbare zekerheidsfunctie. Om deze reden kan de fiscus evenals bij het eigendomsvoorbehoud, zich op deze zaak verhalen zolang deze zich op de bodem van de belastingschuldigde bevindt. In het arrest ABN Amro Lease/Ontvanger overweegt de Hoge Raad:
“De enkele beëindiging van de leaseovereenkomst en opeising van de machines door ABN AMRO Lease zijn te beschouwen als (het begin van) het gebruikmaken van het zekerheidskarakter van haar eigendom en hebben, zolang de machines zich nog op de bodem van de belastingschuldige bevonden, op zichzelf geen wijziging gebracht in de voor het bodemrecht van de Ontvanger relevante aard van het eigendomsrecht van ABN AMRO Lease met betrekking tot de machines.”24
Uiteindelijk meen ik dat de leverancier geen verzet kan doen tegen het bodembeslag op grond van art. 22 lid 3Iw en niet wordt ontzien door de fiscus op grond van de Leidraad Invordering. Voor mij geeft de doorslag dat het recht van reclame en het eigendomsvoorbehoud hetzelfde moeten worden behandeld in de Leidraad, omdat zij een vergelijkbare functie kunnen vervullen en daarnaast beiden ter beschikking kunnen staan aan de leverancier. De leverancier kan het recht van reclame namelijk ook inroepen binnen de termijn van art. 7:44 BW, terwijl hij de zaken heeft verkocht en geleverd onder eigendomsvoorbehoud. Wordt het recht van reclame in dat geval ontzien, terwijl het eigendomsvoorbehoud niet wordt ontzien, dan kan de leverancier de greep van de fiscus omzeilen door het recht van reclame in te roepen in plaats van het eigendomsvoorbehoud, terwijl beide rechtsfiguren de leverancier het recht geven om de eigendom van de geleverde zaken te herkrijgen, omdat de koper de koopprijs niet voldoet.