Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/6.2.2
6.2.2 Het Belgische recht
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90764:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
François & Cuypers 2013, Commentaar bij art. 20, 5° Hyp.W., nr. 2-4.
François & Cuypers 2013, Commentaar bij art. 20, 5° Hyp.W., nr. 2.
Van den Bergh & De Caluwé 1975, nr. 398; François & Cuypers 2013, Commentaar bij art. 20, 5° Hyp.W., nr. 2-4.
Dit is een belangrijke wijziging ten opzichte van het oude recht, waar het pandrecht voorrang had boven het voorrecht, tenzij de pandhouder wist dat de koopprijs nog onbetaald was op het moment dat hij een pandrecht kreeg. Zie art. 23 lid 1 Hyp.W. en Jansen TPR 2008/1, nr. 25; Hof van Cassatie 10 november 1967, RW 1967-68, p. 1033.
Baeck 2016, Commentaar bij Art. 57 en 58 Pandwet, nr. 7. Zie ook hoofdstuk 6, paragraaf 6.3.3.
Byttebier 2005, p. 417 en verwijzingen aldaar. Dit argument wordt in de literatuur ook genoemd in het kader van het eigendomsvoorbehoud en diens verlenging tot de koopprijsvordering uit doorverkoop, Sagaert 2003, nr. 741.
Sagaert & Del Corral 2015, nr. 232.
Betaalt de koper de koopprijs van de zaken die de leverancier aan hem heeft verkocht en geleverd niet, dan kan de leverancier het bezit van deze zaken terugvorderen door het recht van reclame in te roepen. Dit geldt ook als de koper de zaken in de tussentijd heeft verpand aan een schuldeiser.1 Vervolgens herkrijgt de leverancier van rechtswege met terugwerkende kracht de eigendom door de koopovereenkomst te ontbinden.2 Het pandrecht op de zaak is achteraf gezien dus nooit rechtsgeldig gevestigd, omdat de koper nooit beschikkingsbevoegd is geweest.
De pandhouder voorkomt dat zijn pandrecht vervalt als hij een geslaagd beroep kan doen op art. 2279 BBW en de bescherming hiervan inroept.3 Voor een geslaagd beroep is vereist dat de pandhouder een pandrecht heeft verkregen, de zaken in zijn macht heeft en op dat moment te goeder trouw is. De leverancier herkrijgt dan zijn zaak met daarop een derdenpandrecht.
Daarnaast heeft de leverancier van rechtswege het voorrecht van de onbetaalde verkoper ten aanzien van (de executieopbrengst van) de geleverde zaak. Het voorrecht komt in rang voor een pandrecht op deze zaak, ongeacht het moment van vestiging. Art. 58 Pandwet kent namelijk superprioriteit toe aan het voorrecht van de onbetaalde verkoper.4
In de Belgische literatuur is discussie over de vraag of een pandhouder een hogere rang kan krijgen door een geslaagd beroep op derdenbescherming ex art. 2279 BBW. Een deel van de auteurs betoogt dat dit niet kan.5 De wetgever heeft namelijk superprioriteit toegekend aan het voorrecht van de leverancier die zaken levert aan de koper en vervolgens onbetaald blijft, omdat het billijk wordt geacht dat hij zich als eerste op (de executieopbrengst van) de door hem geleverde zaken kan verhalen. Door de prestatie van de leverancier wordt het verhaalsvermogen van de koper vergroot en kan de pandhouder zich ook op deze zaken verhalen, maar pas na de leverancier.6Derdenbescherming van de pandhouder staat haaks op deze gedachte. De pandhouder zou zich dan met voorrang boven de leverancier kunnen verhalen op de zaken en profiteren van de prestatie van de leverancier.
Een ander deel van de literatuur meent daarentegen terecht dat een schuldeiser een beroep kan doen op derdenbescherming als hij te goeder trouw meent een vuistpandrecht te hebben verkregen op een onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaak. Art. 58 Pandwet sluit een beroep op derdenbescherming niet (expliciet) uit. Aangezien aan zowel het eigendomsvoorbehoud als het voorrecht superprioriteit wordt toegekend, aan beide rechtsfiguren dezelfde ratio ten grondslag ligt en bij het eigendomsvoorbehoud derdenbescherming lijkt te zijn, is ook bij het voorrecht een beroep op derdenbescherming door een andere schuldeiser mogelijk, zo is de gedachte.7