Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/4.3.2
4.3.2 De totstandkoming van art. 3:291 lid 2 BW
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS585231:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Boek 3, p. 883.
Kamerstukken II 1970/71, nr. 3770, ondernummer 8, p. 53. Te raadplegen via www.statengeneraaldigitaal.nl.
Ook uit Parl. Gesch. Boek 3, p. 887 blijkt dat hier een limitatieve opsomming van het type overeenkomsten is bedoeld.
Parl. Gesch. Boek 3, p. 884.
Parl. Gesch. Boek 3, p. 884. Kennelijk gaat de wetgever ervan uit dat overeenkomsten van bearbeiding, bewaarneming (al of niet door de hotelhouder) en vervoer in de regel ten behoeve van de zaak worden gesloten. De vraag is of hieruit a contrario kan worden geredeneerd dat andere overeenkomsten niet in de regel ten behoeve van de zaak worden gesloten. Indien de wetgever dat inderdaad meende, lijkt het mij geen overtuigende stellingname. Immers, ook bijvoorbeeld een overeenkomst van bruikleen, huur, of een overeenkomst van opdracht kan gesloten worden ‘ten behoeve van de zaak’.
Heyning-Plate 1972, p. 149 schrijft onder meer het volgende: “Welke waarde heeft bij openbare verkoop de bagage van een reiziger? Wie ooit getracht heeft kleren te verkopen, weet dat men daaromtrent niet te hoog gespannen verwachtingen moet koesteren.” Zie ook Heyning-Plate 1969, p. 220.
Parl. Gesch. Boek 3, p. 887.
Parl. Gesch. Boek 3, p. 887.
106. De totstandkoming van lid 2 van art. 3:291 BW is turbulenter dan die van lid 1 van hetzelfde artikel. De inspiratie voor de derdenwerking van het retentierecht kwam van het retentierecht van de bezitter (art. 3:120 BW) en de overeenkomstige toepassing daarvan op de houder in art. 3:124 BW. Maar men vond de bescherming van de retentor tegen een oudere derde via die route te beperkt.1 Het oorspronkelijke regeringsontwerp van art. 3:291 lid 2 BW luidde als volgt:
“Spruit zijn vordering voort uit een overeenkomst tot bearbeiding, bewaarneming of vervoer van de zaak of betreft zijn vordering hetgeen hij als hotelhouder heeft te vorderen van de gast die de zaak in zijn hotel bracht, dan kan de schuldeiser het retentierecht ook uitoefenen tegen een derde die een ouder recht op de zaak heeft of daarop reeds beslag had gelegd, tenzij hij op het tijdstip dat de zaak ter uitvoering van de overeenkomst in zijn macht werd gebracht, wist of behoorde te weten dat de bevoegdheid daartoe jegens de derde ontbrak.”2 (mijn onderstreping)
De regering was van mening dat derdenwerking van het retentierecht tegen een ouder gerechtigde beperkt moest blijven tot een aantal specifieke overeenkomsten.3 Dit was al een iets meer ruimhartige bepaling dan die van art. 3:124 BW. De regering stelt dat door de benoeming van de typen overeenkomsten “een voor de praktijk duidelijke begrenzing” wordt verkregen van de vorderingen waarvoor het retentierecht tegen een ouder gerechtigde kan worden ingeroepen.4 Vervolgens geeft zij een aantal argumenten voor de regel inhoudend dat bedoeld retentierecht in te roepen is jegens de ouder gerechtigde. Volgens de memorie van antwoord wordt op deze manier de meest juiste afweging getroffen van de belangen die in het spel zijn. De memorie stelt dat dergelijke overeenkomsten met de schuldeiser in de regel ten behoeve van de zaak worden gesloten en niet zelden tot behoud van waarde of zelfs waardevermeerdering leiden.5 Ten tweede wordt aangevoerd dat de retentor in de positie verkeert dat hij niet of niet makkelijk op het overige vermogen van de schuldenaar verhaal kan nemen. Ten derde wordt gesteld dat de retentor niet de gelegenheid zal hebben om zich te verdiepen in de vraag of zijn wederpartij wel eigenaar is van de zaak of bevoegd was tot het sluiten van de overeenkomst. Men vond deze argumenten kennelijk overtuigend voor de bearbeider, bewaarnemer, vervoerder en hotelhouder. Naar aanleiding van een artikel van Heyning-Plate6 zijn in de uiteindelijke redactie van het artikellid de benoemde typen overeenkomsten losgelaten en is gekozen voor een algemene formulering. Derdenwerking jegens anterieure derden is dus voor elke overeenkomst waaruit een retentierecht voortvloeit mogelijk. Het is dan ook de vraag of de bovenstaande argumenten voor derdenwerking nog onverkort gelden. In de nota van wijziging wordt de algemene maatstaf in de eerste plaats negatief toegelicht: er is geen reden om de schuldeiser het retentierecht jegens de oudere derde niet toe te staan, indien de schuldenaar bevoegd was om de overeenkomst aan te gaan, of de schuldeiser zich redelijkerwijs niet in de bevoegdheid hoefde te verdiepen omdat de overeenkomst in overeenstemming met een normale exploitatie van de zaak was. Vervolgens wordt nader ingegaan in op de gekozen maatstaf:
“Deze gedachte doet enerzijds recht wedervaren aan de belangen van de schuldeiser van wie veelal geen onderzoek omtrent de bevoegdheid van zijn contractuele wederpartij kan worden gevergd, zolang haar opdracht de grenzen niet te buiten gaat van wat men van een eigenaar van de zaak in het algemeen mag verwachten. Anderzijds komt zij ook tegemoet aan het belang van alle eigenaren van zaken gezamenlijk dat overeenkomsten van de hier bedoelde aard door de opdrachtnemer vlot en zonder risico kunnen worden gesloten.”7
De eis dat ook daadwerkelijk waarde is toegevoegd of waardevermindering is voorkomen wordt bewust niet gesteld in de wet, omdat het te ver zou gaan om van de schuldeiser in het afzonderlijke geval daarvan bewijs te verlangen.8
107. De argumentatie in de parlementaire geschiedenis komt er samengevat op neer dat het retentierecht ook tegenwerpelijk is aan anterieure rechthebbenden omdat de overeenkomst doorgaans in het belang van de zaak is. Tegelijkertijd kan van de retentor geen uitgebreid onderzoek naar de hoedanigheid van zijn wederpartij worden gevergd. Tussen de regels leest men eveneens het motief van bescherming van de schuldeiser die niet in de positie was om een zekerheidsrecht te bedingen.
In een individueel geval is op de argumentatie van de wetgever wel wat af te dingen. Niet iedere overeenkomst is in het belang van de eigenaar van de zaak (de huurder die een buitensporig dure reparatie laat uitvoeren), niet iedere retentor heeft weinig mogelijkheid om zich op een andere manier te verhalen (de vervoerder heeft mogelijk naast het retentierecht een vuistpandrecht op grond van de algemene voorwaarden) en het is in zijn algemeenheid moeilijk vol te houden dat van een retentor geen onderzoek naar de bevoegdheid van zijn opdrachtgever kan worden gevergd (dit onderzoek hoeft niet groot te zijn, art. 3:11 BW is van toepassing). Toch ben ik van mening dat afgezet tegen het alternatief – geen werking jegens anterieure derden – de door de wetgever gekozen oplossing de voorkeur heeft. Wanneer men een retentierecht tegen de schuldenaar zelf toestaat, is het consequent om hem dit te laten behouden wanneer zich achter die schuldenaar nog een derde-gerechtigde bleek te bevinden waarvan de retentor zich niet bewust hoefde te zijn. In de volgende paragrafen laat ik bovendien zien, dat de derdenwerking van het retentierecht tegen ouder gerechtigden systematisch goed past in ons vermogensrecht.