Einde inhoudsopgave
Openbaarmaking van koersgevoelige informatie (VDHI nr. 107) 2011/4.1
4.1 Inleiding
Mr. G.T.J. Hoff, datum 23-02-2011
- Datum
23-02-2011
- Auteur
Mr. G.T.J. Hoff
- JCDI
JCDI:ADS498777:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Een eigen (van art. 5:25b lid 1 Wft afwijkende) reikwijdtebepaling geldt eveneens voor het zogeheten 'jaarlijks informatiedocument' dat door uitgevende instellingen openbaar gemaakt dient te worden (art. 5:25f Wft). Zie hiervoor De Brauw, Serie OO&R, deel 57(2010), p. 636-644.
Het opschrift van afdeling 5.1A.1 luidt: Informatieverplichtingen voor uitgevende instellingen waarvan effecten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt en waarvan Nederland lidstaat van herkomst is. In deze afdeling worden de diverse informatieverplichtingen waaraan uitgevende instellingen zijn onderworpen — zoals bijvoorbeeld de openbaarmaking van de jaarlijkse (art. 5:25c Wft) en de halfjaarlijkse financiële verslaggeving (art. 5:25d Wft) — geregeld.
Ik ga er daarbij vanuit dat voor de vaststelling van de werkingssfeer van de openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie geen betekenis toekomt aan de verwijzing in de begripsomschrijving van 'voorwetenschap' in art. 5:53 lid 1 Wft naar 'een uitgevende instelling als bedoeld in het vierde lid, onderdeel a'. In art. 5:53 lid 4 onderdeel a Wft wordt weer doorverwezen naar een 'rechtspersoon, vennootschap of instelling die financiële instrumenten heeft uitgegeven als bedoeld in artikel 5:56, eerste lid, onderdeel a of b, of degene op wiens voorstel een koopovereenkomst inzake een financieel instrument, niet zijnde een effect, tot stand is gekomen'.
Gewezen kan nog worden op art. 5:74 Wft j° art. 2 en 4 van het Besluit van 12 september 2007, houdende implementatie van richtlijn nr. 2004/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 april 2004 betreffende het openbaar overnamebod (PbEU L 142) en houdende modernisering van de regels met betrekking tot het openbaar overnamebod (Besluit openbare biedingen Wft) (Stb. 2007, 329) (zie § 6.5.4). Verder kan nog gewezen worden op de bijzondere reikwijdtebepaling van art. 5:25j Wft. Deze reikwijdtebepaling is relevant voor de werkingssfeer van de in afdeling 5.1A.2 (Regels voor uitgevende instellingen met Nederland als lidstaat van herkomst) opgenomen algemene voorschriften ten aanzien van onder meer de wijze van algemeen verkrijgbaar stellen en deponeren van gereglementeerde informatie alsook de taalregeling (zie § 7.8 e.v.).
Het onderwerp van dit hoofdstuk is de werkingssfeer van de voor uitgevende instellingen geldende openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie (art. 5:25i Wft). Welke uitgevende instellingen zijn aan deze openbaarmakingsplicht onderworpen? Is daarbij nog relevant wat voor soort fmanciële instrumenten door deze uitgevende instellingen zijn uitgegeven en op welke handelsplatformen deze financiële instrumenten worden verhandeld? Raadpleging van de wettekst leert ons alras dat eerst een legpuzzel moet worden gemaakt om goed zicht te krijgen op de werkingssfeer van de openbaarmakingsplicht. In hoofdstuk 5.1A (Regels voor informatievoorziening door uitgevende instellingen) van de Wet op het fmancieel toezicht, waarvan art. 5:25i Wft deel uitmaakt, zijn namelijk diverse bepalingen aan te wijzen die relevant zijn voor het vaststellen van de werkingssfeer van de openbaarmakingsplicht. Teneinde deze puzzel van de werkingssfeer van de openbaarmakingsplicht te kunnen maken, worden door mij eerst de diverse puzzelstukjes op een rijtje gelegd.
In eerste instantie zal voor het vaststellen van de werkingssfeer art. 5:25b lid 1 Wft geraadpleegd worden, waarvan de tekst luidt:
"Deze afdeling, met uitzondering van de artikelen 5:25f en 5:25i, is uitsluitend van toepassing op uitgevende instellingen waarvan effecten zijn toegelaten tot een gereglementeerde markt en waarvan Nederland lidstaat van herkomst is."
Uit deze bepaling volgt dat — met uitzondering van onder meer de openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie (art. 5:25i Wft)1 — alle in afdeling 5.1A.1 voorkomende informatieverplichtingen van uitgevende instellingen worden geregeerd door één reikwijdtebepaling.2 Vervolgens wordt de exclusief voor de werkingssfeer van de openbaarmakingsplicht van uitgevende instellingen geldende reikwijdtebepaling in art. 5:25i lid 1 Wft als volgt omschreven:
"In dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt, in afwijking van artikel 1:1,
onder uitgevende instelling verstaan: rechtspersoon, vennootschap of instelling:
a die financiële instrumenten of andere instrumenten heeft uitgegeven die met haar instemming zijn toegelaten, of waarvoor met haar instemming verzocht is om toelating, tot de handel in Nederland op:
1° een gereglementeerde markt waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 5:26, eerste lid, is verleend; of
2° een multilaterale handelsfaciliteit waarvoor een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:96; of
B op wiens voorstel een koopovereenkomst tot stand is gekomen inzake een financieel instrument, niet zijnde een effect, dat op een gereglementeerde markt als bedoeld in onderdeel a, onder 1° of een multilaterale handelsfaciliteit als bedoeld in onderdeel a, onder 2° is toegelaten of waarvoor toelating is aangevraagd."
In aanvulling op deze in art. 5:25i Wft opgenomen reikwijdtebepaling bevat art. 5:25b Wft nog enkele aanvullende bepalingen die eveneens voor de werkingssfeer van de openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie van belang zijn.3 Gedoeld wordt op art. 5:25b lid 2 en 3 Wft. Deze reikwijdtebepalingen zullen in het vervolg van dit hoofdstuk nog aan bod komen (zie § 4.2.2).
De opsomming van de diverse puzzelstukjes, die benodigd zijn om de puzzel van de werkingssfeer van de openbaarmakingsplicht te kunnen leggen, is hiermee weliswaar niet volledig maar geeft wel al duidelijk zicht op de grove contouren van de werkingssfeer van de openbaarmakingsplicht ex art. 5:25i Wft.4 Deze werkingssfeer blijkt hoofdzakelijk bepaald te worden door drie begrippen die in het effectenrecht een centrale rol spelen: (i) uitgevende instelling (zie § 4.2), (ii) fmanciële instrumenten (zie § 4.3) en (iii) toelating tot de handel op een gereglementeerde markt of een multilaterale handelsfaciliteit in Nederland (zie § 4.4). Voor zover relevant voor het onderwerp van deze studie, zal eerst elk van deze kernbegrippen van het effectenrecht in de hiernavolgende paragrafen aan een nader onderzoek worden onderworpen. Daarna zal de werkingssfeer van de openbaarmakingsplicht ex art. 5:25i Wft nader bepaald kunnen worden (zie § 4.9). Tevens wordt aandacht besteed aan het einde van de openbaarmakingsplicht (zie § 4.8) en de samenloop van de openbaarmakingsplicht van art. 5:25i Wft met andere informatieverplichtingen van uitgevende instellingen (zie § 4.7).