Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/293
293 Jurisprudentie
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS451065:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een voorbeeld waarin de rechtbank besliste dat processueel belang bestond omdat niet was uitgesloten dat de getuigen in het voorlopig getuigenverhoor al vóór de eerste roldatum konden worden gehoord: Rb. Amsterdam 16 november 2006, ECLI:NL:RBAMS:2006:AZ2619, JOR 2007, 18, m.nt. A.F.J.A. Leijten.
Rb. Amsterdam 31 augustus 2006, ECLI:NL:RBAMS:2006:AY7783.
De rechtbank meende dat de verklaringen niet konden worden gebruikt omdat de hoofdzaak voor vonnis zou komen te staan voordat het voorlopig getuigenverhoor kon plaatsvinden. Dit had naar mijn mening moeten zijn: omdat in de hoofdzaak de laatste proceshandeling werd verricht bijna gelijktijdig met de beslissing over het voorlopig getuigenverhoor.
Zie ook Rb. ’s-Hertogenbosch 3 november 2004, ECLI:NL:RBSHE:2004:AT2825, NJF 2005, 117. In deze zaak stond de hoofdzaak voor pleidooi op 20 september en werd op het verzoek beslist op 3 november. De rechtbank wees dit verzoek af op grond van onvoldoende belang, omdat de processen-verbaal van de getuigenverhoren niet bij de beoordeling in de bodemprocedure in eerste aanleg konden worden betrokken.
Rb. Groningen 30 juli 2010, ECLI:NL:RBGRO:2010:BN4000.
Hof ’s-Gravenhage 23 april 1987, ECLI:NL:GHSGR:1987:AC9803, NJ 1988, 308.
Hof Amsterdam 10 maart 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ0720.
Hierna bespreek ik een aantal zaken waarin onvoldoende belang bij een voorlopig getuigenverhoor bestond.1
In de eerste zaak werd op het verzoek beslist op 31 augustus, terwijl de hoofdzaak op 11 september voor pleidooi stond.2 De rechtbank nam terecht als criterium of de getuigenverklaringen nog konden worden gebruikt voor de beoordeling van de hoofdzaak.3 Hoewel de laatste proceshandeling 11 dagen ná de beslissing op het verzoek werd verricht, was in deze zaak een complicerende factor dat getuigen zich in het buitenland bevonden.
In de volgende twee zaken stond de hoofdzaak voor vonnis ten tijde van de beslissing op het verzoek.4 De rechtbank Groningen had naar mijn mening het verzoek simpelweg kunnen afwijzen omdat de verklaringen niet meer ten behoeve van de hoofdzaak konden worden gebruikt.5 De rechtbank overwoog echter dat toewijzing van het verzoek zou leiden “tot een onvoldoende bezonken en daarmee premature bewijsopdracht en (derhalve) tot een ondoelmatige procesvoering”. Het risico van een “gemankeerd” voorlopig getuigenverhoor (omdat nog niet duidelijk was of en waarvan bewijs moest worden geleverd), zou “een nodeloos omslachtige route” betekenen, aldus de rechtbank. In de wat oudere zaak QBE/Pennings6 meende het hof dat de verzoeker een “spoedeisend belang” bij zijn verzoek had om meer duidelijkheid te verkrijgen omtrent zijn standpunt in de hoofdzaak. Het hof impliceert hiermee dat de voorlopige getuigenverklaringen nog gebruikt konden worden ten behoeve van de hoofdzaak – de getuigenverklaringen kunnen alleen bijdragen aan de standpuntbepaling in de hoofdzaak als ze zijn afgelegd voordat uitspraak in de zaak is gedaan – maar liet na te onderzoeken wanneer wel en niet daarvan sprake is.
In de laatste zaak stond de hoofdzaak al voor vonnis tijdens de mondelinge behandeling van het verzoekschrift. Het vonnis was bepaald op 4 maart 2009 en dat betekent dat op het moment van de beslissing op het verzoekschrift het vonnis al een week oud was. Het hof overwoog in deze zaak dat gelet op het stadium van de bodemprocedure partijen geen nieuwe stellingen meer konden ontwikkelen en de uitkomst van het getuigenverhoor niet meer ten dienste zou staan van de hoofdzaak, reden waarom onvoldoende belang bij een voorlopig getuigenverhoor bestond.7