Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/292
292 Laatste proceshandeling in de dagvaardingsprocedure in eerste aanleg
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS457050:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Voetnoten
Voetnoten
In 89% van de zaken volgt een comparitie volgens het Jaarverslag 2011 van de Raad voor de Rechtspraak, p. 17.
Wieten 2013, nr. 2.4.10.
Als geen comparitie na antwoord is gehouden, dan hebben partijen recht op pleidooi. Een verzoek om pleidooi kan slechts in zeer uitzonderlijke situaties worden afgewezen. Zie hierna par. 7.5.3.5. Als een partij tijdens de procedure tot het doen houden van een voorlopig getuigenverhoor aangeeft pleidooi te zullen vragen en in de hoofdzaak geen comparitie na antwoord is bevolen, dan dient het pleidooi als laatste proceshandeling te worden aangemerkt.
In eerste aanleg geldt dat doorgaans na één schriftelijke ronde een comparitie na antwoord volgt (art. 131 Rv).1Art. 132 lid 1 Rv schrijft voor dat partijen recht hebben op het nemen van een conclusie van repliek en dupliek als geen comparitie na antwoord wordt bevolen. Hoewel art. 134 Rv bepaalt dat partijen pleidooi kunnen vragen voordat de rechter over de zaak beslist, wordt in de praktijk zelden pleidooi gevraagd.2 De comparitie of de conclusie van dupliek (in (re)conventie) geldt daarom in de regel3 als de laatste proceshandeling. Als in de hoofdzaak in eerste aanleg een comparitie of een conclusie van dupliek geagendeerd staat bijna gelijktijdig met de beslissing op het verzoek, dan bestaat onvoldoende belang bij een voorlopig getuigenverhoor. Hetzelfde heeft uiteraard te gelden als de zaak reeds voor vonnis staat en zich derhalve in een nog verder stadium bevindt. Na de comparitie of de conclusie van dupliek zal in beginsel binnen zes weken vonnis moeten worden gewezen (art. 6.4 LRr). Dat betekent dat op het moment van de beslissing op het verzoek een vonnis in de hoofdzaak al na ongeveer zes weken wordt gewezen en aangenomen mag worden dat tussen de afronding van een voorlopig getuigenverhoor en een getuigenverhoor in de hoofdzaak dan ook maximaal zes weken tijdsverschil zal bestaan. Dit tijdsverschil is te klein om de voorlopige getuigenverklaringen ten behoeve van de hoofdzaak te gebruiken dan wel om het houden van een voorlopig getuigenverhoor om proceseconomische redenen te kunnen rechtvaardigen.