Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (R&P nr. InsR11) 2019/5.8.4
5.8.4 Hanzevast Beleggingen/G4
mr. A. Karapetian, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. A. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS343695:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Materieel strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 24 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:484.
Dit werd overwogen in HR 13 juni 1986, NJ 1986/825. Volgens A-G Ten Kate staat de rechtspersoonlijkheid van de vennootschap en van de daarin onderscheiden positie van ‘haar orgaan’ aan aansprakelijkheid in de weg. Zie nr. 81 in zijn conclusie voor dit arrest.
Vgl. tevens de annotatie van E.C.H.J. Lokin en O.J.W. Schotel bij deze uitspraak in MvO 2017/5-7 die met betrekking tot de positie van Hanzevast Beleggingen als aandeelhouder opmerken dat zij de schijn van kredietwaardigheid heeft gewekt. De aansprakelijkheid zou dan volgen uit ‘het beschamen van het gewekte vertrouwen dat de moeder er zorg voor zou dragen dat de projectvennootschap voldoende kredietwaardig is’.
Zie ook r.o. 3.2.6 uit het arrest van de Hoge Raad waarin de overwegingen van het hof worden weergegeven.
De vastgestelde feiten liggen overigens dicht aan tegen een contractuele betrekking tussen de bestuurder en G4. Zie in dit kader over de patronaatsverklaring in concernverhoudingen Leber 2017, p. 337 e.v. voor het Nederlandse recht.
Een derde uitspraak die ik, tot slot, in dit verband wil bespreken, is het arrest Hanzevast Beleggingen/G4.1 Het ging in deze zaak om een projectvennootschap die een overeenkomst sloot met de eigenaar van Euroborg over de koop en vormgeving van kantoorruimte. In de onderhandelingen werd de projectvennootschap vertegenwoordigd door de bestuurder. Nadat de overeenkomst was beklonken, ontbond de projectvennootschap op enig moment voor oplevering de koopovereenkomst op de grond dat G4 tekortschoot in haar verplichting om conform het overeengekomene de kantoorruimte tegen de afgesproken prijs op te leveren. De schade die G4 hierdoor leed, wilde zij verhalen op de bestuurder, omdat de projectvennootschap, zoals te doen gebruikelijk bij vastgoedprojecten, een lege vennootschap is. In feitelijke instantie werd geoordeeld dat de ontbinding van de koopovereenkomst door de projectvennootschap op onjuiste gronden is ingeroepen, waardoor de projectvennootschap aansprakelijk is voor de schade die G4 heeft geleden als gevolg van de tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. Met betrekking tot de aansprakelijkheid van de bestuurder stelde het hof voorop dat de bestuurder in casu de onderhandelingen heeft gevoerd bij de totstandkoming van de koop. Vervolgens wordt overwogen dat ‘ingevolge de koopovereenkomst tussen Hanzevast III (de projectvennootschap, AK) en G4 (…) laatstgenoemde ervan uit [mocht] gaan dat Hanzevast Beleggingen (de bestuurder, AK) ervoor zou zorgdragen dat Hanzevast III van voldoende financiële middelen zou worden voorzien om op het moment van levering van de kantoorruimte de koopsom te voldoen’. De zinsnede ‘ingevolge de koopovereenkomst’ wekt de suggestie dat de aldus aangeduide verplichting van de bestuurder in dit geval ‘onderdeel’ was van de koopovereenkomst, waardoor de bestuurder ook partij zou zijn bij die overeenkomst. Het hof overwoog echter ook dat de bestuurder onrechtmatig zou handelen in het hypothetische geval dat de kantoorruimte was opgeleverd en de projectvennootschap onvoldoende middelen zou hebben om de schuldeiser te voldoen. De grondslag van de aansprakelijkheid wordt derhalve gevonden in de onrechtmatige daad en niet in contractbreuk.
Het hof overwoog voorts dat G4 als schuldeiser – gelijk de bestuurder wist – ervan uitging dat de bestuurder ten tijde van het leveren van de kantoorruimte de projectvennootschap in staat zou stellen de koopsom te betalen. In deze veronderstelling had G4 ook nagelaten zekerheid te verlangen voor de voldoening van die vordering. De Hoge Raad accordeerde het oordeel van het hof met de toevoeging dat in het oordeel van het hof besloten ligt dat de bestuurder heeft toegelaten of bewerkstelligd dat de vennootschap haar verplichtingen niet nakwam terwijl hij wist of redelijkerwijze behoorde te weten dat de vennootschap geen verhaal zou bieden voor de schadevergoedingsvordering van G4 – hiermee aansluitend bij het tweede gevaltype dat in Ontvanger/Roelofsen werd onderscheiden. De onterechte ontbinding van de koopovereenkomst en het niet beschikbaar stellen van middelen aan de projectvennootschap voor de voldoening van de (schadevergoedings)vordering van G4 leidt – zo begrijp ik de overweging van de Hoge Raad – tot de conclusie dat de bestuurder heeft bewerkstelligd dat de vennootschap haar verplichtingen niet nakwam terwijl hij wist dat zij ook geen verhaal bood voor de schade van de gelaedeerde schuldeiser.
Het is de vraag of de enkele omstandigheid dat op onterechte gronden is ontbonden en de bestuurder niet (persoonlijk) gelden ter beschikking heeft gesteld voor de nakoming van de verbintenis van de projectvennootschap voldoende is voor aansprakelijkheid. Zou de bestuurder ook aansprakelijk zijn indien het geen projectvennootschap betrof en hij (naar achteraf blijkt) de overeenkomst onterecht heeft ontbonden terwijl de vennootschap de (schadevergoedings)vordering van de schuldeiser niet kan voldoen? Dat zou erop neerkomen dat het enkele door de vennootschap niet voldoen aan haar contractuele verplichtingen de bestuurder aansprakelijk maakt indien vervolgens blijkt dat de schuldeiser geen verhaal kan nemen voor de schadevergoedingsvordering. Die gevolgtrekking lijkt in strijd met het uitgangspunt dat het enkele niet erop toezien dat de vennootschap tijdig haar financiële verplichtingen nakomt geen onrechtmatig handelen van de bestuurder jegens de desbetreffende schuldeiser oplevert.2 Voor de aansprakelijkheid van de bestuurder is nodig dat hij met zijn handelen persoonlijk een (zorgvuldigheids)norm schendt jegens die schuldeiser. In de onderhavige zaak kan de aansprakelijkheid van de bestuurder mijns inziens worden herleid tot het door hem opgewekte en vervolgens beschaamde vertrouwen ten opzichte van de schuldeiser (G4).3 Dat vertrouwen bestaat hieruit dat G4 ervan uit mocht gaan dat conform de normale loop der dingen – het is bij grootschalige projectfinanciering goed gebruik om met lege projectvennootschappen te werken4 – en hetgeen de bestuurder daaromtrent heeft gesteld5 de projectvennootschap van voldoende middelen zou worden voorzien om haar te voldoen. Door dit vervolgens na te laten handelde de bestuurder onrechtmatig jegens de schuldeiser.