Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad
Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (R&P nr. InsR11) 2019/5.8.3:5.8.3 Zandvliet/ING
Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (R&P nr. InsR11) 2019/5.8.3
5.8.3 Zandvliet/ING
Documentgegevens:
mr. A. Karapetian, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. A. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS346111:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Materieel strafrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 26 maart 2010, JOR 2010/127 m.nt. D.A.M.H.W. Strik (Zandvliet/ING).
Vgl. Hof Den Haag 26 september 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:2695 in r.o. 10.
Zie over selectieve betalingen uitgebreid hoofdstuk 7 en 8.
Zie nr. 3.5 in de conclusie.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De andere uitspraak waarin het door bestuurder gewekte vertrouwen in de grond de katalysator van diens aansprakelijkheid was, is Zandvliet/ING.1 Zandvliet was de indirect bestuurder van Standard Group Holland (hierna: Standard). Standard had zich tegenover het Wereld Natuur Fonds (‘WNF’) verbonden om door middel van een actie donateurs te werven. Ter financiering van deze activiteiten had ING krediet verstrekt aan Standard onder verpanding van de toekomstige vorderingen die Standard op WNF zou verkrijgen als gevolg van de wervingsactie. Op enig moment ontstaat er tussen Standard en WNF een geschil over de omvang van de vergoeding die WNF aan eerstgenoemde verschuldigd is. Het krediet van ING is inmiddels opeisbaar geworden en om te voorkomen dat ING haar krediet opeist, doet Zandvliet de toezegging aan ING dat haar vordering bij voorrang zal worden voldaan uit de van WNF ontvangen gelden. Wanneer tussen Standard en WNF overeenstemming wordt bereikt over de hoogte van de verschuldigde vergoeding, wordt het bedrag niet gestort op de rekening die Standard bij ING aanhoudt, maar sluist Zandvliet het geld door naar de Rabobank die vervolgens in opdracht van Zandvliet een aantal andere schuldeisers van Standard voldoet. ING stelt een vordering uit onrechtmatige daad in jegens Zandvliet en deze wordt door het hof toegewezen. Het hof kwalificeert de toezegging als een nadere overeenkomst tussen Standard en ING en komt tot het oordeel dat er sprake is geweest van betalingsonwil aan de zijde van Zandvliet om de daaruit voortvloeiende verbintenis te voldoen. Hiertoe overweegt het hof onder meer dat Zandvliet de brieven met toezeggingen aan ING zelf heeft ondertekend, terwijl hij zelf de gesprekken daarover heeft gevoerd met ING. Door vervolgens het schikkingsbedrag weg te sluizen, terwijl voor Zandvliet duidelijk was of had moeten zijn dat Standard geen verhaal zou bieden voor de vorderingen van ING, heeft Zandvliet onrechtmatig (in de woorden van het hof ‘ernstig verwijtbaar’) gehandeld. De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof en refereert in zijn overwegingen aan de vaststelling door het hof dat de toezegging door Zandvliet tot gevolg heeft gehad dat de financieringsnood van Standard werd afgewend aangezien Standard in die periode afhankelijk was van de voortzetting van de kredietverlening door ING. Als gezegd, wordt de onrechtmatigheid in deze zaak gebaseerd op de onwil van Zandvliet om de uit de ‘nadere overeenkomst’ voortvloeiende verbintenis te voldoen. Ik laat in het midden wat de twijfelachtige meerwaarde is van het vaststellen van een ‘nadere overeenkomst’ die (immers) strekt tot nakoming van een bestaande schuld,2 maar het is duidelijk dat de toezegging in de vaststelling van het oordeel over onrechtmatigheid (‘ernstig verwijt’) een wezenlijke rol speelt. Het selectief betalen van schuldeisers is immers, zoals ook de Hoge Raad tot uitgangspunt neemt, in beginsel toegestaan.3 A-G Timmerman verwoordt het in zijn conclusie voor dit arrest aldus dat door de toezegging te doen Zandvliet in verhouding tot ING zijn vrijheid om (selectief) te betalen heeft ingeperkt.4 De toezegging had feitelijk tot gevolg dat ING niet overging tot het opeisen van het krediet in vertrouwen dat zij als eerste zou worden voldaan wanneer de gelden beschikbaar kwamen. In het oordeel van het hof en de Hoge Raad ligt dan de veronderstelling besloten dat Zandvliet door zijn uitlatingen het vertrouwen heeft gewekt bij ING dat hij persoonlijk ervoor zou zorgen dat ING betaald werd.