Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht
Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/8.3.4:8.3.4 Verhouding appèlrechter - rechters in eerste aanleg
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/8.3.4
8.3.4 Verhouding appèlrechter - rechters in eerste aanleg
Documentgegevens:
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS577085:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie §7.5.2.4.
Zie §7.5.3.
Hetgeen hier wordt opgemerkt geldt uiteraard ook weer voor de omgekeerde situatie waarin een appèlrechter een bepaalde rechtersregeling uitdrukkelijk niet van toepassing acht of deze anderszins inhoudelijk niet juist acht. De lagere rechter is aan een precedent in deze zin evenzeer gebonden en daarmee dus niet (meer) aan de desbetreffende rechtersregeling.
Vgl. §8.3.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In § 7.5.3 bleek dat de verhouding tussen de appèlrechter en de rechters in eerste aanleg in de literatuur met behekking tot precedenten weinig afzonderlijke aandacht gekregen. Verdedigd kan echter worden dat deze verhouding naar analogie met de verhouding tussen Hoge Raad en lagere rechters kan worden ingevuld. Ook hier geldt immers - naast de algemene argumenten voor binding aan precedenten, die met name te ontlenen zijn aan de algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging1 - het 'autoriteitsargument' dat uitspraken van de rechter in eerste aanleg door de appèlrechter kunnen worden vernietigd.2 Dit betekent dat de rechter in eerste aanleg in beginsel gebonden kan worden geacht aan precedenten van (in elk geval zijn 'eigen') appèlrechter, ook hier weer behoudens mogelijkheden tot afwijking.
Wanneer deze lijn wordt doorgetrokken naar de situatie waarbij een appèlrechter een bepaalde rechtersregeling toepast,3 ontstaat een soortgelijk beeld als in de voorgaande paragraaf werd geschetst. Voorzover deze toepassing te herleiden is tot een rechtsoordeel, zijn de onder de desbetreffende appèlrechter ressorterende rechters in eerste aanleg daaraan in beginsel gebonden te achten. Anders dan de Hoge Raad zullen appèlrechters in voorkomend geval over al dit soort vragen volledig inhoudelijk kunnen én moeten oordelen. De appèlrechter kan zich immers niet de beperkingen opleggen die de Hoge Raad zich blijkt op te leggen ten aanzien van bijvoorbeeld de toepassing van vage normen, waarbij het oordeel (binnen zekere marges) aan de lagere rechter wordt overgelaten.4 Op de gebieden waar de cassatierechter een dergelijk terughoudend beleid voert, zullen dus eerder precedenten van appèlrechters dan van de Hoge Raad ontstaan.