Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/9.6
9.6 Betrokkenheid van de raadsheer-commissaris bij vervolgbeschikkingen van de Ondernemingskamer
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS457847:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Deze opsomming is niet volledig. Binnen de enquêteprocedure kan men bijvoorbeeld ook denken aan een beslissing op een verzoek tot beëindiging van het onderzoek. Behalve bij een enquêteprocedure kunnen partijen betrokken zijn bij andere procedures die door de Ondernemingskamer worden behandeld, zoals een uitkoopprocedure of een geschillenregeling.
Dit is, zo heb ik van de voorzitter van de Ondernemingskamer vernomen, ook beleid. Daarbij speelt mede een rol dat de bezetting van de Ondernemingskamer beperkt is.
Soerjatin 2017, p. 12, trekt een parallel met de raadsheer-commissaris in strafzaken, die nooit zelf de strafzaak behandelt. Dat lijkt mij niet een heel erg zinvolle vergelijking, omdat de taken van de raadsheer-commissaris in de straf- en de enquêteprocedure zo verschillend zijn. Ik ben het wel met haar eens dat de Ondernemingskamer er verstandig aan doet op dit punt beleid te ontwikkelen.
Deze bepaling is mede van toepassing op verzoekprocedures, zoals de enquêteprocedure. Zie artikel 284 lid 1 Rv.
Indien de Ondernemingskamer op de voet van artikel 16 lid 5 Rv een raadsheer-commissaris zou benoemen om een getuige te horen, is dat wel het geval.
Leidraad onpartijdigheid en nevenfuncties in de rechtspraak, aanbeveling 16 . De aanbeveling wijst er voorts op dat de onpartijdigheid van de rechter kan worden beïnvloed indien hij herhaaldelijk zaken van eenzelfde procespartij behandelt. Dat doet zich in de enquêteprocedure niet voor.
De toelichting verwijst naar HR 19 februari 2002, NJ 2002/197 (C./S.), r.o. 3.3.2; EHRM 24 mei 1989, NJ 1990/627, m.nt. P. van Dijk (Hauschildt v. Denemarken), § 50.
Vgl. Soerjatin 2017, p. 12 en M.W. Josephus Jitta, annotatie bij OK 14 december 2016, JOR 2017/ 36 (Eshuis Holding).
De raadsheer-commissaris zou op diverse wijzen als lid van de Ondernemingskamer betrokken kunnen worden bij vervolgbeschikkingen:
Hij zou deel kunnen uitmaken van de kamer uit de Ondernemingskamer die gedurende het onderzoek oordeelt op verzoeken, zoals een verzoek tot verhoging van het onderzoeksbudget of tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen.
Hij zou deel kunnen uitmaken van de kamer uit de Ondernemingskamer die beslist voor wie het verslag ter inzage wordt gelegd.
Hij zou deel kunnen uitmaken van de kamer uit de Ondernemingskamer die oordeelt op een verzoek tot het vaststellen van wanbeleid en/of het treffen van voorzieningen of een verzoek tot verhaal van kosten als bedoeld in artikel 2:354 BW.1
Daarnaast zou hij als voorzitter van de Ondernemingskamer een beslissing kunnen nemen op een verzoek om mededelingen uit het verslag te mogen doen. Uit de paar zaken waarin zowel de raadsheer-commissaris een beslissing heeft genomen als de Ondernemingskamer vervolgbeslissingen heeft genomen, blijkt dat de raadsheer- commissaris in beginsel deel uitmaakt van de betreffende kamer uit de Ondernemingskamer in die vervolgbeslissingen.2 De vraag rijst of dit wenselijk is.3
Artikel 155 Rv bepaalt dat de rechter ten overstaan van wie in een zaak bewijs is bijgebracht, daarin zo veel als mogelijk is het eindvonnis zal wijzen of medewijzen.4 Ten overstaan van de raadsheer-commissaris wordt evenwel geen bewijs bijgebracht, zodat deze bepaling niet van toepassing is.5 Er is dus geen bepaling die voorschrijft dat de raadsheer-commissaris in beginsel deel uitmaakt van de kamer uit de Ondernemingskamer die vervolgbeslissingen neemt. Een bepaling waarin staat dat hij geen deel mag uitmaken van de Ondernemingskamer bij het nemen van vervolgbeslissingen is er evenmin.
De vraag of een rechter betrokken kan zijn bij vervolgbeslissingen in een zaak waarmee hij eerder bemoeienis heeft gehad, komt aan de orde in de Leidraad onpartijdigheid en nevenfuncties in de rechtspraak. Aanbeveling 16 bepaalt dat de rechter zich ervan bewust dient te zijn dat zijn onpartijdigheid ter discussie kan komen te staan vanwege zijn eerdere bemoeienis als rechter met een bepaalde zaak.6 In de toelichting op deze aanbeveling staat dat de enkele omstandigheid dat een rechter al eerder bemoeienis met een zaak heeft gehad, onvoldoende is om partijdigheid aan te nemen. Bijkomende omstandigheden kunnen dit echter anders maken.7 Van een dergelijke bijkomende omstandigheid kan sprake zijn indien een partij die op een bepaald punt van de raadsheer-commissaris ongelijk heeft gekregen, dat punt in een vervolgprocedure wederom aan de orde stelt. De partij mag dat doen, omdat de Ondernemingskamer niet gebonden is aan de beslissingen van de raadsheer-commissaris. Als bijvoorbeeld een partij bij het onderzoek de raadsheer-commissaris vergeefs heeft gevraagd de onderzoeker de aanwijzing te geven dat hij geen gebruik mag maken van een verklaring van een informant die anoniem wil blijven, kan zij in een tweedefaseprocedure het verweer voeren dat het deel van het verslag dat op deze anonieme verklaring is gebaseerd, buiten beschouwing moet worden gelaten. In een dergelijk geval acht ik het verstandig dat de raadsheer-commissaris geen deel uitmaakt van de Ondernemingskamer.8 Ik denk dat dit soort gevallen zich overigens niet vaak zal voordoen. Gezien het beperkte aantal raadsheren in de Ondernemingskamer is het ook niet wenselijk dat de raadsheer-commissaris zich zonder goede reden zou moeten verschonen. Dat compliceert het samenstellen van de Ondernemingskamer aanzienlijk. De schijn van partijdigheid moet echter wel te allen tijde worden vermeden, ook als dat organisatorische problemen met zich zou brengen. Mocht de voormalige raadsheer-commissaris bij de voorbereiding van de mondelinge behandeling van het tweedefaseverzoek tot de conclusie komen dat zijn onpartijdigheid niet meer boven iedere twijfel is verheven, dan zal hij zich moeten verschonen.