HR, 12-01-1931
ECLI:NL:HR:1931:258
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12-01-1931
- Zaaknummer
[121931/NJ_1931,_p._758]
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1931:258, Uitspraak, Hoge Raad, 12‑01‑1931; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1930:3
- Vindplaatsen
NJ 1931, p. 758 met annotatie van E.M. Meijers
Uitspraak 12‑01‑1931
Inhoudsindicatie
Officier van Justitie, requirant van cassatie tegen een beschikking van een Gerechtshof. O.M. als hoofdpartij.
Aan den Hoogen Raad der Nederlanden te s-Gravenhage.
Geeft met gepasten eerbied te kennen :
De Officier van Justitie bij de Arrondissements-Rechtbank te Arnhem;
dat hij bij zijne Rechtbank ambtshalve een vordering heeft ingediend tot doorhaling van een acte van den Burgerlijken Stand voorkomende in het register van den Burgerlijken Stand, bestemd tot het inschrijven van acten van geboorten in de gemeente Arnhem over het jaar 1917;
dat zijne Rechtbank hem in die vordering niet ontvankelijk heeft verklaard op de gronden nader in die beschikking omschreven en van welk een en ander een afschrift hierbij is gevoegd;
dat hij alsnu van die beschikking van zijne Rechtbank in hooger beroep is gekomen bij het Gerechtshof te Arnhem, welk Hof bij beschikking van 21 October 1930 de door zijne Rechtbank gegeven beschikking heeft bekrachtigd. Ook van dit nader aan het Gerechtshof ingediend verzoekschrift en van de daarop door het Hof gegeven beschikking wordt hierbij een afschrift overgelegd;
dat hij alsnu vermeent dat zoowel zijne Rechtbank als het Gerechtshof te Arnhem een te enge interpretatie hebben gegeven aan de bepalingen der artikelen 70 tot en met 73, van de zevende afdeling van den derden Titel van het Eerste Boek van het Burgerlijk Wetboek door te bepalen dat art. 71 voornoemd het Openbaar Ministerie niet bevoegd maakt om een zoodanige vordering te doen;
dat zoowel zijne Rechtbank als het Gerechtshof te Arnhem door die te enge interpretatie de voornoemde artikelen 70 tot en met 73 van het Burgerlijk Wetboek hebben geschonden;
dat toch die artikelen en meer speciaal art. 71, zonder met uitdrukkelijke woorden het Openbaar Ministerie daartoe bevoegd te verklaren, naar zijne meening toch nog wel ruimte voor laten voor de door hem, Officier, aan dat artikel 71 gegeven interpretatie, aangezien in dat artikel 71 met geen enkel woord vermeld wordt door wien zulk een verzoek moet of kan worden ingediend en de daarin voorkomende bepaling tot verhoor van het Openbaar Ministerie aan die interpretatie niet in den weg staat, aangezien de Rechtbank naast het verplichte verhoor van het Openbaar Ministerie ook de belanghebbende partijen kan hooren, welke belanghebbende partijen ook de verzoekers kunnen zijn;
dat zoowel mijne Rechtbank alsook het Gerechtshof te Arnhem door hunne interpretatie van dat artikel 71 de strekking der bepalingen van de artikelen 25 en 28 van het Burgerlijk Wetboek geheel over het hoofd hebben gezien en alzoo door hunne beschikkingen ook die artikelen hebben geschonden;
In die twee laatstgenoemde artikelen toch wordt aan het Openbaar Ministerie, in werkelijkheid aan den Officier van Justitie, de zorg voor en de controle op de richtige houding der registers van den Burgerlijken Stand opgedragen en zonder de bovenomschreven en door hem-Officier- gewilde bevoegdheid ex. artikel 71 Burgerlijk Wetboek zoude én de zorg voor én de controle op de richtige houding van die registers tot een doode formule zijn teruggebracht. Zulks kan toch nooit de bedoeling van den wetgever zijn geweest.
dat hij zich alsnu tot Uwen Raad wendt met het eerbiedig verzoek dat het Uwen Raad moge behagen de door het Gerechtshof te Arnhem bekrachtigde beschikking van de Rechtbank te Arnhem dd. 27 Augustus 1930 te vernietigen en hem Officier alsnog ontvankelijk te verklaren in zijn vordering en verder zoodanige beslissing to nemen als Uwe Raad zal vermeenen in deze te behooren.
De Officier van Justitie voornoemd,
Parket Arnhem, 11. December 1930.
De Hooge Raad der Nederlanden,
In raadkamer vergaderd,
Gezien het vorenstaande verzoekschrift, met de daarbij overgelegde stukken en de onder het verzoekschrift gestelde conclusie van den Procureur-Generaal, strekkende daartoe, dat de requestrant niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn verzoek;
Zich vereenigende met die conclusie en de gronden waarop zij berust overnemende;
Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek. -
Gedaan en gewezen den 12en Januari 1931 bij de Heeren Savelberg, Vice-President, Taverne, Schepel, de Menthon Bake en Fick, Raden, in bijzijn van den Substituut-Griffier Jas, zijnde deze beschikking bij afwezigheid van den Vice-President door den oudsten Raadsheer Taverne onderteekend. -