HR, 22-09-1993, nr. 1160
ECLI:NL:PHR:1993:AD1952
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
22-09-1993
- Zaaknummer
1160
- LJN
AD1952
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Onteigeningsrecht
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1993:AD1952, Uitspraak, Hoge Raad, 22‑09‑1993
ECLI:NL:PHR:1993:AD1952, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 22‑09‑1993
ECLI:NL:PHR:1930:3, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑12‑1930
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1931:258
Uitspraak 22‑09‑1993
Dit document is (nog) niet beschikbaar gesteld door de rechtsprekende instantie.
Conclusie 22‑09‑1993
Dit document is (nog) niet beschikbaar gesteld door de rechtsprekende instantie.
Conclusie 12‑12‑1930
Inhoudsindicatie
Officier van Justitie, requirant van cassatie tegen een beschikking van een Gerechtshof. O.M. als hoofdpartij.
De Procureur- Generaal;
Overwegende, dat verzoeker, in zijne hoedanigheid van Officier van Justitie bij de Arrondissements-Rechtbank te Arnhem, aan haar heeft verzocht de doorhaling te willen bevelen van eene acte van erkenning in het register van geboorten dezer gemeente over 1917, in welk verzoek hij niet-ontvankelijk is verklaard; Overwegende, dat hij daarop in hooger beroep, in gelijke qualiteit, aan het Gerechtshof aldaar heeft gevraagd gemelde beschikking te vernietigen en hem alsnog in zijn verzoek te ontvangen, met verdere beschikking als dat Hof zal vermeenen te behooren; Overwegende, dat dit de beschikking der Rechtbank heeft bekrachtigd;
Overwegende, dat hieruit blijkt, dat requestrant als hoofdpartij is opgetreden in zijne voormelde hoedanigheid en dus volgens artikel 323 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering als zoodanig de gewone wijze van rechtsvordering heeft te volgen;
Overwegende, dat hij, wederom in genoemde hoedanigheid, in cassatie is gekomen van 's Hofs beschikking en ter ondersteuning dezer voorziening het in zijn verzoekschrift opgenomen middel heeft aangevoerd;
Overwegende dat, alvorens dit middel kan worden getoetst, moet vaststaan, dat requestrant als Officier van Justitie bij de Arrondissements-Rechtbank te Arnhem gerechtigd is in cassatie te komen van de voorzegde beschikking van het Gerechtshof aldaar;
Overwegende dat, naar artikel 3 der Wet op de Zamenstelling der Regterlijke Magt en het Beleid der Justitie (Wet van 18 April 1927, Stb1.20), "het openbaar ministerie wordt uitgeoefend door den prokureur-generaal bij den Hoogen Raad, door de prokureurs-generaal bij de geregtshoven, door de officieren van justitie bij de arrondissements-regtbanken en door de ambtenaren van het openbaar ministerie bij de kantongeregten, " terwijl artikel 4 dier wet het openbaar ministerie bijzonderlijk belast met de handhaving der wetten;
Overwegende, dat voorts de artikelen 52, 54 en 55 van Reglement I de Procureurs-Generaal bij de Geregtshoven belasten, ieder in de geheele uitgestrektheid van zijn ressort, o. a. met de handhaving en de uitvoering der wetten en reglementen en den Officieren van Justitie gelijke zorg opdragen in den omtrek van het regtsgebied der Arrondissements-Regtbanken, waarbij zij behooren;
Overwegende, dat uit genoemde wetsvoorschriften, in onderling verband en samenhang met elkaar beschouwd, volgt, dat requestrant wel bevoegd was van eene beschikking zijner Rechtbank op gezegd verzoekschrift, door hem in zijne hoedanigheid van Officier van Justitie tot haar gericht, in hooger beroep te komen, doch dat hij het recht van cassatie mist met betrekking tot de beschikking door het Gerechtshof te Arnhem in appel op dat beroep gewezen, daar hij bij dit Gerechtshof niet de functie van Procureur-Generaal bekleedt, aan wien dit uitsluitend, als representeerende den verzoeker in hooger beroep, toekomt; Overwegende dat, waar op dezen grond verzoeker reeds niet kan worden ontvangen, de opgeworpen grief niet behoeft te worden onderzocht;
Concludeert, dat requestrant niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn verzoek.
Parket 12 December 1930
De Procureur-Generaal voornoemd,