De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift
Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/9.3.1:3.1 Inleidende opmerkingen
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/9.3.1
3.1 Inleidende opmerkingen
Documentgegevens:
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948051:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Asser/Perrick 4 2021/223. Zie voorts L.C.A. Verstappen, in: Handboek Erfrecht 2020, p. 298-301, waaronder ook over de verschillen tussen de regeling van de tweetrapsmaking in het oude erfrecht en het huidige erfrecht.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
526. In deze paragraaf zal worden ingegaan op de omvang van de huwelijksgemeenschap waarin de bezwaarde en de verwachter bij een tweetrapsmaking kunnen zijn gehuwd. Centraal staat telkens de vraag of de goederen en schulden van het tweetrapsvermogen wel of niet tot de huwelijksgemeenschap gaan behoren waarin de bezwaarde en verwachter zijn gehuwd. Daarbij komen eerst de activa van het tweetrapsvermogen aan de orde. Daartoe zal in paragraaf 3.2 worden ingegaan op de positie van de bezwaarde die in de wettelijke gemeenschap van goederen is gehuwd, en in paragraaf 3.3 op de positie van de verwachter die in de wettelijke gemeenschap van goederen is gehuwd. Het uitgangspunt in beide paragrafen is telkens dat sprake is van een tweetrapserfstelling. Daarbij wordt in de literatuur vaak een onderscheid gemaakt tussen tweetrapserfstellingen mét vervreemdings- en verteringsbevoegdheid (het fideï-commis de residuo), en tweetrapserfstellingen zónder deze bevoegdheid (een ‘zuivere’ tweetrapserfstelling). In deze paragraaf zal bij dat onderscheid aangeknoopt worden, maar zal tegelijkertijd betoogd worden dat beide varianten geen andere benadering verdienen. In paragraaf 3.4 komt vervolgens de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen van de bezwaarde en verwachter aan bod in verhouding tot de schulden die tot het tweetrapsvermogen kunnen behoren. In paragraaf 3.5 zal tot slot nog een aantal opmerkingen worden gemaakt over de verhouding tussen het tweetraps(sub)legaat en de huwelijksgemeenschap van de bezwaarde en de verwachter.
527. Ter inleiding op deze paragraaf is verder nog het volgende van belang. Onder de werking van het oude erfrecht werden tweetrapsmakingen slechts onder bepaalde voorwaarden toegestaan. De tweetrapsmaking van het onverteerde en onvervreemde waren binnen de door de wet in artikel 4:928 oud BW getrokken grenzen toegestaan. Makingen over de hand met de plicht tot bewaring werden slechts in twee gevallen door artikel 4:1020 BW en 4:1021 BW toegestaan.1 Voor de vraag of goederen die krachtens een tweetrapsmaking zijn verkregen in de huwelijksgemeenschap van de bezwaarde en/of verwachter zijn gevallen, maakt het echter geen verschil of het een tweetrapsmaking betreft onder vigeur van het oude erfrecht, of een tweetrapsmaking onder de werking van het huidige erfrecht. Wat in deze paragraaf wordt opgemerkt, geldt dus zowel voor goederen die onder het oude erfrecht krachtens een tweetrapsmaking zijn verkregen, als voor goederen die onder het nieuwe erfrecht onder een tweetrapsmaking verkregen zijn.