Retentierecht en uitwinning
Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/3.3.6:3.3.6 Nauwere samenhang vereist jegens derden
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/3.3.6
3.3.6 Nauwere samenhang vereist jegens derden
Documentgegevens:
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS587535:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 5 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1213, NJ 2004/548, m.nt. K.F. Haak (VGC/GE SeaCo).
Parl. Gesch. Boek 3, p. 884. Zie ook Fesevur 2017/19.
HR 5 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1213, NJ 2004/548, m.nt. K.F. Haak (VGC/GE SeaCo), r.o. 3.5.1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
87. Voor het inroepen van een retentierecht jegens een anterieure derde, worden zwaardere eisen gesteld aan de samenhang. Dat volgt uit (de parlementaire geschiedenis bij) art. 3:291 lid 2 BW en het arrest VGC/GE SeaCo.1 In art. 3:291 lid 2 BW staat dat het retentierecht alleen kan worden ingeroepen jegens een ouder gerechtigde als de vordering voortvloeit uit een overeenkomst die de schuldenaar bevoegd was met betrekking tot de zaak aan te gaan. De overeenkomst die de schuldenaar bevoegd is aangegaan en waaruit zijn vordering voortvloeit, moet dus wel betrekking hebben op de zaken waarop de retentor het retentierecht wenst uit te oefenen. Volgens de parlementaire geschiedenis moet voor het inroepen van een retentierecht jegens een ouder gerechtigde zijn voldaan aan het ‘debitum cum re iunctum’-vereiste.2 De Hoge Raad heeft dit bevestigd in het arrest VGC/GE SeaCo. Ik zet de (eenvoudige en illustratieve) casus kort uiteen. GE SeaCo heeft containers verhuurd aan Norasia Lines. Omdat Norasia de huurtermijnen niet betaalde, eiste GE SeaCo haar containers terug. Een deel van de van GE SeaCo gehuurde containers staan op het terrein van VGC, die reparaties aan de containers heeft verricht en zorgde voor de opslag. VGC had openstaande vorderingen op Norasia en beriep zich op een retentierecht op alle containers die ze onder zich had. Norasia huurde behalve van GE SeaCo ook containers van andere partijen. GE SeaCo beroept zich er in rechte op dat VGC alleen een retentierecht jegens haar kan inroepen voor vorderingen ter zake van de reparaties aan haar containers. De Hoge Raad overweegt dat het inroepen van het retentierecht jegens derden met een ouder recht in beperktere mate is toegestaan dan jegens de schuldenaar zelf. Ik citeer:
“[H]et retentierecht tegenover derden met een ouder recht [kan] alleen worden uitgeoefend voor zover het gaat om zaken waarop de vordering betrekking heeft en niet op andere zaken die onder de overeenkomst vallen.”3
Volgens de Hoge Raad hoeven de eigenaren van deze andere zaken, waaraan geen reparaties zijn verricht, in het maatschappelijk verkeer er geen rekening mee te houden dat hun zaken zullen worden gebruikt voor het verhaal van vorderingen die betrekking hebben op andere opgeslagen of gerepareerde zaken. Ten slotte geeft de Hoge Raad in het arrest VGC/GE SeaCo nog een gebod van praktische aard aan de retentor, om dit onderscheid tussen de verschillende vorderingen te kunnen maken:
“Van degene die zaken van anderen, ter bewaring of reparatie, onder zich krijgt mag worden verwacht dat hij ermee rekening houdt dat deze zaken aan anderen dan zijn contractuele wederpartij kunnen toebehoren en dat hij met het oog op die mogelijkheid een deugdelijke registratie bijhoudt van de per zaak verrichte werkzaamheden.”
Gelet op deze vingerwijzing, kunnen we aannemen dat als een dergelijke administratie van de werkzaamheden per zaak ontbreekt, dit voor (bewijs) risico van de retentor komt.