Het onderzoek in de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/5.3.1:5.3.1 Inleiding
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/5.3.1
5.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS450699:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
OK 26 mei 1983, NJ 1984/481, m.nt. J.M.M. Maeijer, TVVS 1986/2, p. 51-54, m.nt. W.J. Slagter (Linders Beheer). Voor zover mij bekend, heeft de Ondernemingskamer deze formulering in latere beschikkingen niet meer herhaald, en zeker niet de laatste tien jaar.
Zie § 5.3.3.
Zie § 5.3.4.
Zie § 1.3.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals in § 5.1.1 uiteengezet, zijn de wettelijke taken van de onderzoekers het instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon conform de door de Ondernemingskamer geformuleerde onderzoeksopdracht en het uitbrengen van een schriftelijk verslag daarover, uit welk verslag moet blijken of er een grond is voor het vaststellen van wanbeleid en, eventueel, het treffen van voorzieningen. Omdat uit deze omschrijving niet blijkt wat de onderzoekers concreet moeten doen, heb ik een analyse van hun taken gemaakt. Als startpunt daarvoor heb ik de taakomschrijving genomen die de Ondernemingskamer aan de onderzoekers heeft gegeven in de veel geciteerde Linders Beheer-beschikking uit de begintijd van het enquêterecht:1
“(i)n de eerste plaats een onderzoek naar de relevante feiten, in de tweede plaats het trekken van de conclusie of al dan niet van wanbeleid sprake is geweest en zo ja, in de derde plaats, het aanbevelen van voorzieningen.”
Ofschoon nuttig als startpunt voor mijn analyse, is deze beschikking in twee opzichten achterhaald. In de eerste plaats maakt de Ondernemingskamer geen onderscheid tussen enerzijds het beoordelen van het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon en anderzijds, als dat oordeel negatief is, het kwalificeren van dat beleid als wanbeleid. Het eerste moeten de onderzoekers namelijk wél doen,2 maar het tweede niet.3 In de tweede plaats is de taakomschrijving toegespitst op een curatieve enquête, waarin orde op zaken moet worden gesteld. Dat kan onder meer worden gedaan door het treffen van voorzieningen. Sinds de beschikking hebben zich wat dat betreft twee wezenlijke ontwikkelingen voorgedaan. In de eerste plaats is dat de opkomst van de inquisitoire enquête, waarin geen orde op zaken behoeft te worden gesteld en het treffen van voorzieningen niet aan de orde is.4 De andere ontwikkeling is de in 1994 geïntroduceerde mogelijkheid om tijdens, of zelfs voorafgaand aan het onderzoek, onmiddellijke voorzieningen te treffen, waardoor de behoefte aan het treffen van voorzieningen na afloop van het onderzoek is afgenomen.
De genoemde drie kerntaken van de onderzoekers (het vaststellen van de feiten, het geven van een oordeel daarover en het opstellen van een verslag) bespreek ik in deze paragraaf. Vanwege de samenhang met het beoordelen van het beleid van de rechtspersoon bespreek ik in deze paragraaf ook waarom de onderzoekers zich dienen te onthouden van het kwalificeren van het handelen van de rechtspersoon. Taken van onderzoekers die slechts incidenteel in bepaalde onderzoeken aan de orde komen of zijn gekomen, bespreek ik in § 5.4.