Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/5.1.1
5.1.1 Wettekst
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS457883:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie hoofdstuk 2.
Dit is minder vanzelfsprekend dan het wellicht lijkt. Artikel 194 lid 1 Rv bepaalt dat de rechter op verzoek van een partij of ambtshalve een bericht of een verhoor van deskundigen kan bevelen. Het spreekt dus niet voor zich dat de onderzoekers schriftelijk moeten rapporteren.
Artikel 2:354 BW biedt de grondslag voor een verzoek van de rechtspersoon tot verhaal van de kosten van het onderzoek. Dit verzoek kan worden gedaan als uit het verslag blijkt dat het verzoek tot een enquête niet op redelijke grond is gedaan, respectievelijk uit het verslag blijkt dat een bestuurder, een commissaris of een ander in dienst van de rechtspersoon verantwoordelijk is voor een onjuist beleid of een onbevredigende gang van zaken van de rechtspersoon. Ik meen dat deze bepaling niet van belang is voor de taken van de onderzoekers, omdat zij niet behoeven te onderzoeken of er een grond is voor kostenverhaal. Zie § 5.4.5.
Wat de taken van de onderzoekers zijn, is niet systematisch in de wet geregeld. Dit moet worden afgeleid uit een aantal bepalingen. Relevant is allereerst artikel 2:345 lid 1 BW, dat zich tot de Ondernemingskamer richt. Dit artikellid luidt als volgt:
“Op schriftelijk verzoek van degenen die krachtens de artikelen 346 en 347 daartoe bevoegd zijn, kan de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam een of meer personen benoemen tot het instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van een rechtspersoon, hetzij in de gehele omvang daarvan, hetzij met betrekking tot een gedeelte of een bepaald tijdvak. (…)”
Hieruit vloeit voort dat de taak van de onderzoekers is: het instellen van een onderzoek binnen de door de Ondernemingskamer aangegeven grenzen. Anders (en positief) geformuleerd: het instellen van een onderzoek conform de door de Ondernemingskamer geformuleerde onderzoeksopdracht.1 In de Wet aanpassing enquêterecht is aan artikel 2:351 BW een vierde lid toegevoegd, dat als volgt luidt:
“De met het onderzoek belaste personen stellen een verslag op van hun bevindingen. Zij stellen degenen die in het verslag worden genoemd in de gelegenheid om opmerkingen te maken ten aanzien van wezenlijke bevindingen die op henzelf betrekking hebben. (…)”
De vóór 1 januari 2013 geldende wet bepaalde niet met zoveel woorden dat de onderzoekers een verslag moeten opstellen van hun bevindingen. Impliciet volgde echter al uit artikel 2:353 lid 1 BW dat de onderzoekers niet alleen het onderzoek moeten uitvoeren, maar daarover ook schriftelijk verslag moeten uitbrengen;2 dit artikellid bepaalt dat het verslag van de uitkomst van het onderzoek ter griffie van het Gerechtshof Amsterdam wordt nedergelegd.
Uit deze bepalingen kan dus worden afgeleid dat de onderzoekers een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon moeten instellen overeenkomstig de door de Ondernemingskamer aan hen gegeven onderzoeksopdracht en dat zij daarover een schriftelijk verslag moeten uitbrengen dat zij ter griffie van het hof moeten inleveren. Uit deze bepalingen kan niet worden afgeleid (i) wat de onderzoekers in hun onderzoek precies moeten doen en (ii) welke informatie het onderzoeksverslag moet bevatten.
Wel bevat artikel 2:355 BW een bepaling waaruit kan worden afgeleid waartoe het verslag volgens de wetgever dient:
“Indien uit het verslag van wanbeleid is gebleken, kan de ondernemingskamer op verzoek van de oorspronkelijke verzoekers en, indien het verslag voor hen ter inzage ligt, op verzoek van anderen die aan de in artikel 346 en 347 van dit Boek gestelde vereisten voldoen, of op verzoek van de advocaat-generaal, ingesteld om redenen van openbaar belang, een of meer van de in het volgende artikel genoemde voorzieningen treffen, welke zij op grond van de uitkomst van het onderzoek geboden acht.”
Uit deze bepaling blijkt dat de inhoud van het verslag de Ondernemingskamer in staat moet stellen om desverzocht te beslissen of er een grond is voor het vaststellen van wanbeleid en om voorzieningen te treffen.3
Samengevat zijn dus de wettelijke taken van de onderzoekers: het instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon conform de door de Ondernemingskamer geformuleerde onderzoeksopdracht, en het uitbrengen van een schriftelijk verslag daarover, uit welk verslag moet blijken of er een grond is voor het vaststellen van wanbeleid en, eventueel, het treffen van voorzieningen.