Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht
Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/6.4.3.1:6.4.3.1 Inleiding
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/6.4.3.1
6.4.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS583074:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In § 6.2.3.5 bleek reeds dat een rechtersregeling, ook wanneer het daarbij gaat om 'recht' in de zin van art. 79 RO, in beginsel tot een 'relatieve' binding leidt: slechts bepaalde rechters zijn jegens partijen gehouden deze regeling toe te passen. Dit brengt met zich dat de vraag of 'de' rechter een rechtersregeling ook ambtshalve moet toepassen, niet in deze vorm gesteld kan worden, maar in twee deelvragen opgesplitst moet worden: (a) zijn de rechters die bij de totstandkoming van een rechtersregeling betrokken zijn geweest (anders gezegd: de rechters die zichzelf rechtstreeks aan een rechtersregeling hebben gebonden) verplicht deze ambtshalve toe te passen?; en (b) zijn ook andere rechters dan onder (a) genoemd - met name: de appèl- en/ of cassatierechter -verplicht tot ambtshalve toepassing van een rechtersregeling?
Bij de beantwoording van deze vragen moet vooropgesteld worden dat het in beide gevallen in het algemeen zal gaan om ambtshalve toepassing binnen de grenzen van de rechtsstrijd. Daarbuiten is de rechter, zo bleek in § 6.4.2, immers slechts verplicht tot ambtshalve toepassing van rechtsregels die van openbare orde zijn. Het zal zich waarschijnlijk slechts bij hoge uitzondering voordoen dat een rechtersregeling als zodanig beschouwd moet worden.