NJ 1937/72
Inbeslagneming van autobussen door opsporingsambtenaren. Onrechtmatige overheidsdaad ? Bevoegdheid van den burgerl. rechter. Kort geding. [Misbruik van bevoegdheid door opsporingsambtenaren.]
HR 11-12-1936, ECLI:NL:HR:1936:219, m.nt. Prof. E.M. Meijers
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
11 december 1936
- Magistraten
Mrs. Jhr. Feith, van Gelein Vitringa, de Menthon Bake, Nypels, Meckmann
- Zaaknummer
[111936/NJ_1937-72]
- Conclusie
Mr. Besier
- Noot
Prof. E.M. Meijers
- JCDI
JCDI:ADS162677:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Vervoersrecht / Personenvervoer algemeen
Verbintenissenrecht / Algemeen
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1936:219, Uitspraak, Hoge Raad, 11‑12‑1936
- Wetingang
(BW art. 1401; Rv art. 289-297; Sv art. 94; Wet openbare vervoermiddelen 1880 art. 13.)
Essentie
Inbeslagneming van autobussen door opsporingsambtenaren. Onrechtmatige overheidsdaad ? Bevoegdheid van den burgerl. rechter. Kort geding. [Misbruik van bevoegdheid door opsporingsambtenaren.]
Samenvatting
In het algemeen is de President, wanneer iemand vraagt te worden beschermd tegen handelingen, welke inbreuk maken op een hem toekomend burgerlijk recht en vordert, dat de staking daarvan wordt gelast, bevoegd van zoodanige vordering kennis te nemen, ook indien de inbreuk plaats vindt door handelingen van de Overheid als zoodanig. Die bevoegdheid, bestaat echter niet, wanneer het gaat om de beoordeeling van en voor de toekomst verbieden van handelingen van opsporingsambtenaren, waartoe hun bij het W. ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.