NJB 2024/2328:Taakverdeling burgerlijke rechter-strafrechter. Strafvorderlijke inbeslagneming bij een verschoningsgerechtigde. Aanvullende rechtsbescherming door de burgerlijke rechter. Een advocaat wordt verdacht van deelname aan een criminele organisatie en schending van haar beroepsgeheim in het kader van haar bijstand aan een verdachte. Bij doorzoekingen in haar woning en in haar kantoor zijn stukken en gegevens in beslag genomen. De rechters-commissarissen hebben de selectie en filtering van de stukken en gegevens ten aanzien waarvan het verschoningsrecht niet behoeft te worden gerespecteerd, opgedragen aan geheimhoudermedewerkers van de politie onder leiding van een geheimhouderofficier van justitie. De advocaat komt hiertegen op in dit kort geding bij de burgerlijke rechter. Hoge Raad: De burgerlijke rechter moet de verschoningsgerechtigde niet-ontvankelijk verklaren als deze bij hem opkomt tegen de beslissing van de rechter-commissaris dat de inbeslagneming is toegestaan dan wel – meer specifiek – tegen de beslissing van de rechter-commissaris over het inschakelen van personen bij het onderzoek dat nodig is om te beoordelen of gegevens al dan niet geprivilegieerd materiaal betreffen. De burgerlijke rechter hoeft geen aanvullende rechtsbescherming te bieden.