Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/5.3.3
5.3.3 Beslagexecutie door de retentor met een vuistpandrecht
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS584051:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
HR 28 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:440, JOR 2014/147 m.nt. V. Tweehuysen, NJ 2015/192 m.nt. A.I.M. van Mierlo (KBC/De Jong).
Zie par. 5.2.7.3.
HR 28 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:440, JOR 2014/147 m.nt. V. Tweehuysen, NJ 2015/192 m.nt. A.I.M. van Mierlo (KBC/De Jong).
Conclusie A-G Rank-Berenschot punt 4.12 voor HR 28 februari 2014 ECLI:NL:HR:2014:440 (KBC/De Jong). Annotator Van Mierlo sluit zich hierbij aan in nr. 6 van zijn noot onder het arrest in NJ 2015/192. Anders: Kinderman 2014, p. 232.
nr. 12 van de annotatie van V. Tweehuysen in JOR 2014/147 onder HR 28 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:440 (KBC/De Jong).
193. Dezelfde vraag als in de vorige paragraaf met betrekking tot het voortbestaan van het pandrecht (en het retentierecht), doet zich voor wanneer de retentor-pandhouder de teruggehouden zaak door middel van beslagexecutie uitwint. Zo’n casus is nogal uitzonderlijk, maar het arrest KBC/De Jong, dat ik hierna uitgebreider bespreek, laat zien dat dit in de praktijk kan voorkomen.1 Doordat de retentor beslag heeft gelegd en hier bovendien voorrang aan ontleent, gaat het retentierecht teniet.2 Wat gebeurt er met het pandrecht? Anders dan hypotheekrechten, worden pandrechten niet gezuiverd op grond van art. 3:273 BW. Bovendien volgt uit art. 3:248 lid 3 BW, dat een lager gerangschikte pandhouder of beslaglegger het verpande goed slechts kan verkopen met handhaving van hoger gerangschikte pandrechten. De vraag is nu of art. 3:248 lid 3 BW ook van toepassing is op een pandhouder die zelf executeert in de hoedanigheid van beslaglegger. Vanwege het feit dat het hier niet gaat om de executie door een (andere) lager gerangschikte pandhouder of beslaglegger, maar om executie door één en dezelfde partij, is art. 3:248 lid 3 BW niet van toepassing. In het arrest KBC/De Jong oordeelt de Hoge Raad dat art. 3:248 lid 3 BW niet van toepassing is op een executie door een beslaglegger die zelf ook een pandrecht had.3 Volgens de Hoge Raad heeft het hof kunnen oordelen dat KBC dient te worden aangemerkt als een gerechtigde wiens recht is vervallen door de executie in de zin van art. 480 Rv. Het wordt uit het arrest zelf niet duidelijk waar het verval van het pandrecht van KBC op gebaseerd moet worden. Het ligt niet voor de hand dat dit verval het gevolg is van derdenbescherming op de voet van art. 3:86 lid 2 BW. De zaak KBC/De Jong sluit deze mogelijkheid overigens niet uit vanwege de summiere motivering van de Hoge Raad, in combinatie met het feit dat het pandrecht van KBC niet in de veilingvoorwaarden was opgenomen. Maar in de literatuur wordt algemeen aangenomen dat verval door derdenbescherming niet een grond is voor de kwalificatie van de pandhouder als belanghebbende bij de executieopbrengst (in de zin van art. 480 Rv). Verval van het pandrecht is immers in dat geval niet een gevolg van de executie zelf, maar van het vervolg daarvan, namelijk de levering aan de koper en diens goede trouw.4 De reden dat het hof, en in diens voetspoor de Hoge Raad, aanneemt dat het pandrecht is vervallen door executie moet er dan ook in gelegen zijn dat KBC de hoedanigheid van pandhouder en beslaglegger combineerde.5 KBC verenigde twee hoedanigheden in één. Omdat het aldus ging om executie door één en dezelfde partij, moet het pandrecht worden aangemerkt als vervallen in de zin van art. 480 Rv. Daaruit volgt, dat KBC met inachtneming van haar rang als pandhouder meedeelde bij de verdeling van de executieopbrengst. Uit het arrest KBC/De Jong kan bovendien worden afgeleid, dat de als beslaglegger executerende pandhouder, naar rang van pandhouder (en niet gewoon beslaglegger) wordt voldaan uit de executieopbrengst (in dit geval: met voorrang boven De Jong als concurrent schuldeiser). Als de beslaglegger-pandhouder echter ook nog een hoge rang ontleent aan de andere schuldeiserspositie, kan uit het arrest KBC/De Jong mijns inziens worden afgeleid dat hij met díe rang kan worden voldaan uit de executieopbrengst. Het pandrecht van de pandhouder-retentor die als beslaglegger de zaak uitwint, komt door de executie te vervallen en hij wordt naar zijn rang als retentor óf pandhouder voldaan uit de executieopbrengst.