Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/9.3
9.3 De algemene bevoegdheden van de raadsheer-commissaris
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS451829:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De tekst van artikel 16 lid 5 spreekt in de eerste zin over rechter-commissaris en in de tweede zin over raadsheer-commissaris, terwijl uiteraard in beide gevallen raadsheer-commissaris is bedoeld. Bij de eerstvolgende veegwet zou deze kennelijke fout moeten worden hersteld. De artikelen 15 lid 4 en 17 lid 3 Rv bevatten vergelijkbare bepalingen voor de rechter-commissaris bij de rechtbank en de raadsheer-commissaris bij de Hoge Raad.
Bij beschikking OK 12 februari 2010, ARO 2010/41 (Helmers Beheer Hoogezand) heeft de Ondernemingskamer een comparitie van partijen gelast en haar voorzitter tot raadsheer-commissaris benoemd.
Van Mierlo & Bart 2002, p. 123.
F. Hammerstein in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, artikel 15 Rv, aant. 4; A.I.M. van Mierlo in:T&C Burgerlijke Rechtsvordering, artikel 15 Rv, aant. 4b; artikel 16, aant. 4.
A.I.M. van Mierlo in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, eerste titel, tweede afdeling, inleidende opmerkingen, aant. 2.
Snijders, Klaassen & Meijer 2011, nr. 89.
Leidraad deskundigen in civiele zaken, nr. 7.
Vgl. HR 22 januari 2010, NJ 2011/269, m.nt. H.J. Snijders (L./B.), r.o. 3.4.3.
Vgl. HR 6 maart 2013, NJ 2013/528, m.nt. E.A. Alkema (W./Y.), r.o. 3.3 en 3.4.
Josephus Jitta 2016, p. 470-471.
Haantjes & Olden 2013, p. 171 (Handelingen II 2011/12, 71, p. 48).
In artikel 198 lid 2 Rv staat niet ‘toezicht houden op’ maar “leiding geven aan” het onderzoek. Mijns inziens geeft de formulering ‘toezicht houden op’ beter weer wat de taak van de raadsheer- commissaris is. Zie over dit onderscheid § 9.4.1.
Dat de minister meent dat het bepaalde in artikel 198 lid 2 Rv van belang is voor de onderzoeksfase kan afgeleid worden uit het feit dat hij naar deze bepaling in de memorie van toelichting verwijst. Zie Haantjes & Olden 2013, p. 41 (Kamerstukken II 2010/11, 32887, 3, p. 25). Zie hierover verder § 1.6.
Artikel 16 lid 5 Rv bepaalt dat de meervoudige kamer kan bepalen dat de behandeling geheel of gedeeltelijk zal geschieden door een zoveel als mogelijk uit haar midden aangewezen rechter-commissaris.1 De raadsheer-commissaris oefent daarbij de bevoegdheden uit, aan het gerechtshof toegekend. De Ondernemingskamer is een meervoudige kamer van het Gerechtshof Amsterdam, die bestaat uit drie rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast en twee personen, niet zijnde rechterlijk ambtenaar, als deskundige leden (artikel 66 leden 1 en 2 Wet RO). Dit betekent dat ook de Ondernemingskamer een raadsheer-commissaris kan aanwijzen die bij de behandeling van de zaak de bevoegdheden uitoefent van de Ondernemingskamer. De Ondernemingskamer heeft bij mijn weten vóór de inwerkingtreding van de Wet aanpassing enquêterecht één keer van deze bevoegdheid gebruikgemaakt.2
Wat zijn nu de bevoegdheden van een op de voet van artikel 16 lid 5 Rv benoemde raadsheer-commissaris? Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het woord “daarbij” in artikel 15 lid 4 en 16 lid 5 Rv is opgenomen om aan te geven dat de rechter- of raadsheer-commissaris, behoudens indien de wet anders bepaalt, zaken alleen kan behandelen, maar niet beslissen.3 Wat het verschil is tussen behandelen en beslissen wordt in de wetsgeschiedenis niet toegelicht. In de literatuur wordt opgemerkt dat de rechter-commissaris wel kan beslissen op incidenten.4 Daarmee doelen de auteurs kennelijk niet op een beslissing op incidentele vorderingen als bedoeld in afdeling 1.2.10 Rv, maar op incidenten die zich tijdens de behandeling door de rechter-commissaris kunnen voordoen, zoals de beslissing op een beroep van een getuige op een verschoningsrecht. Van Mierlo schrijft dat de beslissing aan de orde komt wanneer de rechter-commissaris uitspraak doet in de vorm van een vonnis of een beschikking. Dit kan een tussen-, eind- dan wel deeluitspraak zijn.5 Snijders c.s. karakteriseren de rechter-commissaris als een rechter met een speciale commissie (opdracht), maar gaan niet in op de bevoegdheden die uit die commissie voortvloeien.6 Verder heb ik geen literatuur over het verschil tussen ‘behandelen’ en ‘beslissen’ kunnen vinden.
Mijn visie op dit onderscheid is de volgende. Ik merk in de eerste plaats op dat als de beslissing die de rechter moet nemen ook kan worden genomen door een enkelvoudige kamer, het onderscheid tussen ‘behandelen’ en ‘beslissen’ slechts academische betekenis heeft. De rechter-commissaris kan in dat geval als enkelvoudige kamer beslissen. Dit verklaart wellicht waarom dit onderscheid in de literatuur nauwelijks aandacht krijgt, omdat veruit de meeste zaken tegenwoordig enkelvoudig worden beslist.
De taken van de raadsheer-commissaris bij het deskundigenonderzoek op grond van artikel 16 lid 5 jo. artikel 198 lid 2 Rv zijn mijns inziens de volgende. In de eerste plaats is de raadsheer-commissaris het aanspreekpunt voor de deskundige. Hij zal, naar ik aanneem, de contactpersoon zijn als bedoeld in de Leidraad deskundigen in civiele zaken.7 Hij is beschikbaar om vragen van de deskundige te beantwoorden en bevordert de voortgang van het onderzoek. De raadsheer-commissaris kan ook optreden als zich problemen voordoen bij de uitvoering van het onderzoek en hij kan ordemaatregelen nemen, zoals het geven van een bevel tot medewerking. De raadsheer-commissaris kan in overleg met de deskundige bepalen dat deze een plan van aanpak moet opstellen. Hij kan de vaststelling daarvan aan de deskundige overlaten of bepalen dat het door de deskundige op te stellen conceptplan, gehoord partijen, door hem moet worden vastgesteld of goedgekeurd. Daarnaast heeft hij de bevoegdheid op elk gewenst moment een comparitie van partijen te gelasten, bijvoorbeeld in de vorm van een regiezitting.
Ik meen dat de raadsheer-commissaris ook het onderzoeksbudget kan verhogen. Artikel 195 Rv bepaalt dat de rechter de deskundigen kan vragen hun kosten te begroten en partijen kan bevelen een voorschot of nader voorschot ter griffie te deponeren. Omdat het vaststellen van het bedrag van het voorschot een maatregel is ter instructie van het onderzoek, kan het gerecht dit naar mijn mening aan de raadsheer-commissaris delegeren.8 Deze beslissing staat los van de beschikking ten gronde. Om dezelfde reden meen ik dat de raadsheer-commissaris op grond van artikel 194 lid 4 en lid 5 Rv een deskundige mag vervangen of een extra deskundige mag benoemen.
De vraag of de raadsheer-commissaris de onderzoeksopdracht mag verduidelijken of zelfs wijzigen, is moeilijker te beantwoorden. Verduidelijken van de onderzoeksopdracht lijkt mij geen enkel probleem. Dit voorkomt dat de deskundige overbodig of onvolledig onderzoek verricht, en bevordert daardoor een doelmatige en voortvarende rechtspleging in de aanhangige zaak.9 Over de bevoegdheid van de raadsheer-commissaris om de onderzoeksopdracht te wijzigen, kan men aarzelen. Allereerst is het de vraag of de rechter zelf die bevoegdheid heeft. In de in § 9.2.1 besproken tuchtzaak heeft de Hoge Raad het antwoord op die vraag in het midden gelaten. Ik meen dat de rechter deze bevoegdheid zou moeten hebben. Voor een wijziging van de onderzoeksopdracht kunnen immers goede redenen zijn, zoals de omstandigheid dat het onderzoeksbudget slechts een beperkt onderzoek toelaat en er geen geld is voor verhoging daarvan, of de omstandigheid dat een onderzoeksvraag zijn belang door gewijzigde omstandigheden heeft verloren. Meer aarzeling heb ik over het antwoord op de vraag of ook de raadsheer-commissaris deze bevoegdheid zou moeten hebben, of dat de bevoegdheid op grond van de strekking van de wet aan het gerecht is voorbehouden. Een en ander afwegende, meen ik dat de raadsheer-commissaris de bevoegdheid zou mogen hebben. In de civiele procedure is de rechter bij eindvonnis niet gebonden aan het deskundigenbericht. Hij kan dit buiten beschouwing laten en op gronden die losstaan van het deskundigenbericht de zaak beslissen. Dat zo zijnde, strekt de beslissing waarbij de rechter een onderzoeksopdracht formuleert, ter instructie van de procedure. Daarnaast pleiten dezelfde praktische redenen die meebrengen dat de raadsheer-commissaris zijn onderzoeksopdracht moet kunnen verduidelijken, er ook voor dat hij deze moet kunnen wijzigen. De in § 9.2.4 geschetste praktijk van de raadsheer-commissaris in familiezaken bij het Gerechtshof Den Haag lijkt mij dus niet in strijd met de wet.
Heeft de door de Ondernemingskamer op grond van artikel 2:350 lid 4 BW benoemde raadsheer-commissaris nu ook de bevoegdheden die hij zou hebben als hij op grond van artikel 16 lid 5 Rv zou zijn aangewezen? Anders dan Josephus Jitta vind ik de wetsgeschiedenis niet duidelijk.10 Het Kamerlid Van der Steur heeft tijdens de mondelinge behandeling de vraag opgeworpen (en zelf ontkennend beantwoord) of de raadsheer-commissaris via artikel 16 lid 5 Rv de rol van de Ondernemingskamer zou kunnen overnemen en daarmee een veel verdergaande positie zou kunnen krijgen. De minister was het met Van der Steur eens dat de raadsheer-commissaris niet in zijn eentje een enquêteprocedure moet gaan behandelen. Dat blijft de Ondernemingskamer doen. In dat kader beantwoordde de minister de vraag of artikel 2:350 lid 4 BW een lex specialis is ten opzichte van artikel 16 lid 5 Rv bevestigend.11 Uit dit antwoord blijkt dat de minister net zomin als zijn opvolger toen die nog Kamerlid was, op het netvlies had wat de bevoegdheden zijn van een op grond van artikel 16 lid 5 Rv benoemde raadsheer-commissaris. De op grond van artikel 16 lid 5 Rv benoemde raadsheer-commissaris kan, zoals ik hiervoor uiteen heb gezet, juist niet de gehele procedure van de rechter die hem als raadsheer-commissaris heeft aangewezen, overnemen. Een op grond van artikel 16 lid 5 Rv door de Ondernemingskamer benoemde raadsheer-commissaris kan dus niet in zijn eentje de enquêteprocedure gaan behandelen, en kon dat evenmin vóór de inwerkingtreding van de Wet aanpassing enquêterecht. Om die reden komt aan het tijdens de mondelinge behandeling van het wetsvoorstel voorzichtig geformuleerde antwoord van de minister dat artikel 2:350lid 4 BW een lex specialis is ten opzichte van artikel 16 lid 5 Rv, mijns inziens niet veel waarde toe. Ik zou het juist vreemd vinden indien de op grond van artikel 2:350 lid 4 BW benoemde raadsheer-commissaris minder bevoegdheden zou hebben dan een raadsheer-commissaris die door een gerechtshof wordt benoemd om, conform het bepaalde in artikel 198 lid 2 Rv, toezicht te houden op het deskundigenonderzoek in de civiele procedure.12 De minister heeft ook niet aangegeven dat artikel 2:350 lid 4 BW een lex specialis is ten opzichte van artikel 198 lid 2 Rv.13 Het lijkt mij meer voor de hand liggen dat het doel van het bepaalde in artikel 2:350 lid 4 BW is, zeker te stellen dat de Ondernemingskamer altijd een raadsheer-commissaris benoemt die toezicht op het onderzoek houdt, terwijl artikel 198 lid 2 Rv dat overlaat aan de discretie van de rechter die het deskundigenbericht gelast.