Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/6.3.3
6.3.3 Inhoudelijke toetsing van een rechtersregeling
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS575948:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 4.4.4.3.
Hetzelfde geldt overigens in appèl, indien en voorzover daar de beslissing van de lagere rechter aan diens rechtersregeling getoetst dient te worden. Zie over de vraag wanneer dit het geval is uitgebreider § 6.2.3.3, sub b.
Zie § 4.4.2.4.
Zie art. 419 lid 1 Rv. Zoals hierna nog zal blijken, behoeft overigens niet met zoveel woorden te worden aangevoerd dat een rechtersregeling strijdig is met een bepaalde (hogere) rechtsregel; het zal veelal ook mogelijk zijn, rechtstreeks erover te klagen dat de beslissing van de lagere rechter waarbij deze een rechtersregeling heeft toegepast, met deze hogere rechtsregel in strijd is.
Zie over het onderscheid tussen beide vormen van rechterlijke beslissingsruimte met name § 4.4.2.3.
HR 16 november 2001, NJ 2002, 401 m.nt. HJS.
HR 7 september 2001, NJ 2001, 562 m.nt. PvS.
HR 26 februari 1999, NJ 1999, 717 m.nt. HJS.
Zie over deze rechtersregeling § 2.3.
Een soortgelijk voorbeeld vormt HR 3 oktober 2003 (Ontvanger/Heemhorst), RvdW 2003, 155 waarin de Hoge Raad besliste dat ook een belastingaanslag kan gelden als 'eis in de hoofdzaak'. Ook deze opvatting was reeds in de zojuist bedoelde rechtersregeling van de rechtbankpresidenten neergelegd.
Met de inwerkingtreding van de Wet verbetering poortwachter (Wet van 29 november 2001, Stb. 2001, 628) op 1 april 2002 is deze verplichting van de werkgever komen te vervaUen.
Deze maakt deel uit van de Aanbevelingen van de Kring van Kantonrechters voor art. 7:685 BW-procedures (waarover § 2.7) en is gepubliceerd in SMA 1999, p. 530-532.
HR 29 september 2000 (Kuijper/ING), NJ 2001, 302 m.nt. PAS.
HR 22 juni 2001 (K./Van der Velden), NJ 2001, 475 m.nt. PAS.
HR 11 juli 2003, NJ 2003, 567, JBPr 2003, 58 m.nt. K. Teuben.
Zie over de mogehjkheden tot afwijking van een rechtersregeling § 6.2.2.
De controle in cassatie op de toepassing van een rechtersregeling (waarover nader § 6.3.4 en § 6.3.5) vooronderstelt dat deze regeling zélf in overeenstemming, althans niet in strijd is met het geldende recht, zoals dat onder meer te vinden is in wetgeving en jurisprudentie. Een rechtersregeling dient naar haar aard immers steeds te blijven binnen de grenzen van de aan de rechter toekomende beleidsruimte, welke grenzen worden aangegeven door de geldende wettelijke, jurisprudentiële en overige rechtsregels.1 Dit brengt met zich dat in cassatie2 steeds getoetst zal kunnen worden of een rechtersregeling deze grenzen niet overschrijdt. Terzijde zij hierbij overigens herhaald dat de cassatierechter bij deze gelegenheid ook het geldende recht kan wijzigen (bijvoorbeeld door een nieuwe uitleg van een bepaalde regel te aanvaarden), als gevolg waarvan de grenzen van de aan de (lagere) rechter toekomende beleidsruimte alsnog anders kunnen komen te liggen.3
Een rechtersregeling kan dus, wanneer tenminste een partij dit punt in haar cassatiemiddelen aan de orde stelt,4 door de cassatierechter steeds inhoudelijk op haar juistheid getoetst worden. Valt deze toets negatief uit, dan zal een toetsing van de bestreden uitspraak aan de desbetreffende rechtersregeling daarna vanzelfsprekend niet meer aan de orde komen. De intensiteit van de hier bedoelde inhoudelijke toetsing verschilt overigens, afhankelijk van de vraag of de regeling betrekking heeft op beleidsruimte, dan wel op interpretatieruimte van de rechter.5 Wanneer een rechtersregeling dient ter invulling van een bepaalde vorm van beleidsruimte zal, zo bleek in § 4.4.2.5, de Hoge Raad de inhoud daarvan slechts in beperkte mate toetsen en slechts nagaan of de grenzen van de aan de lagere rechter toekomende beleidsruimte niet zijn overschreden. Binnen deze grenzen zal de Hoge Raad de door de lagere rechter gekozen invulling, zoals neergelegd in de betrokken rechtersregeling, respecteren (gebeurt dit niet, dan is in feite geen sprake (meer) van enige beleidsruimte voor de lagere rechter). Een rechtersregeling die betrelcking heeft op een vraag van interpretatie kan daarentegen volledig worden getoetst door de Hoge Raad, waarbij de Hoge Raad zo nodig zijn eigen rechtsopvatting voor die van de lagere rechter in de plaats kan stellen. Bij dit laatste moet overigens bedacht worden dat een wetsinterpreterende rechtersregeling, zoals is betoogd in § 4.5.5, in beginsel niet tot een voorafgaande binding op grond van algemene rechtsbeginselen zal kunnen leiden, terwijl het evenmin zinvol is een dergelijke regeling als recht in de zin van art. 79 RO aan te merken. Zoals hieronder nog zal blijken, staat dit echter niet per definitie in de weg aan een inhoudelijk oordeel van de cassatierechter over een wetsinterpreterende rechtersregeling.
De in het voorgaande bedoelde inhoudelijke toetsing van rechtersregelingen kan op verschillende manieren plaatsvinden. In de eerste plaats kan het voorkomen dat de Hoge Raad (min of meer) met zoveel woorden overweegt, dat een rechtersregeling in strijd is met bepaalde, geschreven of ongeschreven, rechtsregels. Een dergelijk geval deed zich voor in het, in § 4.4.2.2 reeds besproken, arrest Ajax/Valk.6 In deze zaak ging het in cassatie om een bepaling uit het rolreglement van het Hof Den Haag, waarin de eis werd gesteld dat bij inschrijving van een nieuwe zaak de originele appèldagvaarding en, zo nodig, een origineel herstelexploot dienden te worden overgelegd. Hoewel deze (niet met zoveel woorden in de wet opgenomen) eis volgens de Hoge Raad in beginsel strookt met de 'eisen van een behoorlijke rechtspleging', brengen deze eisen van een behoorlijke rechtspleging tevens mee dat gelegenheid wordt geboden verzuimen op dit punt met bekwame spoed, dat wil zeggen: binnen veertien dagen, te herstellen. Aangezien de desbetreffende bepaling van het rolreglement niet in een zodanige herstelmogelijkheid voorzag, was deze in zoverre in strijd met de eisen van een behoorlijke rechtspleging.
De spiegelbeeldige situatie - de Hoge Raad oordeelt dat een rechtersregeling niet in strijd is, dan wel in overeenstemming is, met het recht - is uiteraard evenzeer denkbaar. Zo overwoog de Hoge Raad in het hierboven aangehaalde arrest Ajax/Valk bovendien dat art. 3 lid 2 van het landelijk rolreglement voor de rechtbanken, in overeenstemming met hetgeen de eisen van een behoorlijke rechtspleging in dit verband meebrengen, de mogelijkheid biedt het verzuim bij inschrijving van de zaak bepaalde stukken over te leggen, binnen twee weken na de roldatum te herstellen. Een ander voorbeeld is te vinden in de beschikking Y. en R./Spliet q.q.,7 die in § 4.4.2.5 reeds werd besproken. De Hoge Raad oordeelde hierin, dat een in het arrondissement Zutphen ontwikkeld beleid met betrekking tot het verlenen van toesteinming door de rechtercommissaris voor onderhandse verkoop van een tot de failliete boedel behorend goed, niet in strijd is met het stelsel van de Faillissementswet, noch met art. 176 van deze wet.
Een met het voorgaande min of meer verwante situatie doet zich voor, wanneer de Hoge Raad in een uitspraak een rechtsregel formuleert die inhoudelijk overeenkomt (of juist niet) met een bepaalde rechtersregeling. Een treffend voorbeeld hiervan vormt het arrest Ajax/Reule.8 In deze zaak was onder meer de vraag aan de orde of - kort gezegd - een vordering in kort geding kan gelden als 'eis in de hoofdzaak' als bedoeld in art. 700 lid 3 Rv. In het overleg van rechtbankpresidenten was voordien reeds 'besloten' dat deze bepaling inderdaad aldus moest worden uitgelegd.9 Hoewel de Hoge Raad deze rechtersregeling niet met zoveel woorden noemt, overweegt hij:
"Deze strekking [van het conservatoir beslag - KT] levert een toereikende rechtvaardiging op voor de door de wetstekst niet uitgesloten en inmiddels in de rechtspraak van kort geding rechters in eerste aanleg gangbaar geworden opvatting dat ook een vordering in kort geding, strekkende tot een voor tenuitvoerlegging vatbare veroordeling tot voldoening aan de vordering waarvoor conservatoir beslag is gelegd, kan gelden als eis in de hoofdzaak in de zin van art. 700 lid 3."
Hieruit kan niet anders worden geconcludeerd dan dat de Hoge Raad bovengenoemde rechtersregeling van de rechtbankpresidenten inhoudelijk juist acht.10
Ook hier kan een voorbeeld van de omgekeerde situatie worden genoemd. Art. 7:685 lid 1, laatste zin bw bepaalde tot 1 april 2002,11 kort samengevat, dat de werkgever die een verzoek indiende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een zieke werknemer, bij dit verzoek op straffe van niet-ontvan-kelijkheid een door het Landelijk instituut sociale verzekeringen getoetst 'reïntegratieplan' diende te voegen. Gezien de uiteenlopende opvattingen in de rechtspraak ten aanzien van de toepassing van deze bepaling, stelde de Kring van Kantonrechters een 'aanbeveling'12 vast die, kort gezegd, inhield dat een reïntegratieplan altijd vereist is, maar dat herstel van een verzuim op dit punt in bepaalde gevallen mogelijk is. In een tweetal beschikkingen oordeelde de Hoge Raad hierover evenwel anders: een redelijke wetsuitleg brengt volgens de Hoge Raad mee, dat niet-ontvankelijkheid wegens het ontbreken van een reïntegratieplan achterwege dient te blijven in gevallen waarin de werknemer stelselmatig nalaat de werkgever in staat te stellen te controleren of hij ziek is,13 alsmede in gevallen waarin reïntegratie van de werknemer naar het oordeel van de rechter niet aan de orde kan komen, bijvoorbeeld omdat de verhouding tussen werkgever en werknemer onherstelbaar is verstoord of omdat sprake is van bedrijfsbeëindiging.14 Hoewel de Hoge Raad zich niet expliciet uitsprak over genoemde aanbeveling van de Kring van Kantonrechters, is duidelijk dat deze, als gevolg van de hier besproken jurisprudentie, niet langer als (volledig) rechtens juist kon worden beschouwd.
Een andere mogelijkheid in dit verband is dat de cassatierechter geen (expliciet, dan wel impliciet) oordeel geeft over de vraag of een rechtersregeling in strijd is met het geldende recht, maar de regeling aldus interpreteert dat van strijdigheid geen sprake is. Van een dergelijke 'wetsconforme interpretatie' van een rechtersregeling zou bijvoorbeeld sprake zijn wanneer de Hoge Raad in het arrest Van den Kieboom/Lensvelt15 niet had overwogen dat het bepaalde in art. 2.12 LRr 'niet kan afdoen aan het op de wet gebaseerde recht op pleidooi', maar (bijvoorbeeld) dat art. 2.12 LRr, in het licht van het in de wet neergelegde fundamentele recht op pleidooi, aldus moet worden verstaan dat deze bepaling ook van toepassing is als meer dan de in de wet genoemde conclusies zijn gewisseld, zodat partijen alsdan eveneens een termijn van twee weken voor beraad moet worden gegund.
De inhoudelijke toetsing van een rechtersregeling kan ook op een meer impliciete wijze gestalte krijgen. Soms zal namelijk uit het oordeel van de Hoge Raad over een beslissing van de lagere rechter kunnen worden afgeleid, hoe de Hoge Raad denkt over een rechtersregeling die aan die beslissing (mogelijkerwijs) ten grondslag heeft gelegen. Van een expliciete 'toetsing' is hier overigens geen sprake; veeleer gaat het om een impliciet gegeven oordeel over een rechtersregeling, althans om een oordeel dat inhoudelijke gevolgen heeft voor een rechtersregeling. Verschillende situaties zijn in dit verband denkbaar.
Wanneer de feitenrechter een rechtersregeling toepast en de Hoge Raad vervolgens oordeelt dat deze beslissing blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, zal daaruit met een grote mate van waarschijnlijkheid kunnen worden afgeleid dat de desbetreffende rechtersregeling zélf inhoudelijk onjuist is. Deze conclusie valt echter niet met zekerheid te trekken: de mogelijkheid bestaat immers dat de rechtersregeling voor dit specifieke geval niet juist is, anders gezegd: dat de rechter in casu van de regeling had moeten afwijken.16 Omgekeerd zal het oordeel van de Hoge Raad dat een beslissing conform een rechtersregeling niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, doorgaans impliceren dat die regeling zelf óók niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.
Tot slot is het mogelijk dat de feitenrechter een voor hem geldende rechtersregeling niet toepast, waarna de Hoge Raad tot het oordeel komt dat een en ander blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Hiermee staat echter nog niet vast dat de desbetreffende rechtersregeling wél de juiste rechtsopvatting weergeeft, zodat uit een beslissing in deze zin geen harde conclusies getrokken kunnen worden.
Uit het voorgaande laat zich ter afsluiting afleiden, dat voor een inhoudelijke toetsing van (en meer in het algemeen: een inhoudelijk oordeel over) een rechtersregeling niet strikt noodzakelijk is, dat partijen met zoveel woorden in hun cassatiemiddelen aanvoeren dat deze regeling in strijd is met het recht. Wanneer de lagere rechter zijn beslissing baseert op een rechtersregeling die strijdig is met een bepaalde (hogere) rechtsregel, zal deze beslissing als gevolg daarvan immers eveneens rechtens onjuist zijn. De betrokken partij zal in dat geval ook rechtstreeks erover kunnen klagen dat de lagere rechter met zijn beslissing het recht geschonden heeft. Dit impliceert bovendien, dat de in deze paragraaf besproken mogelijkheid van een inhoudelijke toetsing óók bestaat ten aanzien van rechtersregelingen die niet tot het recht in de zin van art. 79 RO behoren. De rechtsregels waarmee een zodanige rechtersregeling en de daarop gebaseerde beslissing (beweerdelijk) in strijd zijn, vallen immers zelf wél binnen het kader van art. 79 RO, zodat over schending daarvan in cassatie zonder meer kan worden geklaagd.