Retentierecht en uitwinning
Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/3.3.1:3.3.1 Inleiding
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/3.3.1
3.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS591077:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
55. Een schuldeiser heeft de bevoegdheid tot uitoefening van een wettelijk retentierecht als aan de vereisten van art. 6:52 BW in samenhang met art. 3:290 BW is voldaan. Daaruit volgen drie cumulatieve vereisten voor het kunnen inroepen van een retentierecht. Ten eerste moet de schuldeiser de op rechtmatige wijze verkregen feitelijke macht over een zaak uitoefenen. Dat behandel ik in paragraaf 3.3.3. Ten tweede moet de schuldeiser een opeisbare vordering hebben; daarover gaat paragraaf 3.3.4. Ten derde, in paragraaf 3.3.5, komt het vereiste van voldoende samenhang tussen de vordering en de verplichting tot afgifte van de zaak aan bod. Voordat ik aan de vereisten voor het retentierecht toekom, ga ik in paragraaf 3.3.2 in op de vraag of de verplichting tot afgifte, de eigen prestatie van de retentor (die hij opschort), ook opeisbaar moet zijn.