AG VS: zie voor deze overwegingen van het hof randnummer 2.2.
HR, 20-01-2026, nr. 24/03030
ECLI:NL:HR:2026:75
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
20-01-2026
- Zaaknummer
24/03030
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:75, Uitspraak, Hoge Raad, 20‑01‑2026; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1225
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2024:2495
ECLI:NL:PHR:2025:1225, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑11‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:75
Beroepschrift, Hoge Raad, 25‑09‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 25‑09‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 19‑06‑2025
- Vindplaatsen
NJ 2026/107 met annotatie van W.H. Vellinga
Uitspraak 20‑01‑2026
Inhoudsindicatie
Brandstichting aan partytent in tuin van buren waardoor woning van buren en woning van verdachte zijn verbrand, art. 157.1 en 157.2 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Redelijke termijn in cassatie. Verkorte termijn of reguliere termijn toepassen m.b.t. inzendtermijn en uitspraaktermijn, nu hof in zijn arrest de gevangenneming van verdachte heeft bevolen? 2. Schriftuur benadeelde partij. Aanvangsdatum van wettelijke rente over toegewezen bedrag voor aanschaf van nieuwe kleding. Belang bij cassatie? Ad 1. Onder overschrijding van redelijke termijn is mede begrepen overschrijding van termijn voor het inzenden van stukken naar HR nadat cassatieberoep is ingesteld. Die inzendtermijn is gesteld op 8 maanden. Inzendtermijn wordt op 6 maanden gesteld in (onder meer) zaken waarin verdachte i.v.m. zaak in voorlopige hechtenis verkeert (vgl. HR:2008:BD2578). Voor vraag of verdachte in voorlopige hechtenis verkeert, is beslissend datum waarop cassatieberoep is ingesteld. Verdachte bevond zich t.t.v. het instellen van cassatieberoep niet in voorlopige hechtenis. Op dag van inzending van stukken waren nog geen 8 maanden verstreken sinds het instellen van cassatieberoep. Wat betreft duur van cassatieprocedure is van belang datum waarop aanzegging door HR a.b.i. art. 435 Sv aan verdachte is betekend. Op die datum bevond verdachte zich o.g.v. de door hof bevolen gevangenneming wel in voorlopige hechtenis. HR doet uitspraak nadat meer dan 16 maanden zijn verstreken na het instellen van cassatieberoep. Dat brengt mee dat redelijke termijn a.b.i. art. 6.1 EVRM is overschreden. HR merkt op dat, vanwege uiteenlopende aard van betreffende procedures, voor beoordeling van redelijke termijn in feitelijke instantie enigszins andere uitgangspunten gelden dan voor beoordeling van redelijke termijn in cassatieprocedure. Uitgangspunten die van belang zijn m.b.t. procedure in feitelijke instantie, zijn uiteengezet in HR:2025:1775. HR vermindert opgelegde gevangenisstraf van 54 maanden met 1 maand. CAG gaat zowel t.a.v. inzendtermijn als t.a.v. uitspraaktermijn uit van verkorte termijnen. Ad 2. HR: art. 81.1 RO.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/03030
Datum 20 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 2 augustus 2024, nummer 20-001886-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
Namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2], vertegenwoordigd door [betrokkene 1], heeft de advocaat R. van den Berg bij schrifturen cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De advocaat van de benadeelde partijen heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel van de verdachte en ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
2.2
Onder overschrijding van de redelijke termijn is mede begrepen de overschrijding van de termijn voor het inzenden van de stukken naar de Hoge Raad nadat cassatieberoep is ingesteld. Die inzendtermijn is gesteld op acht maanden. De inzendtermijn wordt op zes maanden gesteld in (onder meer) zaken waarin de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert. (Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rechtsoverweging 3.3.) Voor de vraag of de verdachte in voorlopige hechtenis verkeert, is beslissend de datum waarop het cassatieberoep is ingesteld.
2.3
De verdachte bevond zich ten tijde van het instellen van het cassatieberoep niet in voorlopige hechtenis. Omdat op de dag van inzending van de stukken nog geen acht maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, is het cassatiemiddel tevergeefs voorgesteld.
2.4
Wat betreft de duur van de cassatieprocedure is van belang de datum waarop de aanzegging door de Hoge Raad als bedoeld in artikel 435 van het Wetboek van Strafvordering aan de verdachte is betekend. Op die datum bevond de verdachte zich op grond van de door het hof bevolen gevangenneming wel in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 54 maanden.
2.5
Opmerking verdient dat, vanwege de uiteenlopende aard van de betreffende procedures, voor de beoordeling van de redelijke termijn in feitelijke instantie enigszins andere uitgangspunten gelden dan voor de beoordeling van de redelijke termijn in de cassatieprocedure. De uitgangspunten die van belang zijn met betrekking tot de procedure in feitelijke instantie, zijn uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 25 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1775.
3. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen die namens de verdachte en van de cassatiemiddelen die namens de benadeelde partijen zijn voorgesteld
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 53 maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 januari 2026.
Conclusie 11‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Brandstichting (art. 157 Sr). Het eerste middel, dat inhoudt dat het hof aan een geconstateerd vormverzuim ten onrechte niet het rechtsgevolg van strafvermindering heeft verbonden, faalt en kan worden afgedaan met art. 81 RO. Het tweede middel houdt in dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat zijn ingezonden door het hof. Het ligt voor de hand om bij een verdachte ten aanzien van wie ten tijde van het instellen van cassatie de voorlopige hechtenis is bevolen, die nog niet gedetineerd is op het moment dat cassatie wordt ingesteld, maar vervolgens het overgrote deel van de inzendingstermijn in detentie doorbrengt, de kortere inzendingstermijn van zes maanden toe te passen. In onderhavige zaak heeft de verdachte zo’n 6,5 maand van de ongeveer 7,5 maand tussen het instellen van het cassatieberoep en de ontvangst van de stukken bij de Hoge Raad in detentie doorgebracht. De inzendingstermijn van zes maanden is daarmee overschreden, zodat het middel slaagt. De namens twee benadeelde partijen voorgestelde cassatiemiddelen falen en kunnen worden afgedaan met art. 81 RO. De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/03030
Zitting 11 november 2025
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in ' [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
1.1
De verdachte is bij arrest van 2 augustus 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “de eendaadse samenloop van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, en opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden, met aftrek overeenkomstig art. 27 Sr. Het hof heeft daarnaast beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen en de gevangenneming van de verdachte bevolen.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beide advocaat in Rotterdam, hebben namens de verdachte twee middelen van cassatie voorgesteld. Namens de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft mr. R. van den Berg, advocaat in Haarlem, twee middelen van cassatie voorgesteld. Mr. van den Berg heeft eveneens een middel van cassatie voorgesteld namens [betrokkene 1] , wettelijk vertegenwoordiger van de benadeelde partij [benadeelde 2] .
1.3
Het eerste middel dat namens de verdachte is voorgesteld, houdt in dat het hof aan een geconstateerd vormverzuim ten onrechte niet het rechtsgevolg van strafvermindering heeft verbonden. Het tweede namens de verdachte voorgestelde middel bevat de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
1.4
Het eerste middel dat namens de benadeelde partij [benadeelde 1] is voorgesteld klaagt dat het hof het verzoek tot vergoeding van de geleden inboedelschade op onbegrijpelijke gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het tweede middel houdt in dat het hof de aanvang van de wettelijke rente ten aanzien van een toegewezen materiële schadepost (de aanschaf van nieuwe kleding) op een onjuiste datum heeft bepaald.
1.5
Het middel dat namens [betrokkene 1] , wettelijk vertegenwoordiger van de benadeelde partij [benadeelde 2] , is voorgesteld, houdt in dat het hof ten onrechte niet heeft gecontroleerd of de benadeelde partij [benadeelde 2] in eerste aanleg op de juiste wijze van de behandeling van de strafzaak op de hoogte is gesteld. Het middel bevat verder de klacht dat het hof het verzoek om aan de verdachte ambtshalve de schadevergoedingsmaatregel op te leggen onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen door (enkel) te oordelen daartoe geen aanleiding te zien.
2. De bewezenverklaring en bewijsoverweging van het hof
2.1
Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“hij op 23 april 2021 te [plaats] opzettelijk brand heeft gesticht aan een woning (gelegen aan de [a-straat 1] ) door opzettelijk benzine over/tegen een partytent (die in de achtertuin parallel aan de achtergevel van voornoemde woning bij de erfafscheiding stond) te spuiten en/of uit te gieten en/of te sprenkelen en (vervolgens) voornoemde partytent en/of voornoemde vluchtige ontbrandbare vloeistof in aanraking te brengen met (open) vuur, ten gevolge waarvan die partytent en voornoemde woning geheel of gedeeltelijk zijn verbrand,
en daarvan gemeen gevaar voor voornoemde woning en zich daarin bevindende goederen en voor belendende woning en zich in die belendende woning bevindende goederen te duchten was en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor zich in die woning aanwezige personen en voor de in belendende woning aanwezige personen te duchten was.”
2.2
Het hof heeft de bewezenverklaring als volgt gemotiveerd (zonder overneming van voetnoten):
“Op grond van het dossier stelt het hof vast dat er op 23 april 2021 in de woningen aan de [a-straat 1] (woning van familie [naam 1] ) en [a-straat 2] (woning van de verdachte en zijn gezin) brand heeft gewoed. De woningen zijn hierdoor ernstig beschadigd. Over hetgeen zich kort voorafgaand aan die brand heeft afgespeeld en wat er uit onderzoek daarna is gebleken, stelt het hof het volgende vast.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen (camerabeelden) volgt dat de verdachte op 23 april 2021 om omstreeks 21:22:39 uur vanuit een op zijn achterplaats staand houten scheidingswandje met poort, een trap in zijn handen dragend richting de grensafscheiding (schutting) met de buren van [a-straat 1] is gelopen, dat hij de trampoline die nabij de schutting staat, een stukje opzij heeft geschoven en dat hij vervolgens de trap naast de schutting, tussen schutting en trampoline heeft neergezet. De verdachte is hierop om 21:22:49 uur op de trap gaan staan, heeft over de schutting gekeken en is vervolgens met zijn rechterhand over de schutting gegaan. Om 21:22:55 uur is de verdachte weer van de trap afgegaan. Hij heeft de trap laten staan en is toen richting de houten poort gelopen, heeft deze geopend en is erdoor gelopen. Om 21:23:31 uur is op de camerabeelden te zien dat de verdachte met een voorwerp, te weten een jerrycan, in zijn hand door de poort kwam. Aan de wijze waarop hij met de jerrycan loopt, lijkt het erop dat de jerrycan leeg is en de verdachte heeft dit ook zelf verklaard. Om 21:24:24 uur is te zien dat de verdachte door de voordeur naar buiten loopt met de jerrycan in zijn rechterhand. De verdachte rijdt vervolgens om 21:24:48 uur weg in zijn voertuig. Om 21:27:36 uur komt het voertuig weer in beeld en parkeert voor zijn woning. Vervolgens is om 21:27:56 uur op de beelden te zien dat de verdachte richting de voordeur loopt. Hij heeft daarbij de jerrycan in zijn hand. De camerabeelden van de [a-straat 2] zijn om 21:29:54 uur gestopt. Uit de camerabeelden van [a-straat 1] volgt dat de verdachte om 21:30:26 uur op zijn achterterrein weer in beeld komt. Hij loopt dan richting de houten poort en heeft een jerrycan in zijn handen. De verdachte opent de poort en verdwijnt uit beeld. De verdachte komt vervolgens weer in beeld zonder jerrycan en loopt richting de woning. Het hof heeft op voornoemde camerabeelden waargenomen dat om 21:42:50 uur en om 21:42:58 uur een flikkering is te zien op de paal van de trampoline die op de achterplaats van [a-straat 2] staat. Om 21:43:04 uur is er licht te zien aan de binnenkant van de tent. Dit licht wordt snel groter en om 21:43:24 uur is er rookvorming te zien boven de partytent. Kort daarna is er rookontwikkeling en komen er (nabij de nok van de tent) diverse vonken boven de tent uit. Om 21:50:51 uur zijn de vlammen duidelijk zichtbaar.
Tijdens het onderzoek naar de oorzaak van de brand is een grondmonster (SIN AALX4953NL) genomen onder de beklinkering van de achterplaats van [a-straat 1] aan de rand met [a-straat 2] , op de plek waar de speurhond is aangeslagen. Blijkens als bijlage bij proces-verbaal van 26 januari 2022 gevoegde schematische tekening bevindt de locatie van het nemen van het grondmonster zich ter hoogte van de locatie van de door verdachte geplaatste trap de andere zijde van de schutting.
Op het perceel van [a-straat 2] achter het scheidingswandje met de poort worden twee oranje jerrycans aangetroffen; in een daarvan was nog een restje benzine aanwezig. Deze benzine is overgegoten in een glazen monsterflesje (SIN AAOM7071NL), waarna de aangetroffen motorbenzine in het grondmonster is vergeleken met de vloeistof uit de oranje jerrycan. Uit dat onderzoek komt samenvattend naar voren dat de motorbenzine samenstelling van het grondmonster een goede overeenkomst vertoont met die van de vloeistof met enige mate van verstoring als gevolg van indamping. De resultaten van het vergelijkend onderzoek zijn veel waarschijnlijker wanneer hypothese I(de motorbenzine in het grondmonster [AALX4953NL] en de vloeistof [AAOM7071NL] hebben een gezamenlijke herkomst) waar is, dan wanneer hypothese 2 (de motorbenzine in het grondmonster [AALX4953NL] en de vloeistof [AAOM7071NL] hebben een verschillende herkomst) waar is.
De deskundige van het NFI, [naam 2] , is bij de rechter-commissaris op 15 november 2021 gehoord. Over de vergelijking van het grondmonster en het monster uit de jerrycan merkt hij op dat er nauwelijks verschillen zijn tussen beide monsters. Hij noemt het een ‘mooie overeenkomst, zo zie ik ze zelden’. Even later merkt hij over de twee piekenpatronen van de monsters op: “Ik heb hier verbazend weinig verschillen in gezien. Nog steeds zegt het niets als je niet weet wat de variatie is bij de benzines, maar we weten dat variatie tussen benzines heel groot is. Dit hebben we proberen te beschrijven met ‘goede overeenkomst in samenstelling'. Dit zien we zelden. Dat geeft veel meer steun voor hypothese 1 dan hypothese 2”.
De verdachte heeft onder meer verklaard dat hij op 23 april 2021 is gaan tanken. Hij ontdekte daarvoor dat de verlichting van zijn tuin niet meer werkte, waarop hij het trapje heeft gepakt en vervolgens, reikend over de schutting voelde dat de stroomdraden waren doorgeknipt. Daarna is hij haar binnengegaan en gaan tanken.
Het hof stelt op grond van het vorenstaande onder meer vast dat de verdachte vrijwel direct nadat hij voelde dat de kabels bij de schutting waren doorgeknipt van de ladder is gestapt, een jerrycan heeft gepakt en is gaan tanken. Ter terechtzitting in hoger beroep is de verdachte gevraagd waarom hij vrijwel direct nadat hij voelde dat de kabels waren doorgeknipt van de ladder is gestapt en is gaan tanken. De verdachte heeft hierop verklaard dat hij toen hij daar stond werd gebeld door [getuige 1] die hem vertelde dat ze de volgende dag een klus hadden, dat hij er toen niet meer bij stil heeft gestaan, vervolgens de jerrycan heeft gepakt en is gaan tanken. Het hof heeft de camerabeelden van [a-straat 2] bekeken en stelt op grond hiervan vast dat niet te zien is dat de verdachte op enig moment, terwijl hij op de ladder staat of kort daarna als hij naar de schuur loopt, wordt gebeld, een telefoon ter hand neemt of aan het telefoneren is. Het hof wijst hierbij tevens op het zeer korte tijdsverloop tussen het beklimmen en weer verlaten van de trap, te weten 6 seconden. Het hof is derhalve van oordeel dat die verklaring van de verdachte aldus niet kan kloppen en terzijde dient te worden geschoven.
De verdachte heeft verder op vragen van het hof verklaard dat het juist is dat hij de oranje jerrycan heeft gepakt nadat hij van de ladder is gestapt, maar dat dit niet de jerrycan is waarin hij heeft getankt. Hij zou blijkens zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep in een zwarte jerrycan hebben getankt die altijd achter in zijn auto staat, terwijl hij eerder bij de politie heeft verklaard dat hij zijn trilplaat heeft getankt. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep over het tanken van de zwarte jerrycan verklaard dat hij in de auto aan de zwarte jerrycan, heeft ‘gerommeld’ om te voelen of er iets inzat, dat hij de jerrycan vervolgens heeft getankt en weer heeft teruggezet. Deze zwarte jerrycan stond blijkens zijn verklaring links achterin de auto, achter de trilplaat in een krat met spullen. Het hof heeft de camerabeelden van het [...] tankstation ter terechtzitting in hoger beroep bekeken. Daarop heeft het hof waargenomen dat de verdachte de rechterachterdeur van zijn auto opendoet, waarna hij vooraan bij de deur niet ver in de auto reikt en vervolgens naar de automaat loopt. Vervolgens loopt de verdachte terug naar de auto, waarbij hij in zijn rechterhand de benzineslang vastheeft en met zijn linkerhand iets in de auto reikt. Het hof stelt op grond van de camerabeelden vast dat de verdachte op het moment dat hij voor de auto staat geen enkele beweging naar links heeft gemaakt, waardoor zijn verklaring daaromtrent niet overeenkomt met hetgeen het hof heeft waargenomen op de camerabeelden. Dat de verdachte aldus zou hebben getankt in de zwarte jerrycan of de trilplaat, welke zich op dat moment links achterin de auto zou bevinden, acht het hof niet in overeenstemming met de eigen waarneming van het hof zodat ook die verklaring zal worden gepasseerd.
Hoewel niet kan worden vastgesteld waarin de verdachte heeft getankt, leidt het hof uit hetgeen hiervoor is vastgesteld en het proces-verbaal van de beelden – waarin is gerelateerd dat als de verdachte na het tanken weer richting zijn voordeur loopt hij wederom een jerrycan in zijn linkerhand vasthoudt en dat aan de hand van de wijze waarop hij deze jerrycan vasthoudt wordt geconstateerd dat het erop leek dat de jerrycan zwaarder was – af dat hij benzine in de oranje jerrycan heeft getankt, dezelfde jerrycan die later op de achterplaats van zijn woning wordt gevonden en wordt bemonsterd en waar de samenstelling van de vloeistof in de woorden van de deskundige ‘goede overeenkomst in samenstelling’ vertoont met de samenstelling van het grondmonster dat is genomen aan de zijde van de [a-straat 1] .
Met betrekking tot hetgeen zich heeft afgespeeld na het tanken van de benzine overweegt het hof voorts als volgt. De verdachte komt blijkens de camerabeelden om 21:27:36 uur thuis van het tankstation en loopt vervolgens met een jerrycan in zijn hand richting de voordeur. Op de camerabeelden van de [a-straat 1] komt de verdachte om 21:30:26 uur in beeld. Hij heeft op dat moment een jerrycan in zijn handen. Slechts 12 minuten later, te weten om 21:42:50 en om 21:42:58 uur, is op de camerabeelden te zien dat er licht weerkaatst op een pilaar van de trampoline op de achterplaats van de verdachte, waarna om 21:43:04 uur licht te zien is aan de binnenkant van de tent van [benadeelde 1] . Om 21:43:24 uur is er rookvorming te zien boven de partytent en om 20:45:51 uur zijn de vlammen duidelijk zichtbaar en slaan deze snel over op de woning.
Uit onderzoek naar de telefoon van de verdachte blijkt dat hij op 23 april 2021 rond 21.40 uur op het internet heeft gezocht naar de brandbaarheid van benzine en diesel. Pas in zijn derde verhoor geeft de verdachte hiervoor een verklaring. Deze verklaring komt erop neer dat hij allerlei apparaten achter in zijn bus heeft liggen die op benzine of diesel werken en zouden kunnen lekken, dat zijn vriendin dit gevaarlijk zou vinden en dat zij daarover die avond een discussie hadden. Opmerkelijk is dat zijn partner hierover niet verklaart als zij twee keer wordt gehoord in mei 2021, maar – evenals de verdachte – pas in augustus 2021. Even opmerkelijk is dat uit een aantal telefoongesprekken die de verdachte vanuit het Huis van Bewaring heeft gevoerd met zijn vriendin op 21 en 25 mei 2021, blijkt dat beiden meermalen naar elkaar uitspreken niet te begrijpen hoe het kan dat uit verdachtes telefoon blijkt dat daarmee internet pagina’s met betrekking tot de brandbaarheid van benzine en diesel zijn geraadpleegd.
Uit de verklaring van getuige [getuige 1] van 13 september 2021 blijkt dat de verdachte kort voor 22:00 uur (het hof begrijpt: op 23 april 2021) een foto via WhatsApp naar [getuige 1] heeft gestuurd (21:46 uur) waarop vlammen onder de partytent van de buren waren te zien en direct daarna heeft hij [getuige 1] gebeld om te zeggen dat alles in de fik stond terwijl hij in de slaap- of speelkamer stond en bezig was om de glasgordijnen op te hangen en zijn partner de kinderen naar bed bracht. Rond diezelfde tijd heeft de verdachte dus op internet gezocht naar de brandbaarheid van benzine en diesel omdat hij hierover een discussie had met zijn partner. Een en ander valt moeilijk met elkaar te rijmen en het hof acht de reden die de verdachte voor zijn internetzoekvraag heeft gegeven dan ook onaannemelijk.
Het hof stelt vast dat de verdachte op meerdere punten inconsistent dan wel ongeloofwaardig heeft verklaard, te weten ten aanzien van de zoekopdrachten in zijn telefoon omtrent de brandbaarheid van diesel en benzine, het tanken op de avond van de brand alsook over het bellen met [getuige 1] kort nadat hij ontdekte dat de bedrading was doorgeknipt.
Het hof is gelet op hetgeen objectief is vast te stellen en afgeleid kan worden uit de camerabeelden en de hiervoor weergegeven resultaten van het opsporingsonderzoek, waaronder het benzine vergelijkend onderzoek, van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het de verdachte is geweest die zich op 23 april 2021 schuldig heeft gemaakt aan opzettelijke brandstichting. Hoewel op de camerabeelden niet te zien is dat de verdachte de benzine heeft gespoten, gegoten dan wel heeft gesprenkeld, is op grond van de camerabeelden van [a-straat 1] wel vast te stellen dat er voorafgaand aan de brand geen personen anders dan de verdachte in de tuin aan de [a-straat 2] zijn geweest. Dat de brand in de aanbouw van de woning [a-straat 1] zou zijn ontstaan, zoals door de verdediging is betoogd, wordt door het hof niet op de camerabeelden waargenomen. Het hof stelt op grond van die camerabeelden daarentegen vast dat de brand moet zijn ontstaan in de tent, waarbij het hof wederom wijst op die twee flikkeringen op de trampolinepaal in de tuin van de verdachte en wat er kort daarna in de tent van [benadeelde 1] gebeurt. Immers is op de camerabeelden 6 seconden na de laatste flikkering te zien dat er licht ontstaat in de tent van [benadeelde 1] , welk licht snel feller wordt en gevolgd wordt door rookvorming en vlammen ter hoogte van de nok van de tent.
Ter zake van het door de verdediging als mogelijk ander scenario op te vatten aangevoerde, stelt het hof het volgende voorop.
Als uitgangspunt heeft volgens bestendige jurisprudentie te gelden dat ingeval een verdachte het hem tenlastegelegde bestrijdt met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen, die niet met een bewezenverklaring zou stroken, de strafrechter – indien hij tot een bewezenverklaring komt – die aangedragen alternatieve gang van zaken zal moeten weerleggen. Dat kan geschieden door opneming van bewijsmiddelen of vermelding, al dan niet in een nadere bewijsoverweging, van aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden die de alternatieve lezing van de verdachte uitsluiten. Een dergelijke weerlegging is echter niet steeds vereist. In voorkomende gevallen zal de strafrechter ter weerlegging kunnen oordelen dat de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden dan wel dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. Ten slotte kunnen zich gevallen voordoen waarin de lezing van de verdachte zo onwaarschijnlijk is, dat zij geen uitdrukkelijke weerlegging behoeft (vgl. HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3359, rov. 2.5. en HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1864, rov. 3.2.2).
Voor zover de verdediging heeft willen aanvoeren dat er mogelijk sprake is van een ander scenario, mede gelet op de verklaringen van getuigen [getuige 2] en [getuige 3] , is het hof van oordeel dat een dergelijk ander scenario onvoldoende steun vindt in het dossier. Ook het scenario dat de brand zou kunnen zijn veroorzaakt door de scooter in de tuin van [benadeelde 1] , is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden. Als de benzine uit de scooter de oorzaak van de brand was geweest, zou er benzine uit de scootertank naar de plek van het grondmonster moeten zijn gelopen en zou er dientengevolge ook een benzinespoor moeten zijn. De speurhond is echter op de plek van de scooter niet aangeslagen zodat op die plek ook geen grondmonster is genomen en die plek ook af is gevallen als mogelijke oorzaak voor het ontstaan van de brand. Ook de heater die zich in de partytent bevond valt om die reden af. Het hof merkt daarbij op dat ook benzine in de grond aan de kant van [a-straat 2] is gevonden, aan de andere kant van de plek waar het grondmonster bij [a-straat 1] is genomen. Weliswaar kon de samenstelling daarvan niet worden onderzocht maar valt ook dit niet te rijmen met de door de verdediging geopperde alternatieve oorzaken voor de brand. Verder is het hof van oordeel dat de omstandigheid dat de verdachte een foto maakte van de brand toen hij boven stond niet als alibi kan gelden, nu deze foto 3 minuten nadat dat de brand begon is verzonden (om 21:46:47 uur) en het aldus goed voorstelbaar is dat de verdachte in die tussenliggende periode naar boven is gelopen en aldaar de foto heeft genomen. Ten slotte zijn de kanttekeningen die de verdediging heeft geplaatst bij de bezeerde hand van de zoon van [benadeelde 1] en het feit dat [benadeelde 1] in de aangifte zou hebben verklaard dat de brand is ontstaan in zijn woning volstrekt onvoldoende om tot een ander oordeel te leiden gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en uit de hierna opgenomen bewijsmiddelen volgt.
Het hof verwerpt mitsdien de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging.
Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, voldoende redengevend om daarop de gevolgtrekking te baseren dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan en acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals in de bewezenverklaring is vermeld.”
3. Het eerste middel dat namens de verdachte is voorgesteld
3.1
Het eerste middel houdt in dat het hof weliswaar terecht heeft aangenomen dat vanwege de vernietiging van een inbeslaggenomen jerrycan (ten gevolge waarvan het door de verdediging verzochte onderzoek aan de dop van de jerrycan niet kon worden verricht) sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van art. 359a Sv, maar dat het hof het verweer dat ertoe strekte aan dit verzuim het rechtsgevolg van strafvermindering te verbinden op onjuiste, althans onbegrijpelijke gronden heeft verworpen.
3.2
Op de terechtzitting in hoger beroep van 17 november 2023 heeft de raadsman van de verdachte een preliminair verweer gevoerd dat strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging. Dit verweer kan als volgt worden samengevat. Na de brand bij/in de woning van de familie [naam 1] is door het openbaar ministerie een jerrycan van [benadeelde 1] (hierna: [benadeelde 1] ) inbeslaggenomen, als ook een jerrycan van de verdachte. De inhoud van de jerrycan van de verdachte is vergeleken met een grondmonster dat is genomen onder de beklinkering van de achterplaats van de familie [naam 1] (de “plaats delict”). Uit dit onderzoek is gebleken dat de benzinesamenstelling van het grondmonster een goede overeenkomst vertoont met die van de vloeistof in de jerrycan van de verdachte, met enige mate van verstoring als gevolg van indamping. De verdediging heeft verzocht om de vloeistof in de jerrycan van [benadeelde 1] eveneens te vergelijken met de op de plaats delict aangetroffen benzine. Toen bleek dat er geen vloeistof (meer) aanwezig was in de jerrycan van [benadeelde 1] , heeft de verdediging verzocht de dop van de jerrycan te bemonsteren op benzineresten. Dit verzoek is door de officier van justitie toegewezen. Voordat dit onderzoek is uitgevoerd is de jerrycan echter – zonder toestemming van het openbaar ministerie – vernietigd, waardoor aan de dop van de jerrycan geen onderzoek meer kon worden verricht. Volgens de verdediging is de verdachte hierdoor ernstig in zijn verdediging geschaad: als uit het onderzoek naar de dop van de jerrycan van [benadeelde 1] was gebleken dat deze benzineresten bevatte die dezelfde herkomst hadden als de vloeistof uit de jerrycan van de verdachte, dan zou de bewijswaarde van het benzinevergelijkend onderzoek ten aanzien van de jerrycan van de verdachte nihil zijn geworden, terwijl dit onderzoek nu juist – zo stelt de verdediging – voor het openbaar ministerie het belangrijkste bewijsmiddel vormt. Vanwege het verlies van de mogelijkheid om onderzoek te verrichten aan de dop van de jerrycan van [benadeelde 1] zou het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in de vervolging, aldus de verdediging.
3.3
Het hof heeft op de terechtzitting van 17 november 2023 in reactie op dit verweer beslist dat de vernietiging van de jerrycan van [benadeelde 1] inderdaad een vormverzuim oplevert, maar dat daaraan niet het rechtsgevolg van niet-ontvankelijkheid dient te worden verbonden:
“Het hof is tot het oordeel gekomen dat het verzoek om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren wordt afgewezen. (…) Het hof is van oordeel dat het niet-ontvankelijk verklaren van het Openbaar Ministerie, dus het meest verstrekkende rechtsgevolg, te ver gaat in deze zaak. Hoewel het hof wel concludeert dat er zich een vormverzuim heeft voorgedaan door het vernietigen van de jerrycan van [benadeelde 1] voordat die jerrycan onderzocht kon worden, komt het hof komt niet tot de conclusie dat de procedure in zijn geheel niet eerlijk is geweest in de zin van artikel 6 van het EVRM. De verdediging heeft, ook nog gedurende de inhoudelijke behandeling van de zaak, de mogelijkheid om aan te voeren welk rechtsgevolg aan het vormverzuim in het voorbereidend onderzoek zou moeten worden verbonden. Ten slotte heeft het hof bij deze beslissing meegewogen dat het gevraagde onderzoek geen tegenonderzoek is, maar een onderzoek dat een nadere interpretatie had kunnen opleveren van de bewijsmiddelen in het dossier. Ook hier kan bij de inhoudelijke verdediging verweer op worden gevoerd.”
3.4
Op de terechtzitting in hoger beroep van 19 juli 2024 heeft de raadsman van de verdachte ten aanzien van de vernietiging van de jerrycan opnieuw een verweer gevoerd in het kader van art. 359a Sv, ditmaal strekkende tot bewijsuitsluiting, dan wel strafvermindering. Dit verweer houdt blijkens de aan het proces-verbaal gehechte pleitnotities het volgende in (zonder overneming van voetnoten):
“Bewijsuitsluiting
9. Qua inhoud van de verweren zal ik starten waar we de vorige zitting in november 2023 zijn gebleven. Ik heb al een preliminair N-O verweer gevoerd, hetgeen u helaas heeft afgewezen. Ik zal alle vereisten van 359a Sv niet allemaal nogmaals doorlopen, maar die standpunten van de verdediging in het preliminair verweer gelden nog onverkort. Vanwege ditzelfde onherstelbare vormverzuim verzoek ik u om te komen tot bewijsuitsluiting in de zin van artikel 359a Sv. Ik verzoek u om vanwege de ernst van het vormverzuim het resultaat van het benzine vergelijkende onderzoek niet langer mee te nemen in uw overwegingen en om die dus uit te sluiten van het bewijs. Zeker ook omdat het vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is dat het noodzakelijk kan worden gevonden om bewijs uit te sluiten om een schending van art. 6 EVRM te voorkomen. Ook meen ik dat een strafvorderlijk voorschrift in aanzienlijke mate is geschonden en dat toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk moet worden geacht als middel om een toekomstig vergelijkbaar vormverzuim te voorkomen.
10. U zou het ook kunnen vergelijken met de problematiek die zich in veel ‘rijden onder invloed zaken’ afspeelt. Als iemand niet op een recht op tegenonderzoek wordt gewezen kan iemand het bewijs ook niet adequaat aanvechten en leidt dat tegenwoordig standaard tot een vrijspraak. In casu heeft [verdachte] het bewijs evenmin adequaat kunnen aanvechten en dus lijkt mij ook om die reden bewijsuitsluiting een aangewezen reactie.
11. In eerste aanleg komt de rechtbank in de zaak van [verdachte] vrij snel tot de conclusie dat sprake is van een ernstig vormverzuim. De vraag waar men vooral bij stil staat is die van of er nadeel voor de verdachte is veroorzaakt.
Het nadeel dat er is veroorzaakt
12. Dat nadeel is glashelder. De waarheidsvinding is onmogelijk gemaakt. En uw rechtbank kan de bewijswaarde van het vergelijkend onderzoek niet op waarde schatten, hetgeen evident nadeel oplevert voor [verdachte] , want zou ook de benzine bij de buren zijn overeengekomen dan zou de zaak en de positie van [verdachte] er anders voorstaan.
13. Dat nadeel daar zal ik hier in hoger beroep nader op moeten ingaan. Immers heeft de rechtbank in eerste aanleg beoordeeld dat sprake was van vormverzuimen door het vernietigen van de jerry can inclusief de dop van de buren, maar verbindt de rechtbank daar geen consequenties aan, omdat er geen concreet nadeel voor cliënt zou zijn.
14. De rechtbank construeert dit door te verwijzen naar het verhoor van [naam 2] bij de rc. Kort gezegd komt hetgeen [naam 2] zegt er volgens mij op neer dat een bij hetzelfde pompstation gevulde tank benzine uit een tank van no 17 en benzine van datzelfde pompstation uit een tank van no 19 niet te onderscheiden zouden zijn, louter in het geval de tanks beide leeg waren op het moment dat zij worden gevuld hij het benzinestation.
15. De rechtbank stelt dan dat – omdat cliënt op zitting heeft verklaard dat de oranje jerrycan eerder was gebruikt – dat er daarom wel een restje benzine in moet hebben gezeten. Maar dat is een stap die de rechter naar ik meen niet kan zetten. Niemand weet natuurlijk, ook client niet, of er daadwerkelijk nog een restje benzine in de oranje jerry can heeft gezeten. Of een jerry can eerder gebruikt is of dat een jerry can leeg is, dat zijn twee verschillende dingen. Eerder gebruikt betekent niet automatisch ook dat hij niet leeg is. Ik vraag uw Hof niet mee te gaan in de vaststelling van de rechtbank dat er wel een restje in de jerry can moet hebben gezeten, want er zijn geen stukken waar dat uit is gebleken. We weten dat simpelweg niet. En als u mij daarin volgt, en de kans aanneemt dat de tank wel degelijk leeg zou kunnen zijn, dan is er dus wel een reëele mogelijkheid dat het onderzoek naar de jerry can van de buren wél wat had opgeleverd. Immers kunnen wij nu niet meer vaststellen of de benzine in de tank van de buren misschien wel dezelfde samenstelling had en wel uit dezelfde batch komt als bij het tankstation. En de mogelijkheid dat dit benzine kan zijn geweest uit dezelfde batch is ook niet onaannemelijk gezien het feit dat de pomp vlak bij het huis ligt van zowel [verdachte] als zijn buren. En omdat de buren allerlei goederen hadden zoals aggregaten en scooters, die zij vulden met jerry cans. Er zijn immers ook jerry cans bij de buren aangetroffen. Het is dus helemaal niet zo onaannemelijk dat de benzine uit dezelfde batch komt.
16. De poortraadsheer stelt in reactie op de onderzoekswensen in hoger beroep tot het horen van [naam 2] overigens dat het Hof kan veronderstellen dat er in beide jerry cans geen restjes benzine meer zat om mee te testen. Een rare stellingname. Maar ook hiervan zeg ik dat ook dat niet is vast te stellen simpelweg omdat onderzoek naar de jerry can niet meer kan worden uitgevoerd.
17. Dit alles levert dus wel degelijk concreet en zeker niet verwaarloosbaar nadeel voor de verdediging op omdat – indien de jerry can van de buren wel dezelfde motorbenzine zou bevatten – dit ontlastend bewijs voor de verdediging zou opleveren. Zonder het benzinebewijs houden we immers weinig over omdat we een daadwerkelijke brandstichting niet op beelden hebben staan.
Strafvermindering
18. Mocht u ook daar anders over denken dient het ieder geval tot een flinke strafkorting te leiden zodat er in ieder geval een duidelijk signaal richting opsporing gaat. Ik kan mij echter niet voorstellen dat uw hof daar aan toekomt omdat zoals al aangegeven [verdachte] dient te worden vrijgesproken in deze zaak en dat brengt mij direct bij de inhoud.”
3.5
Het hof heeft in zijn arrest van 2 augustus 2024 het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering als volgt verworpen:
“De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig de ter terechtzitting overgelegde pleitnota, bepleit dat
a. sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, nu de (dop van de) jerrycan van [benadeelde 1] (hierna steeds: [benadeelde 1] ) is vernietigd. De verdediging kan derhalve niet vaststellen of de benzine in de vernietigde jerrycan dezelfde samenstelling had als de onder de verdachte inbeslaggenomen jerrycan en ook kan hierdoor niet meer worden vastgesteld of de benzine in de jerrycan van [benadeelde 1] uit dezelfde batch afkomstig was als die van het nabijgelegen tankstation. Dit levert voor de verdediging een concreet en zeker niet verwaarloosbaar nadeel op. Wanneer de jerrycan van de buren dezelfde motorbenzine zou hebben bevat, zou dit immers ontlastend bewijs voor de verdediging hebben opgeleverd. De verdediging stelt zich derhalve op het standpunt dat, gelet op de ernst van het vormverzuim, de resultaten van het benzine vergelijkend onderzoek ziende op de jerrycan van de verdachte dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Indien het hof niet overgaat tot bewijsuitsluiting, dient het onherstelbaar vormverzuim te leiden tot strafvermindering.
(…)
Het hof overweegt dienaangaande als volgt
Uit het procesdossier blijkt dat de verdediging op 25 juni 2021 heeft gevraagd eenzelfde (onderstreping: hof) onderzoek als is verricht aan de onder de verdachte inbeslaggenomen jerrycan te verrichten aan de jerrycan die onder [benadeelde 1] in beslag is genomen. Vervolgens is volgens de verdediging op 7 juli 2021 verzocht of dit onderzoek nog mogelijk was. Op 8 september 2021 is er een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt (pagina 68) waaruit naar voren kwam dat de jerrycan leeg was en dat er geen druppel meer uit kwam. De verdediging heeft vervolgens op 14 september 2021 verzocht of na kon worden gegaan of bemonstering aan de dop van de jerrycan mogelijk was. Hierop is op 18 oktober 2021 een aanvullend proces-verbaal van bevindingen opgemaakt. Uit dit proces-verbaal volgt dat inderdaad de dop van de jerrycan van de verdachte is bemonsterd en onderzocht, maar dat niet de (samenstelling van de) vloeistof is onderzocht, maar onderzocht is op aanwezige DNA-sporen. Dat de dop van de jerrycan van [benadeelde 1] DNA-sporen van [benadeelde 1] zou bevatten, zou volgens voornoemd proces-verbaal niets opleveren omdat de jerrycan uit de woning van [benadeelde 1] komt en dat het daarom aannemelijk is dat hier zijn DNA op zou zitten. Voorts is in het proces-verbaal gerelateerd dat naar aanleiding van het proces-verbaal omtrent het ontbreken van een restje vloeistof in de jerrycan op 27 september 2021 door de hulpofficier van justitie contact is gelegd met de beslagene [benadeelde 1] , dat aan [benadeelde 1] toen is medegedeeld dat de jerrycan terug mocht en dat [benadeelde 1] hierop zou hebben aangegeven dat de jerrycan kon worden vernietigd. Hierop is de jerrycan vernietigd. De kennisgeving van inbeslagneming werd hierop aangepast, door middel van een vervolgbeslissing. Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt dat die beslissing abusievelijk werd genomen zonder overleg met het Openbaar Ministerie, hetgeen wel had moeten plaatsvinden volgens de Aanwijzing inbeslagneming.
Het hof stelt vast dat er geen onderzoek is verricht aan (de dop van) de jerrycan en dat dit vanwege vernietiging van de jerrycan ook thans niet meer mogelijk is. Het hof concludeert dat daarmee, nog daargelaten wat het onderzoek van de verdediging zou hebben ingehouden, of wat praktisch mogelijk zou zijn geweest, bij het voorbereidend onderzoek een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift en het recht van de verdediging om onderzoek te kunnen verrichten ernstig is geschonden, waardoor de verdachte door het verzuim in zijn verdediging is geschaad en derhalve sprake is van een onherstelbaar vormverzuim waarvan de rechtsgevolgen niet blijken uit de wet. Resteert de vraag of en zo ja, welke consequentie aan dat vormverzuim, rekening houdend met de in artikel 359a, tweede lid, Sv genoemde wettelijke beoordelingsfactoren en met inachtneming van het hiervoor genoemde uitgangspunt van subsidiariteit, moet worden verbonden.
Bewijsuitsluiting?
De raadsman van de verdachte heeft verzocht de resultaten van het benzine vergelijkend onderzoek van de jerrycan van de verdachte uit te sluiten van het bewijs. Het hof stelt echter vast dat ten aanzien van die resultaten niet van enig vormverzuim is gebleken. Immers, ziet het vormverzuim op het niet kunnen verrichten van onderzoek aan de jerrycan die onder [benadeelde 1] in beslag is genomen. Gesteld noch gebleken is dat er sprake is geweest van een onherstelbaar vormverzuim bij het onderzoek naar de benzineresten in de jerrycan van de verdachte. Alleen al om die reden kan van bewijsuitsluiting van de onderzoeksresultaten van de jerrycan van de verdachte geen sprake zijn. Bewijsuitsluiting kan immers uitsluitend aan de orde komen indien het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen. Evenmin acht het hof bewijsuitsluiting noodzakelijk als rechtsstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. Hiertoe overweegt het hof als volgt. Zoals reeds overwogen is omtrent de gang van zaken met betrekking tot de vernietiging van de jerrycan een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt. Daaruit volgt in de eerste plaats dat de dop van de jerrycan van de verdachte niet is bemonsterd om de samenstelling van de vloeistof vast te stellen, maar onderzocht is op DNA-sporen. Onderzoek van de dop van de jerrycan van [benadeelde 1] naar DNA-materiaal was zinledig en in zoverre is er ook geen sprake van enig nadeel aan de zijde van de verdediging. Duidelijk is echter dat het de bedoeling was van de verdediging om de dop naar de samenstelling van eventueel daarin of daaraan aanwezige benzineresten te laten onderzoeken en in zoverre is – zoals hiervoor al geconstateerd – sprake van een onherstelbaar vormverzuim. Noch daargelaten de beantwoording van de vraag of er sprake was van (voldoende) benzineresten in/aan de dop van de jerrycan van [benadeelde 1] in het licht van het gegeven dat in de desbetreffende jerrycan zelf kennelijk geen restje vloeistof meer aanwezig was dat onderzocht kon worden, blijkt uit voornoemd proces-verbaal van bevindingen van 18 oktober 2021 dat geen sprake is geweest van moedwillige vernietiging van de jerrycan van [benadeelde 1] , maar dat eerder sprake is geweest van een misverstand en in ieder geval geen sprake is geweest van een vormverzuim dat zich bij herhaling dan wel structureel voordoet en in welk kader het van belang is of kan zijn om een signaal af te geven. Het hof acht bewijsuitsluiting aldus ook niet om die reden aan de orde.
Strafvermindering?
Strafvermindering, in die zin dat de hoogte van de op te leggen straf in verhouding tot de ernst van het verzuim wordt verlaagd, komt slechts in aanmerking, indien aannemelijk is dat (a) de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, (b) dit nadeel is veroorzaakt door het verzuim, (c) het nadeel geschikt is voor compensatie door middel van strafvermindering, en (d) strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. Het hof ziet geen aanleiding om aan het reeds vastgestelde vormverzuim strafvermindering te verbinden. In dat kader wijst het hof in de eerste plaats op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de omstandigheden waaronder het vormverzuim heeft plaatsgevonden en de aard van het vormverzuim. Daarnaast wordt opgemerkt dat gelet op hetgeen hierna wordt overwogen1.het vormverzuim geen rol van betekenis heeft gespeeld bij de weging van de in het dossier beschikbare bewijsmiddelen. Ten slotte acht het hof de omstandigheid dat de verdachte is geschaad in zijn verdediging door geen vergelijkend onderzoek te kunnen laten verrichten niet geschikt voor compensatie door middel van strafvermindering. Ook om die redenen ziet het hof geen aanleiding om tot strafvermindering te komen. Het hof volstaat aldus met de constatering van het vormverzuim. Het verweer wordt derhalve verworpen.”
3.6
In het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, heeft de Hoge Raad over strafvermindering als mogelijk rechtsgevolg van een begaan vormverzuim het volgende overwogen:
“2.3.1 De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, rechtsoverweging 3.6.3 met betrekking tot strafvermindering als aan een vormverzuim te verbinden rechtsgevolg onder meer het volgende overwogen:
“Strafvermindering, in die zin dat de hoogte van de op te leggen straf in verhouding tot de ernst van het verzuim wordt verlaagd, komt (...) slechts in aanmerking, indien aannemelijk is dat (a) de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, (b) dit nadeel is veroorzaakt door het verzuim, (c) het nadeel geschikt is voor compensatie door middel van strafvermindering, en (d) strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is.”
2.3.2
Voor toepassing van strafvermindering is vereist dat de verdachte door het vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden en dat strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. Het moet dus gaan om een voldoende ernstig vormverzuim dat concreet de belangen van de verdachte in de strafzaak heeft aangetast. Dat volgt ook uit de onder 2.1.3 weergegeven uitgangspunten dat de rechter niet de taak en verantwoordelijkheid heeft de rechtmatigheid en de integriteit van het optreden van politie en justitie als geheel te bewaken en dat hij de bevoegdheid, maar niet de plicht heeft om rechtsgevolgen te verbinden aan vormverzuimen bij het voorbereidend onderzoek.
2.3.3
Door het verbinden van strafvermindering als rechtsgevolg aan een vormverzuim, brengt de rechter tot uitdrukking dat het vormverzuim zodanig ernstig is dat niet kan worden volstaan met de enkele constatering van dat vormverzuim. In de toepassing van strafvermindering ligt dan ook een krachtiger, in de mate van strafvermindering tot uitdrukking te brengen afkeuring van het vormverzuim besloten dan in die enkele constatering.
2.3.4
Strafvermindering laat zich als rechtsgevolg dat geschikt is voor compensatie van door de verdachte ondervonden nadeel, verbinden aan onder meer vormverzuimen die een inbreuk hebben gemaakt op de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Dat kan zich bijvoorbeeld ook voordoen als door de onrechtmatige toepassing van dwangmiddelen bewijs is vergaard. Verder is toepassing van strafvermindering niet uitgesloten in gevallen waarin, als gevolg van een of meerdere vormverzuimen, in het verloop van de strafprocedure complicaties zijn opgetreden die het voeren van de verdediging ernstig hebben bemoeilijkt, maar waarbij die vormverzuimen vervolgens in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen.
2.3.5
Gelet op het onder 2.1.3 genoemde uitgangspunt van subsidiariteit is het aangewezen dat indien grond bestaat voor het verbinden van een rechtsgevolg aan het vormverzuim en het door het vormverzuim veroorzaakte nadeel zich laat compenseren door strafvermindering, daarmee wordt volstaan. De toepassing van strafvermindering heeft immers in het licht van de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen aanmerkelijk minder verstrekkende of willekeurige consequenties dan niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging of – onder omstandigheden, afhankelijk van het resterende bewijsmateriaal en de redengevendheid daarvan voor een eventuele bewezenverklaring – de toepassing van bewijsuitsluiting.”2.
3.7
Het hof heeft overwogen geen aanleiding te zien om aan het vastgestelde vormverzuim het rechtsgevolg van stafvermindering te verbinden. Daaraan heeft het hof onder meer ten grondslag gelegd dat het vormverzuim geen rol van betekenis heeft gespeeld bij de weging van de in het dossier beschikbare bewijsmiddelen. Uit deze overweging leid ik af dat het hof kennelijk van oordeel is dat een onderzoek naar de dop van de jerrycan van [benadeelde 1] niet zou afdoen aan de overtuiging dat het de verdachte is geweest die de brand heeft gesticht, ook niet wanneer uit dat onderzoek was gebleken dat de dop van de jerrycan resten bevatte van dezelfde vloeistof als het grondmonster. De verdachte is dus weliswaar in zijn verdediging geschaad doordat hem de mogelijkheid is ontnomen onderzoek te (laten) verrichten aan de dop van de jerrycan van [benadeelde 1] , maar heeft, zo begrijp ik het hof, van het uitblijven van dat onderzoek geen daadwerkelijk nadeel ondervonden. Die (impliciete) vaststelling vind ik in het licht van het geheel aan bewijsmiddelen en de bewijsoverweging van het hof niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat – naast de vaststelling dat de vloeistof uit de jerrycan van de verdachte goede overeenkomst vertoont met het grondmonster – daaruit onder meer volgt dat de verdachte zeer kort voor het ontstaan van de brand is gaan tanken en met een jerrycan in zijn handen heeft rondgelopen op zijn achterplaats/in zijn tuin (en daarmee in de buurt is geweest van de plek waar volgens het hof de brand is ontstaan), dat uit camerabeelden volgt dat er voor het ontstaan van de brand geen andere personen in de tuin/achterplaats van de verdachte zijn geweest en dat de verdachte enkele minuten voor het ontstaan van de brand op het internet heeft gezocht naar de brandbaarheid van benzine en diesel.
3.8
Het eerste namens de verdachte voorgestelde middel faalt.
4. Het tweede middel dat namens de verdachte is voorgesteld
4.1
Het tweede middel houdt in dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
4.2
Uit de stukken van het geding blijkt over het procesverloop vanaf de uitspraak door het hof – voor zover van belang – het volgende:(i) Bij arrest van 2 augustus 2024 heeft het hof aan de (op dat moment niet voorlopig gehechte) verdachte een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 54 maanden, met aftrek overeenkomstig art. 27 Sr. Het hof heeft daarbij de gevangenneming van de verdachte bevolen;(ii) Op 5 augustus 2024 is namens de verdachte cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof;(iii) Uit de door de griffie van de Hoge Raad opgevraagde historische detentiegegevens d.d. 11 augustus 2025 blijkt dat de verdachte op 5 september 2024 gevangen is genomen en sindsdien in detentie verblijft;(iv) De stukken van het geding zijn op 28 maart 2025 bij de griffie van de Hoge Raad ontvangen.
4.3
Art. 434 lid 1 Sv schrijft voor dat de inzending van de stukken naar de Hoge Raad zo spoedig mogelijk dient te geschieden. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat wanneer de stukken later dan acht maanden nadat beroep in cassatie is ingesteld worden ingezonden, het recht van de verdachte op berechting binnen een redelijke termijn in het gedrang komt en dat in zo’n geval de waarborg van art. 6 lid 1 EVRM geschonden wordt geacht. Wanneer het gaat om een zaak waarin de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert en/of het jeugdstrafrecht is toegepast, is deze termijn gesteld op zes maanden.3.
4.4
In onderhavige zaak was de verdachte op het moment dat namens hem cassatie werd ingesteld niet gedetineerd, maar was zijn gevangenneming al wel bevolen. De daadwerkelijke gevangenneming vond precies een maand na het instellen van het cassatieberoep plaats, op 5 september 2024. De verdachte heeft dus verreweg het grootste gedeelte van de tijd tussen het instellen van het cassatieberoep en de ontvangst van de stukken bij de griffie van de Hoge Raad in voorlopige hechtenis doorgebracht: van de ongeveer 7,5 maand was de verdachte zo’n 6,5 maand gedetineerd.
4.5
Met de verkorting van de inzendtermijn in het geval van detentie of minderjarigheid, heeft de Hoge Raad beoogd aan deze (kwetsbare) verdachten extra bescherming te bieden in het licht van art. 6 lid 1 EVRM. Tegen deze achtergrond ligt het voor de hand om bij een verdachte ten aanzien van wie ten tijde van het instellen van cassatie de voorlopige hechtenis is bevolen, die nog niet gedetineerd is op het moment dat cassatie wordt ingesteld, maar vervolgens het overgrote deel van de inzendingstermijn in detentie doorbrengt, de kortere termijn van zes maanden toe te passen. Steun voor deze opvatting vind ik onder meer in HR 16 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1307. In de zaak die aan dit arrest ten grondslag lag, had het hof tijdens de behandeling van de zaak in hoger beroep de voorlopige hechtenis van de verdachte geschorst, maar had de verdachte sinds het instellen van het hoger beroep al twee jaar en acht maanden in detentie doorgebracht.4.De Hoge Raad oordeelde dat de beoordeling door het hof, dat tot uitgangspunt had genomen dat het hoger beroep moest zijn afgerond binnen twee jaren nadat het rechtsmiddel was ingesteld (en niet binnen 16 maanden, zoals geldt voor een verdachte die in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert),5.onbegrijpelijk was.6.Ook uit andere uitspraken van de Hoge Raad leid ik af dat voor het bepalen van de toepasselijke redelijke termijn de daadwerkelijke duur van de voorlopige hechtenis in verband met de strafzaak maatgevend is, en niet de situatie op een bepaald moment (bijvoorbeeld ten tijde van het uitspreken van het arrest).7.
4.6
De inzendingstermijn van zes maanden is met bijna twee maanden overschreden. Het middel klaagt daarover terecht. Een voortvarende behandeling in cassatie die de overschrijding van de inzendtermijn zou kunnen compenseren, behoort niet meer tot de mogelijkheden.
4.7
Het tweede middel dat namens de verdachte is voorgesteld, slaagt.
5. Het eerste middel dat namens de benadeelde partij [benadeelde 1] is voorgesteld
5.1
Het eerste middel dat namens de benadeelde partij [benadeelde 1] is voorgesteld houdt in dat het hof het verzoek tot vergoeding van de geleden inboedelschade op onbegrijpelijke gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard.
5.2
Het hof heeft in zijn arrest van 2 augustus 2024 als volgt op de vordering tot vergoeding van de inboedelschade van de benadeelde partij [benadeelde 1] beslist:
“De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 149.030,74, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ter terechtzitting in hoger beroep is de vordering verlaagd met een bedrag van € 14.286,44, waardoor de vordering tot het bedrag van € 134.744,30 aan materiële schade aan het hof voorligt. De vordering valt in hoger beroep uiteen in de volgende posten:
(…)
ii. € 124.986,15 aan inboedelschade
(…)
Bij vonnis waarvan beroep is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.
De benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene gehandhaafd.
De raadsman van de verdachte heeft de vordering inhoudelijk betwist en heeft daartoe het volgende aangevoerd. (…) Met betrekking tot post ii. heeft de raadsman aangevoerd dat de nieuwwaarde van de spullen wordt gevorderd, maar dat dat niet meer de waarde van de spullen op dat moment was. De dagwaarde zou derhalve per goed moet worden bepaald en dat levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. (…)
Het hof overweegt als volgt.
(…)
Post ii.
Het hof is van oordeel dat behandeling van de vordering betrekking hebbende op de inboedelschade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Niet betwist is dat de inboedel door de brand verloren is gegaan en voorts staat vast dat de benadeelde partij [benadeelde 1] voor inboedelschade niet was verzekerd. In het licht van de gemotiveerde betwisting van deze schadepost die uit vele onderdelen bestaat, zou een nadere conclusiewisseling moeten plaatsvinden en/of een nadere zitting worden bepaald om een en ander te bespreken. Daarvoor leent het strafproces zich echter niet. Het hof zal de vordering van de benadeelde partij met betrekking tot post ii. derhalve niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.”
5.3
Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een op 18 juli 2022 gedateerde brief van de advocaat van de benadeelde partij [benadeelde 1] aan de officier van justitie en de rechtbank Zeeland-West-Brabant, waaruit kan worden afgeleid dat [benadeelde 1] zich in eerste aanleg als benadeelde partij heeft gevoegd in het strafproces tegen de verdachte. Deze brief houdt onder meer het volgende in:
“3. Goederen die door de brand zijn vernietigd € 124.986,15
Slachtoffers hadden geen inboedelverzekering. Doordat verdachte opzettelijk brand heeft gesticht in de woning van slachtoffers, is niet alleen de woning zelf, maar zijn ook alle goederen in de woning in vlammen opgegaan. Om de reden dat het huurcontract van de woning op naam van slachtoffers [benadeelde 1] en [betrokkene 2] stond, zal de totale schade m.b.t. de door de brand verwoeste spullen in dit verzoek worden meegenomen.
Gelet op dat vrijwel alle bonnen van de goederen ook in vlammen zijn opgegaan, hebben slachtoffers een inboedellijst van de goederen opgemaakt met de waarde per goed beschreven (productie 8). Van sommige goederen is het gelukt om de bonnen op te vragen en treft u deze als bijlage bij productie 8 aan. De totale schade bedraagt € 124.986,15.”
5.4
Aan deze brief zijn als bijlagen onder meer een voegingsformulier (productie 1) gehecht, als ook een inboedellijst (productie 8), waarin de ouderdom van de goederen en – ten aanzien van bijna alle op de lijst opgenomen goederen – de nieuwwaarde is vermeld. Bij deze inboedellijst zijn 24 facturen gevoegd.
5.5
De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft zijn vordering in hoger beroep gehandhaafd. Voorafgaand aan de behandeling van de zaak in hoger beroep heeft een medewerker van Slachtofferhulp Nederland de vordering namens de benadeelde partij nader toegelicht, middels een e-mailbericht aan de advocaat-generaal d.d. 16 november 2023. Dit e-mailbericht – dat op de zitting van 17 november 2023 aan het dossier is toegevoegd – houdt onder meer in:
“Geen onevenredige belasting strafgeding
Zoals vaker naar voren komt in strafzaken met een omvangrijk schadebedrag, of een verscheidenheid aan schadeposten, kennen wij op zitting de discussie of een dergelijk verzoek tot schadevergoeding niet een onevenredige belasting van het strafgeding is. In onze visie is er in casu geen sprake van onevenredige belasting van het strafgeding, en kan het gerechtshof (bij veroordeling van verdachte) een oordeel vellen over het verzoek tot
schadevergoeding. Hierbij merkt Slachtofferhulp Nederland op dat in het strafrecht in het verleden het niet-ontvankelijkheidscriterium gold in geval van een vordering die ‘niet-eenvoudig van aard’ was. De wetgever heeft beoogd dit criterium te verruimen, ten gunste van een benadeelde partij, door als nieuwe criterium te hanteren dat de vordering ‘geen onevenredige belasting van het strafgeding’ moet zijn (Kamerstukken II 2007/2008, 30 143, nr. 16). Het is van groot belang dat het voor een benadeelde partij, die met schade van deze omvang ongevraagd en ongewild wordt geconfronteerd, zo ‘eenvoudig’ als mogelijk wordt gemaakt om de schade vergoed te krijgen. Ook is in de jurisprudentie geconstateerd dat de bedoeling van de wetgever is om een benadeelde partij een prominente plaats in het strafproces te geven, Ik verwijs hierbij naar ECLI:NL:RBZWB:2021:443 waarin het volgende is opgemerkt:
“De wetgever heeft de benadeelde partij zowel qua spreekrecht als qua vordering een prominente plaats gegeven in het strafrecht. De Hoge Raad heeft dat ook in recente jurisprudentie uitdrukkelijk benoemd. Daarbij is voor de vorderingen aansluiting gezocht bij het civiele recht. Bij dat gegeven mag van strafadvocaten op zijn minst een oriëntatie op het civiele recht worden verlangd en mogelijk zelfs inschakeling van een civiele advocaat wanneer het om ingewikkelde zaken gaat als in dit geval.”
Vaststellen dagwaarde/schattingsbevoegdheid gerechtshof
Daarnaast werd afgelopen dinsdag gesproken over de vraag in hoeverre de dagwaarde van de goederen kan worden vastgesteld. Het is soms, gezien de aard en omvang van de schade, helaas niet altijd vast te stellen wat de exacte dagwaarde is van een bepaald goed. Benadeelden hebben samen met mr. Meijer zo goed als mogelijk hun best gedaan om de schade te onderbouwen met stukken, om toch aan hun ‘verantwoordelijkheid’ te voldoen om de schade zo goed als mogelijk vast te stellen. Ondanks alles hebben benadeelden veel informatie kunnen aanleveren. Mocht u desondanks van mening zijn dat de schade niet exact is vast te stellen, dan verzoek ik u namens benadeelden om het gerechtshof te vragen (uiteraard in geval van veroordeling van verdachte) om een beroep te doen op de schattingsbevoegdheid, o.g.v. art. 6:97 BW, maar ook r.o. 2.8.7. van het overzichtsarrest van de Hoge Raad ECLI:NL:HR:2019:793 waarin het volgende wordt overwogen:
“Met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 2.4 reeds is overwogen, begroot de rechter de schade op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Indien de omvang van de schade zonder nader onderzoek dat een onevenredige vertraging van het strafgeding zou opleveren, niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, kan die omvang in veel gevallen worden geschat (art. 6:97 BW). De rechter dient in zijn motivering van die schatting zoveel mogelijk aan te sluiten bij de vaststaande feiten. Indien de gehele schade of een bepaalde schadepost wordt geschat op een bepaald bedrag impliceert de beslissing met betrekking tot die schade(post) de afwijzing van hetgeen meer werd gevorderd, tenzij uit die beslissing blijkt dat sprake is van eengedeeltelijke toewijzing zoals hiervoor onder 2.8.4 bedoeld. (…)””
5.6
Op de terechtzitting van 17 november 2023 heeft de advocaat-generaal over voornoemd e-mailbericht onder meer het volgende naar voren gebracht:
“Ik geef uw hof nog mee dat de aanvulling op de vordering van de benadeelde party die ik gisteravond heb ontvangen mij niet tot een ander standpunt heeft gebracht als het gaat over de vraag welke beslissing het hof zou moeten nemen op de vordering van de benadeelde partij. Daarop vooruitlopend wil ik alvast zeggen dat mijns inziens geen ruimte is in het strafproces voor de vordering van de benadeelde partij voor zover het gaat om de gevorderde materiële schade.”
5.7
Blijkens de pleitnota die aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 juli 2024 is gehecht, heeft de raadsman van de benadeelde partij op die zitting onder meer het volgende naar voren gebracht:
“6. De ingediende vordering is als volgt opgebouwd. [benadeelde 1] heeft vergoeding gevorderd voor de navolgende schadeposten:

7. De gestelde inboedelschade wordt samen met de echtgenote van [benadeelde 1] , [betrokkene 2] , gevorderd. Deze schadepost bedraagt €124.986,15. [benadeelde 1] en [betrokkene 2] zijn in gemeenschap van goederen gehuwd. Zij zijn ieder voor zich (1:97 lid 1 BW) bevoegd om de schade te vorderen. Strikt genomen zijn zij ieder voor gelijke delen (50/50) gerechtigd in de boedel. Om (nodeloze) praktische problemen te voorkomen vorderen zij allebei de schade vanwege de verloren gegane inboedel. Op deze wijze kan uw hof de schadevergoeding aan een van de echtelieden toewijzen dan wel deze 50/50 verdelen over beide echtelieden.
(…)
12. Benadeelde vordert schadevergoeding omdat zijn inboedel door de brand is verteerd. Het komt benadeelde voor dat het bestaan van deze schade niet kan worden ontkend. Deze schadepost vindt steun in het strafdossier. Het probleem bij deze schadepost zit niet zozeer in de vraag of er schade is geleden, maar in de vraag: hoeveel schade er is geleden. Het betreft aldus een schadepost waarvan de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. In dat geval bepaalt art. 6:97 BW dat de rechter de schade kan schatten. Volgens de Hoge Raad moet de rechter dit doen wanneer de rechter het bestaan van een schadepost aannemelijk acht, en de rechter van oordeel is dat de omvang van die schade niet nauwkeurig, kan worden vastgesteld.
13. In casu doet deze situatie zich hier voor. Het staat wat benadeelde betreft buiten kijf dat de inboedel verloren is gegaan en er dus (veel) schade is geleden. Deze schade laat zich moeilijk begroten. Dat komt omdat bij lange na niet alle aankoopbewijzen bewaard zijn gebleven. Deze bewijsnood is het gevolg van verdachtes handelen. Verdachte zou niet moeten kunnen profiteren van deze door hem zelf in het leven geroepen bewijsnood. Er zouden daarom geen al te hoge eisen aan het bewijs mogen worden gesteld, aldus benadeelde. Benadeelde heeft een overzicht gemaakt van alle inboedelgoederen en een opgave gedaan van de waarde van die goederen. Op deze wijze is de waarde van de inboedel begroot op een bedrag van € 124.986,15. Uw hof wordt verzocht om deze vordering tot dat bedrag, dan wel een ander door uw hof in goede justitie te begroten bedrag, toe te wijzen.”
5.8
De raadsman van de verdachte heeft bij pleidooi van 19 juli 2024 het volgende naar voren gebracht over de door de benadeelde partij [benadeelde 1] gevorderde inboedelschade:
“e-mail van 16 november 2023 van Slachtofferhulp Nederland95. In de mail van 16 november 2023 van slachtofferhulp Nederland komen 3 punten naar voren met betrekking tot de onevenredige belasting van het strafgeding, het vaststellen van de dagwaarde/schattingsbevoegdheid en het verlies van arbeidsvermogen. Ik zal eerst op die 3 punten reageren en dan verder de vordering weerleggen.
96. In het kader van de onevenredige belasting van het strafgeding wil ik graag opmerken dat uit de mail van slachtofferhulp geen enkel zaaksinhoudelijk punt te destilleren is. Ik lees:
“In onze visie is er in casu geen sprake van onevenredige belasting van het strafgeding, en kan het gerechtshof (bij veroordeling van verdachte) een oordeel vellen over het verzoek tot schadevergoeding.”
Waarom zij deze mening, op basis van dit dossier en deze casus, zijn toegedaan wordt mij niet duidelijk. Er wordt namelijk slechts verwezen naar: een wetswijziging uit 2008 met betrekking tot het ontvankelijkheidscriterium (waarmee wij inmiddels wel bekend zijn en hetgeen niets zegt over de complexiteit van deze vordering), het belang voor een benadeelde partij om ‘zo eenvoudig mogelijk’ haar schade vergoed te zien en een uitspraak waarin geconstateerd wordt dat de benadeelde partij een prominente plaats inneemt binnen het strafproces. Geen van deze punten is een inhoudelijk argument waarom deze vordering geen onevenredige belasting voor het strafproces zou opleveren.
97. Terwijl als er nou een mooi voorbeeld is van een vordering die een onevenredige belasting vormt is het deze wel. Er is een hele lange waslijst aan spullen opgenomen. Daaronder zitten dan enkele facturen. Als ik deze facturen naast deze lijst moet leggen om het allemaal te checken ben ik echt onevenredig lang bezig, en u ook. U moet zich kunnen focussen op een belangrijke vraag: heeft client nou wel of niet strafbaar gehandeld. Bovendien zie ik hele specifieke bedragen in de facturen, die ik nergens terug zie op de lijst met zaken, daar zie ik allemaal ronde getallen. Bovendien: gelijk de eerste 3 facturen die zijn bijgevoegd onder productie 8 ter onderbouwing, zijn van data ná de brand. Ook verderop in de vordering zie ik daar facturen van. Bijvoorbeeld meerdere facturen van de mediamarkt van 25.04.2021, op die facturen zie ik verder ook geen namen staan. Bovendien zie ik dingen van bol.com voorbij komen van [betrokkene 4] die geen benadeelde partij is. Ik zie facturen op naam van [betrokkene 5] voorbij komen woonachtig op de [b-straat 1] te [plaats] . Moeten wij allemaal gaan uitzoeken hoe dit precies zit? Er zit ook geen enkele factuur bij op naam van [betrokkene 3] of [betrokkene 2] . En het aantal facturen wat er bij zit is echt zeer beperkt. Er zit één hele oude bon bij uit 2011. Moeten wij dan in een strafrechtelijke procedure gaan onderzoeken hoe dit precies zit, waarom zij die facturen niet hebben, hoe oud de spullen zijn, of er nog foto’s zijn van de spullen waarop we de staat van de goederen kunnen zien etc? bovendien kan je je afvragen waarom er bijvoorbeeld geen bankafschriften zijn overgelegd. Om duidelijkheid te krijgen en dit nader moeten uitzoeken, is de strafprocedure echt niet voor geschikt.
98. Daarbij speelt ook een rol dat de verdediging in de strafprocedure geen middelen heeft om zelf onderzoek te doen of te vragen. Zo bestaat er in het strafrecht geen wettelijke mogelijkheid om getuigen of deskundigen te horen over de vordering.
99. Ingewikkeld, van een paar spullen bonnen, verder geen. Neem toch aan dat een bank bijvoorbeeld is gepind, waarom geen bankafschriften? Had echt wel beter kunnen worden onderbouwd.
Schattingsbevoegdheid
100. Met betrekking tot het gebruikmaken van de schattingsbevoegdheid, wat ook wordt benoemd in de mail van 16 november het volgende. In eerste aanleg is blijkens het pv van de inhoudelijke behandeling dat schatten ook aan de orde geweest en zijn hier door de rechtbank ook vragen over gesteld. De rechtbank heeft erop gewezen dat er om de nieuwwaarde wordt gevraagd. De benadeelde partij geeft dan aan dat verzocht wordt om de dagwaarde te schatten. De bal wordt zogezegd bij de rechtbank neergelegd om maar met een geschat bedrag te komen. Maar zo werkt het civiele recht niet. Je moet als eisende partij wel de bouwstenen aanleveren. In dit geval wordt helemaal niet toegelicht, wat de benadeelde partij de rechtbank dan vraagt om te schatten, aan de hand van bijvoorbeeld een toelichting over hoe oud de producten zijn. De vordering is gelet daarop onvoldoende onderbouwd.
(…)
102. Primair niet ontvankelijk, vrijspraak. Familie veroordelen in kosten die [verdachte] heeft moeten maken om zich te kunnen weren.
Subsidiair 103. Zelfs als u tot een veroordeling komt zou het in mijn optiek niet juist zijn om zo weinig aandacht, als strafrechtjuristen, te besteden aan zo’n omvangrijke vordering. Zeker ook omdat in een civiele procedure hier waarschijnlijk jaren over zal worden geprobeerd, met comparities, rapporten, tegenrapporten, getuigenverhoren, uitleg waarom de vordering kan worden toegewezen, etc etc.
104. Deze argumenten maken dat ik u wil verzoeken om subsidiair de vordering niet-ontvankelijk te verklaren om die redenen.
(…)
Er wordt de nieuwwaarde gevorderd, maar dat waren de spullen niet meer waard. Dat sommige inboedelverzekeraars de nieuwwaarde vergoeden is niet doorslaggevend, het gaat om de daadwerkelijke schade die is geleden. Bovendien zijn er ook verzekeraars die alleen de dagwaarde vergoeden.
Daar komt ook nog bij dat als verzekeraars bij spullen die minder dan 40 % van de nieuwaarde waard zijn, de dagwaarde vergoeden. Dat zou per goed allemaal bepaald moeten worden en ook dat maakt deze vordering een onevenredige belasting van het strafproces. Een hoekbank die immers drie jaar geleden is gekocht (hetgeen niet wordt onderbouwd) voor kennelijk 2500 euro, zal na drie jaar echt niet meer dan een paar honderd euro waard zijn. In zo’n geval zou u dus bij de bank een paar honderd euro moeten vergoeden in plaats van de gevraagde 2500.
Ook wordt er bijvoorbeeld voor tien 5 jaar oude vishengels gevraagd, ook daarvoor geldt hetzelfde argument. Dit argument geldt eigenlijk voor alle goederen.
Ook valt op dat alles wel heel duur wordt geschat. Ik noem bijvoorbeeld 3 laptops die alle drie 1 jaar gelden zouden zijn gekocht voor in totaal 7600 euro. Dat zijn wel erg dure laptops, terwijl de bonnen van de laptops dan weer neerkomen op een laptop asus ROG van €1651,99, een asus vivoboek van €746,99 en een gamin laptop van Asus van 1300 euro. Overigens de eerste 2 een jaar oud, maar de laatste in 2016 gekocht.
Ook valt het in het kader van de strafzaak zelf op wat er nog meer allemaal in de tuin zou hebben gestaan
(Mercedes, jaguar, koelkast, scooter, compressor, aggregaat, grote bbq, dj tafel, etc etc.)
Lang verhaal kort: onmogelijk om vandaag toe te wijzen. Zou in een civiele procedure ook niet zo makkelijk gaan, want alles wordt betwist. Tenzij uw hof zegt neemt u het per goed door, dan zal ik dat doen.”
5.9
De steller van het middel klaagt dat het hof de niet-ontvankelijkverklaring van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] met betrekking tot de gevorderde inboedelschade ontoereikend heeft gemotiveerd. Volgens de steller van het middel leverde de behandeling van de vordering met betrekking tot de inboedelschade geen onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat het hof de omvang van de schade (althans van het eenvoudig vast te stellen deel) had kunnen schatten.
5.10
Het hof heeft geoordeeld dat behandeling van de vordering met betrekking tot de inboedelschade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Kennelijk heeft het hof geen gelegenheid gezien om de omvang van de inboedelschade te schatten, dan wel om de vordering te splitsen, zodat van een eenvoudig vast te stellen deel de omvang kan worden geschat.8.Dat (impliciete) oordeel vind ik niet onbegrijpelijk, gelet op de grote omvang van de gevorderde schade, de daaraan ten grondslag gelegde stukken (waaronder een beperkt aantal facturen) en hetgeen door de raadsman van de verdachte in hoger beroep naar voren is gebracht.
5.11
Het eerste middel dat namens de benadeelde partij [benadeelde 1] is voorgesteld, faalt.
6.Het tweede middel dat namens de benadeelde partij [benadeelde 1] is voorgesteld
6.1
Het tweede middel dat namens de benadeelde partij [benadeelde 1] is voorgesteld houdt in dat het hof de ingangsdatum van de wettelijke rente ten onrechte heeft bepaald op de dag waarop de verloren gegane kleding is aangeschaft (24 april 2021), en niet op de dag waarop de onrechtmatige daad werd gepleegd (23 april 2021).
6.2
Op de terechtzitting in hoger beroep van 19 juli 2024 heeft de advocaat van de benadeelde partij [benadeelde 1] onder meer vergoeding gevorderd voor de aanschaf van nieuwe kleding (post iii), ten bedrage van € 755,27, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het hof heeft deze vordering toegewezen en zijn beslissing als volgt gemotiveerd:
“Post iii.Door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte is de kleding van de benadeelde partij verloren gegaan, waardoor de benadeelde partij nieuwe kleding heeft moeten aanschaffen. Het hof is van oordeel dat de gevorderde schade in rechtstreeks verband staat met het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. Deze post is voorts voldoende onderbouwd, het gevorderde bedrag is alleszins redelijk en ook overigens komt het hof de vordering op dit punt niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat het hof de vordering ten aanzien van deze post volledig zal toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 april 2021, de datum die is vermeld op de overgelegde factuur.”
6.3
De benadeelde partij kan betaling van de wettelijke rente vorderen over het bedrag dat zij aan schade heeft geleden. Op grond van art. 6:83, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek is de wettelijke rente zonder ingebrekestelling verschuldigd vanaf het moment waarop de schade die het gevolg is van de onrechtmatige daad van de verdachte, is ingetreden.9.
6.4
De benadeelde partij heeft blijkens het verzoek tot schadevergoeding zowel (onder de post inboedelschade) vergoeding verzocht van de bij de brand verloren gegane kleding als vergoeding van de kosten van de kleding die ter vervanging is aangeschaft. Laatstgenoemde kostenpost heeft het hof aangemerkt als rechtstreekse schade. De vervangende kleding is blijkens de aan de schadevordering gevoegde bonnen op 24 april 2021 aangeschaft, op basis waarvan het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat die schade op 24 april 2021 is ontstaan. In het verlengde daarvan heeft het hof geoordeeld dat de ingangsdatum van de wettelijke termijn ook op die dag moet worden bepaald. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
6.5
Ten overvloede merk ik op dat deze klacht mijns inziens hoe dan ook niet tot cassatie zou moeten leiden, vanwege een gebrek aan belang bij de benadeelde partij: de extra wettelijke rente waarop de verdachte vanwege de wijziging van de aanvangsdatum recht zou hebben, is zeer gering.10.
6.6
Het middel kan niet leiden tot cassatie.
7.Het middel dat namens [betrokkene 1] , wettelijk vertegenwoordiger van de benadeelde partij [benadeelde 2] , is voorgesteld
7.1
Het middel dat namens [betrokkene 1] is voorgesteld houdt in dat het hof ten onrechte niet heeft gecontroleerd of de benadeelde partij [benadeelde 2] , van wie [betrokkene 1] de wettelijk vertegenwoordiger is, in eerste aanleg op de juiste wijze van de behandeling van de strafzaak op de hoogte is gesteld. Het middel houdt verder in dat het hof ten aanzien van [benadeelde 2] ten onrechte de schadevergoedingsmaatregel niet heeft opgelegd, althans dat het oordeel daaromtrent niet toereikend is gemotiveerd.
7.2
De advocaat van de benadeelde partij [benadeelde 2] (wettelijk vertegenwoordigd door [betrokkene 1] ) heeft bij pleidooi op de terechtzitting van 19 juli 2024 onder meer het volgende naar voren gebracht (zonder overneming van voetnoten):
“Deze vordering in hoger beroep wordt mede ingediend namens [betrokkene 1] in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige (7) [benadeelde 2] . Dit is de kleindochter van [benadeelde 1] en [betrokkene 2] . Zij was ook in het huis aanwezig ten tijde van de brand. In beginsel is het niet mogelijk dat [benadeelde 2] zich eerst in hoger beroep voegt als benadeelde partij, daar zal ik later dan ook op in gaan.
(…)
Wat [benadeelde 2] betreft had zij zich in eerste aanleg (ook) kunnen voegen, maar dit is om onduidelijke redenen niet gebeurd. Zij kan zich niet in hoger beroep alsnog voegen. Indien de andere slachtoffers wel worden ontvangen in hun vordering tot vergoeding van smartengeld en [benadeelde 2] valt buiten de boot, dat zou dat een zeer onbillijke uitkomst zijn. Daarom wordt uw hof gevraagd om in dat geval ook [benadeelde 2] als slachtoffer te erkennen en haar een zelfde schadevergoeding toe te kennen als haar vader en opa en oma. Dit kan ambtshalve via oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Immers, in het overzichtsarrest benadeelde partij staat: Los van een door de benadeelde partij ingestelde vordering kan de rechter ambtshalve de in art. 36f, eerste lid, Sr bedoelde schadevergoedingsmaatregel opleggen indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.”
7.3
De advocaat-generaal heeft als volgt op deze vordering gereageerd:
“Ten aanzien van [benadeelde 2] verwijs ik naar een arrest van het hof Den Haag, met vindplaats ECLI:NL:GHDHA:2020:2518, waaruit afgeleid zou kunnen worden dat het wettelijk systeem in de weg staat aan oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering namens [benadeelde 2] is ook niet zo vanzelfsprekend dat indien de vordering in eerste aanleg zou zijn ingediend en toegewezen, dat geen grond voor hoger beroep zou zijn. Op het moment dat een vordering pas in hoger beroep aan de orde komt en de schadevergoedingsmaatregel zou worden opgelegd, ontneem je de verdediging een feitelijke instantie. Dat betekent mijns inziens – misschien tegen mijn wens in – dat zij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering en dat ten behoeve van haar ook de schadevergoedingsmaatregel niet opgelegd dient te worden.”
7.4
In reactie op het standpunt van de advocaat-generaal heeft de advocaat van de benadeelde partij [benadeelde 2] nog aangevoerd:
“De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van [benadeelde 2] geen smartengeld moet worden toegekend, hetgeen ik onbegrijpelijk vind. Het zou niet uit te leggen zijn waarom iedereen wel een schadevergoeding zou krijgen, behalve het kleinkind. Het hoger beroep is er om fouten in eerste aanleg te repareren.”
7.5
Bij arrest van 2 augustus 2024 heeft het hof de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding. Op het verzoek van de advocaat om [benadeelde 2] als slachtoffer te erkennen en haar via de schadevergoedingsmaatregel een vergoeding toe te kennen, heeft het hof als volgt beslist:
“De advocaat van de benadeelde partij heeft het hof verzocht ook [benadeelde 2] , de minderjarige dochter van [betrokkene 1] , als slachtoffer te erkennen en haar via de schadevergoedingsmaatregel eenzelfde vergoeding toe te kennen als haar vader, opa en oma, te weten een bedrag van € 3.000,00.
Het hof overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 421, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is de benadeelde partij die zich niet overeenkomstig artikel 51g, eerste of derde lid, in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, daartoe onbevoegd in het geding in hoger beroep. Vast staat dat namens de minderjarige dochter van [betrokkene 1] in eerste aanleg geen voeging heeft plaatsgevonden zodat de vordering in zoverre niet-ontvankelijk is.
Het hof ziet voorts geen aanleiding om ambtshalve toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, waardoor het verzoek zal worden afgewezen.”
7.6
Onder verwijzing naar een tweetal arresten van de Hoge Raad (HR 14 oktober 1997, NJ 1998/156 en HR 14 september 1999, NJ 1999/722) wordt in de cassatieschriftuur het standpunt ingenomen dat het hof ambtshalve had moeten onderzoeken of [benadeelde 2] , die zich in eerste aanleg niet (via een wettelijk vertegenwoordiger) als benadeelde partij in het strafproces heeft gevoegd, voor de behandeling van de zaak in eerste aanleg op de juiste wijze was opgeroepen. Deze stelling vindt geen steun in de voornoemde jurisprudentie van de Hoge Raad: in de arresten waarnaar de steller van het middel verwijst, hadden de betrokkenen zich in eerste aanleg telkens wel als benadeelde partij gevoegd, maar bleek niet dat aan deze benadeelde partijen mededeling was gedaan over de behandeling van de zaak in hoger beroep (ex art. 413 lid 2 Sv).
7.7
Art. 421 lid 1 Sv schrijft voor dat de benadeelde partij die zich niet overeenkomstig art. 51g lid 1 of lid 3 Sv in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, daartoe onbevoegd is in het geding in hoger beroep. Er bestaat voor het hof geen verplichting om ambtshalve onderzoek te doen naar de redenen waarom een betrokkene zich in eerste aanleg niet als benadeelde partij heeft gevoegd. Voor een onderzoek naar de wijze van oproepen is ook geen plaats. De officier van justitie is verantwoordelijk voor het op de hoogte stellen van slachtoffers (art. 51ac lid 1 Sv) en benadeelde partijen (art. 51f lid 5 Sv) van de zitting.11.De rechtbank heeft vervolgens de mogelijkheid (en niet de plicht) te bevelen dat een niet verschenen benadeelde partij (in de zin van art. 51f Sv) zal worden opgeroepen om ter terechtzitting te verschijnen. Daarbij merk ik opdat de advocaat van [benadeelde 2] in hoger beroep niets heeft aangevoerd over mogelijke redenen waarom [benadeelde 2] zich in eerste aanleg niet als benadeelde partij heeft gevoegd. Het is mij om die reden ook onduidelijk waarnaar het hof dan onderzoek had moeten doen. Het middel faalt in zoverre.
7.8
De steller van het middel klaagt daarnaast dat het hof het verzoek om ambtshalve de schadevergoedingsmaatregel op te leggen aan de verdachte onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen door (enkel) te oordelen daartoe geen aanleiding te zien.
7.9
Op grond van art. 36f Sr kan de strafrechter aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ten behoeve van het slachtoffer of de personen genoemd in art. 51f lid 2 Sv, voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.12.Deze bevoegdheid heeft de rechter ook (ambtshalve) in het geval het slachtoffer geen schadevergoeding heeft gevorderd of niet in zijn vordering kan worden ontvangen.13.Het hof is, anders dan de steller van het middel betoogt, niet gehouden toe te lichten waarom het van deze ambtshalve bevoegdheid geen gebruik maakt. Daarbij merk ik op dat de advocaat van de benadeelde partij ter onderbouwing van het verzoek tot ambtshalve oplegging van de schadevergoedingsmaatregel enkel naar voren heeft gebracht dat het onbillijk zou zijn als de familieleden van [benadeelde 2] wel een schadevergoeding zouden ontvangen, maar zij niet. Dat het hof in deze (zeer summiere) toelichting geen reden heeft gezien de afwijzing van het verzoek te onderbouwen, acht ik niet onbegrijpelijk.
7.10
Het middel dat namens [betrokkene 1] , wettelijk vertegenwoordiger van de benadeelde partij [benadeelde 2] , is voorgesteld, faalt.
8. Slotsom
8.1
Het eerste middel dat namens de verdachte is voorgesteld faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering, het tweede middel slaagt. De namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [betrokkene 1] (wettelijk vertegenwoordiger van [benadeelde 2] ) voorgestelde middelen falen en kunnen eveneens worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.
8.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
8.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 11‑11‑2025
HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169, m. nt. N. Jörg, rov. 2.3.1-2.3.5.
Zie onder meer HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.3; zie ook: A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 86 en 304-305.
HR 16 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1307, rov. 3.4. Zie ook mijn conclusie voorafgaand aan het arrest van de Hoge Raad, randnummers 3.3 en verder.
Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.14-3.16.
HR 16 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1307, rov. 3.4.
Zie: HR 30 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3731, rov. 4.3 en HR 2 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:934, rov. 2.3-2.4. Zie ook concl. A-G Bleichrodt voor HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:893 (ECLI:NL:PHR:2021:336), randnummers 65-69.
O.a. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379, m. nt. W.H. Vellinga, rov. 2.8.4 en 2.8.7.
HR 8 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:531, rov. 2.3; HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379, m. nt. W.H. Vellinga, rov. 2.4.1 en 2.5.
Vgl. HR 14 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1558, rov. 2.4.
Zie Kamerstukken II 1990/91, 21345, 5, p. 9: “De leden van de C.D.A.-fractie vroegen wat de gevolgen zijn als de officier van justitie verzuimt het standaardformulier aan het slachtoffer te zenden. Bestaat er, zo vroegen deze leden, voor de officier van justitie een oproepingsplicht. Het antwoord hierop luidt ontkennend. Wel ligt het voor de hand dat als de officier van justitie tijdig ontdekt dat het slachtoffer niet in de gelegenheid is gesteld zich als benadeelde partij te voegen, hij ervoor zorg draagt dat dit alsnog op de zitting gebeurt. Als het verzuim echter pas na de zitting wordt ontdekt, is er geen mogelijkheid van herstel meer. Hieraan zijn geen rechtsgevolgen verbonden.”
HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379, m. nt. W.H. Vellinga, rov. 2.9.1.
HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379, m. nt. W.H. Vellinga, rov. 2.9.2.
Beroepschrift 25‑09‑2025
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Kamer voor Strafzaken
Postbus 20303
2500 EH 's‑Gravenhage
CASSATIESCHRIFTUUR
namens de benadeelde partij
Inzake:
[slachtoffer]
in zijn hoedanigheid van wettelijk
vertegenwoordiger van de minderjarige:
[minderjarige],
Benadeelde partij,
Domicilie kiezende ten kantore van zijn
raadsman: mr. R. van den Berg,
Advocaat bij Wolf Advocaten,
Gedempte Oude Gracht 35,
te (2011 GL) Haarlem.
Zaaknummer Hoge Raad: S 24/03030
Parketnummer: 23-000351-23
Edelhoogachtbaar college,
Namens de heer [slachtoffer], in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige [minderjarige], slachtoffer en benadeelde partij in het strafproces, verder te noemen: verzoeker, wordt deze schriftuur ingediend tegen het arrest van het Gerechtshof Den Bosch, uitgesproken op 2 augustus 2024 onder bovengenoemd rolnummer, waarin de vordering van de benadeelde partij niet ontvankelijk is verklaard en geen ambtshalve toepassing is gegeven aan het bepaalde in art. 36f Sr.
1. Middel I
Naar de mening van verzoeker dient het arrest van het hof te worden vernietigd nu het niet voldoet aan de eisen die de wet daaraan stelt, waardoor het arrest onbegrijpelijk is. Naar de mening van verzoeker is er sprake van schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans een zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de artikelen 359 (lid 5) Sv, 361 lid 4 Sv, 413 lid 2 Sv en 415 Sv. Volgens verzoeker heeft het hof ten onrechte niet ambtshalve gecontroleerd of verzoeker wel de kans heeft gekregen om zich (ook) namens de minderjarige [minderjarige] rechtsgeldig te kunnen voegen, dan wel dat verzoeker de mogelijkheid is ontnomen om haar belangen te kunnen behartigen. Voorts heeft het hof ten onrechte geoordeeld dat het geen aanleiding ziet om ambtshalve de schadevergoedingsmaatregel op te leggen, althans is dat oordeel niet met redenen omkleed en is het arrest daarom onbegrijpelijk gemotiveerd.
Toelichting
1.1.
Namens verzoeker is de vordering tot vergoeding van ander nadeel van de minderjarige [minderjarige] als volgt voorgedragen:
- 20.
Wat [minderjarige] betreft had zij zich in eerste aanleg (ook) kunnen voegen, maar dit is om onduidelijke redenen niet gebeurd. Zij kan zich niet in hoger beroep alsnog voegen. Indien de andere slachtoffers wel worden ontvangen in hun vordering tot vergoeding van smartengeld en [minderjarige] valt buiten de boot, dat zou dat een zeer onbillijke uitkomst zijn. Daarom wordt uw hof gevraagd om in dat geval ook [minderjarige] als slachtoffer te erkennen en haar een zelfde schadevergoeding toe te kennen als haar vader en opa en oma. Dit kan ambtshalve via oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Immers, in het overzichtsarrest benadeelde partij staat: Los van een door de benadeelde partij ingestelde vordering kan de rechter ambtshalve de in art. 36f, eerste lid, Sr bedoelde schadevergoedingsmaatregel opleggen indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.5
(…)
De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van [minderjarige] geen smartengeld moet worden toegekend, hetgeen ik onbegrijpelijk vind, Het zou niet uit te leggen zijn waarom iedereen wel een schadevergoeding zou krijgen, behalve het kleinkind. Het hoger beroep is er om fouten in eerste aanleg te repareren.
1.2.
Het gerechtshof heeft als volgt geoordeeld over de vordering van [minderjarige]:
Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]
De advocaat van de benadeelde partij heeft het hof verzocht ook [minderjarige], de minderjarige dochter van [slachtoffer], als slachtoffer te erkennen en haar via de schadevergoedingsmaatregel eenzelfde vergoeding toe te kennen als haar vader, opa en oma, te weten een bedrag van € 3.000,00.
Het hof overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 421, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is de benadeelde partij die zich niet overeenkomstig artikel 51g, eerste of derde lid, in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, daartoe onbevoegd in het geding in hoger beroep. Vast staat dat namens de minderjarige dochter van [slachtoffer] in eerste aanleg geen voeging heeft plaatsgevonden zodat de vordering in zoverre niet-ontvankelijk is.
Het hof ziet voorts geen aanleiding om ambtshalve toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, waardoor het verzoek zal worden afgewezen.
1.3.
Namens de minderjarige [minderjarige] is aangevoerd dat onduidelijk is (gebleven) waarom zij zich niet al in eerste aanleg heeft kunnen voegen. De minderjarige [minderjarige] was niet in eerste aanleg ter zitting verschenen. Het is onduidelijk (gebleven) of verzoeker in eerste aanleg enkel pro se of ook q.q. is opgeroepen? Het hof had moeten controleren of dit in eerste aanleg wel goed is gegaan. Immers, de rechter dient ambtshalve te controleren of een niet verschenen benadeelde partij op de juiste wijze is opgeroepen. Als deze mededeling is verzuimd en de benadeelde partij niet ter terechtzitting is verschenen, dan moet de strafzaak worden aangehouden om dit verzuim te herstellen. Anders wordt de benadeelde partij de mogelijkheid onthouden haar belangen ter zitting te behartigen, aldus HR 14 oktober 1997, NJ 1998,156 en HR 14 september 1999, NJ 1999, 722.
1.4.
Het hof heeft zich wel bewust getoond van deze controlerende taak ten aanzien van, de niet ter zitting in hoger beroep verschenen, K. Gerrits. Kennelijk ingegeven door de — invoelbare — wens niet opnieuw te hoeven aanhouden is ten aanzien van K. Gerrits namelijk wel met ambtshalve toepassing van art. 36f Sr een schadevergoeding toegewezen. Ondanks dat het hof niet heeft kunnen vaststellen of deze K. Gerrits nog wel een vergoeding van de verdachte verlangde, is er in haar zaak voor een ruimhartige en praktische insteek gekozen. Op zichzelf is daar wat verzoeker betreft ook weinig op tegen, maar het roept wel de vraag op waarom de minderjarige [minderjarige] niet dezelfde ruimhartigheid ten deel is gevallen?
1.5.
Het hof overweegt in het geval van [minderjarige] slechts dat zij zich niet heeft gevoegd in eerste aanleg. Dat is op zichzelf juist, maar de vraag is waarom dat niet is gebeurd. En daardoor blijft de mogelijkheid bestaan dat [minderjarige] zich buiten haar schuld om (verschoonbaar) niet in eerste aanleg heeft kunnen voegen, en haar recht op een eerlijk proces (vide art. 6EVRM) niet is gewaarborgd. Het hof heeft verzuimd dit te controleren. Een gebrek in de oproeping had aanleiding kunnen c.q. moeten geven voor het hof om de minderjarige [minderjarige] alsnog te ontvangen in haar vordering.
Dan wel ambtshalve, en met dezelfde welwillendheid als in het geval van K. Gerrits, de
schademaatregel op te leggen.
1.6.
Voorts is onbegrijpelijk 's hofs oordeel om het verzoek tot ambtshalve toepassing van de schademaatregel af te wijzen met als motivering dat het hof daartoe ‘geen aanleiding’ ziet. Aanleiding kon immers worden gevonden in hetgeen daarover namens de benadeelde is aangevoerd: het beroep op het gelijkheidsbeginsel. Immers, ook [minderjarige] was in de woning aanwezig ten tijde van de brandstichting. Het bewezenverklaarde heeft dus ook schade (i.c. ander nadeel) toegebracht aan de minderjarige [minderjarige], en de verdachte is daarvoor naar burgerlijk recht aansprakelijk. Haar omstandigheden waren precies dezelfde als die van haar overige familieleden, die wel een schadevergoeding hebben gekregen. Door in het geheel niet te responderen op het gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel is de uitspraak niet met redenen omkleed en is het arrest onbegrijpelijk gemotiveerd. De uitspraak kan daarom niet in stand worden gelaten, aldus verzoeker.
Redenen waarom:
Uw Raad wordt verzocht om de bestreden uitspraak te vernietigen, maar uitsluitend voor wat betreft de beslissing over de vordering van de benadeelde partij, de strafoplegging en de opgelegde maatregel, dan wel zodanige beslissing te nemen die uw Raad in goede justitie de juiste acht.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. R. van den Berg, advocaat te Haarlem, die bij dezen verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker.
Haarlem 25 september 2025
Advocaat
Beroepschrift 25‑09‑2025
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Kamer voor Strafzaken
Postbus 20303
2500 EH 's‑Gravenhage
CASSATIESCHRIFTUUR
namens de benadeelde partij
Inzake:
[benadeelde 1]
Benadeelde partij,
Domicilie kiezende ten kantore van zijn raadsman: mr. R. van den Berg,
Advocaat bij Wolf Advocaten,
Gedempte Oude Gracht 35,
te (2011 GL) Haarlem.
Zaaknummer Hoge Raad: S 24/03030
Parketnummer: 23-000351-23
Edelhoogachtbaar college,
Namens de heer [benadeelde 1], benadeelde partij in het strafproces, verder te noemen: verzoeker, wordt deze schriftuur, houdende twee middelen van cassatie, ingediend tegen het arrest van het Gerechtshof Den Bosch, uitgesproken op 2 augustus 2024 onder bovengenoemd rolnummer, waarin de vordering van de benadeelde partij deels niet ontvankelijk is verklaard.
1. Middel I
Naar de mening van verzoeker dient het arrest van het hof te worden vernietigd nu het niet voldoet aan de eisen die de wet daaraan stelt, waardoor het arrest onbegrijpelijk is. Naar de mening van verzoeker is er sprake van schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans een zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de artikelen 6:97 BW, 361 lid 4 Sv (lid 2) en 415 Sv. Immers, het hof heeft het verzoek tot vergoeding van geleden inboedelschade op onbegrijpelijke gronden niet ontvankelijk verklaard. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, kan het arrest dan ook niet in stand blijven, zodat uw Raad wordt gevraagd het arrest te vernietigen.
Toelichting
1.1.
Namens verzoeker is de vordering tot schadevergoeding van geleden inboedelschade als volgt voorgedragen:
- ‘12.
Benadeelde vordert schadevergoeding omdat zijn inboedel door de brand is verteerd. Het komt benadeelde voor dat het bestaan van deze schade niet kan worden ontkend. Deze schadepost vindt steun in het strafdossier. Het probleem bij deze schadepost zit niet zozeer in de vraag of er schade is geleden, maar in de vraag: hoeveel schade er is geleden. Het betreft aldus een schadepost waarvan de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. In dat geval bepaalt art. 6:97 BW dat de rechter de schade kan schatten. Volgens de Hoge Raad moet de rechter dit doen wanneer de rechter het bestaan van een schadepost aannemelijk acht, en de rechter van oordeel is dat de omvang van die schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld.2
- 13.
In casu doet deze situatie zich hier voor. Het staat wat benadeelde betreft buiten kijf dat de inboedel verloren is gegaan en er dus (veel) schade is geleden. Deze schade laat zich moeilijk begroten. Dat komt omdat bij lange na niet alle aankoopbewijzen bewaard zijn gebleven. Deze bewijsnood is het gevolg van verdachtes handelen. Verdachte zou niet moeten kunnen profiteren van deze door hem zelf in het leven geroepen bewijsnood. Er zouden daarom geen al te hoge eisen aan het bewijs mogen worden gesteld, aldus benadeelde. Benadeelde heeft een overzicht gemaakt van alle inboedelgoederen en een opgave gedaan van de waarde van die goederen. Op deze wijze is de waarde van de inboedel begroot op een bedrag van € 124.986,15. Uw hof wordt verzocht om deze vordering tot dat bedrag, dan wel een ander door uw hof in goede justitie te begroten bedrag, toe te wijzen.’
1.2.
Bij de uitoefening van het spreekrecht heeft verzoeker het navolgende gezegd over de schade aan de inboedel:
‘De dagen, weken en maanden daarna leefden wij in een waas. Wij waren alles kwijt. Geen kleding, geen persoonlijke bezittingen, geen aandenken meer van onze overleden ouders van ons beide alles in vlammen op gegaan, was weg.’
1.3.
De verdediging heeft het bestaan van de schade niet betwist. Ook is niet betwist dat er geen verzekeringsdekking bestond voor de verloren gegane inboedel. Wel is bepleit dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting voor het strafproces zou vormen. Voorts zou de omvang van de schade niet kunnen worden geschat, aldus de verdediging. Namens de benadeelde partij is, ter weerlegging van het door de verdediging gevoerde verweer, het volgende ter terechtzitting naar voren gebracht:
‘Dat de vordering te groot en te complex zou zijn, gaat mijns inziens niet op. Uw hof heeft alle partijen ruimschoots de mogelijkheid gegeven naar voren te brengen wat voor die partij van belang is, ook ten aanzien van de vordering. Er wordt vervolgens gezegd dat het een onevenredige belasting zou zijn. Het gaat er niet om hoelang iets duurt. Het zou complex worden indien er bijvoorbeeld nog een arts zou moeten worden ingeschakeld, hetgeen hier niet het geval is. Er is sprake van een vrij eenvoudige vordering. Ook de situatie dat er mogelijk zou moeten worden geschat, maakt nog niet dat de vordering zorgt voor een onevenredige belasting van het strafgeding. Daarvoor verwijs ik naar een arrest van de Hoge Raad van 28 juni 1991, NJ 1991 nummer 746. Uit rechtsoverweging 3.3 volgt: als feiten komen vast te staan waaruit in het algemeen het geleden zijn van schade kan worden afgeleid, staat het de rechter vrij om zonder bewijs aannemelijk te achten dat schade is geleden en te schatten. Als uw hof tot een bewezenverklaring komt, dan betekent dat dat uw hof aanneemt dat er brand is gesticht en dan mag u de schade schatten. Dit levert aldus geen onevenredige belasting van het strafgeding op. Verzoek is dan’
1.4.
Het gerechtshof heeft bij eindarrest de vordering niet ontvankelijk verklaard en dit als volgt gemotiveerd:
‘Post ii.
Het hof is van oordeel dat behandeling van de vordering betrekking hebbende op de inboedelschade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Niet betwist is dat de inboedel door de brand verloren is gegaan en voorts staat vast dat de benadeelde partij [benadeelde 1] voor inboedelschade niet was verzekerd. In het licht van de gemotiveerde betwisting van deze schadepost die uit vele onderdelen bestaat, zou een nadere conclusiewisseling moeten plaatsvinden en/of een nadere zitting worden bepaald om een en ander te bespreken. Daarvoor leent het strafproces zich echter niet. Het hof zal de vordering van de benadeelde partij met betrekking tot post ii. derhalve niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.’
1.5.
De beslissing dat de behandeling van de vordering benadeelde partij met betrekking tot de gevorderde inboedelschade een onevenredige belasting van het strafproces oplevert omdat daarvoor een nadere conclusiewisseling en/of zitting nodig zou zijn is een ontoelaatbare verrassingsbeslissing, aldus verzoeker. Er zijn in de procedure bij het hof meerdere (regie-)zittingen geweest en toen is niet (eerder) over de vermeende noodzaak van een nadere conclusiewisseling en/of zitting gesproken. Daarnaast hebben partijen, zo blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting, alle gelegenheid gekregen om op elkaars standpunten te reageren. Voorts maakt het enkele feit dat de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld (nog) niet dat de vordering om die reden een onevenredige belasting van het strafproces vormt, aldus verzoeker. Bovendien miskent het hof het grote belang dat benadeelde partijen erbij hebben om op een eenvoudige wijze schadeloosgesteld te worden voor de schade die zij door een strafbaar feit hebben geleden. Uw Raad heeft (mede) om die reden het overzichtsarrest gewezen, om te voorkomen dat de strafrechter vaker dan nodig gebruik maakt van zijn bevoegdheid een benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren omdat hij vindt dat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren.1.
1.6.
In voornoemd overzichtsarrest worden handvatten aangereikt om de omvang van de schade te schatten. Het is ook mogelijk dat de schade wordt opgesplitst in een gedeelte dat eenvoudig te begroten is, en een gedeelte dat minder eenvoudig is vast te stellen. De rechter heeft dan de mogelijkheid om de vordering gedeeltelijk niet ontvankelijk te verklaren. In het overzichtsarrest wordt dit als volgt verwoord: Het staat de rechter vrij in zijn oordeel over een vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk een inhoudelijke beslissing te nemen in de vorm van een toe- of afwijzing, en de vordering voor het resterende deel niet-ontvankelijk te verklaren. Een dergelijke splitsing van de vordering maakt het voor de strafrechter mogelijk te beslissen over dat deel van de vordering waarvan de behandeling niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, terwijl de benadeelde partij het resterende deel van haar vordering aan de burgerlijke rechter kan voorleggen. (…) Met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 2.4 reeds is overwogen, begroot de rechter de schade op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Indien de omvang van de schade zonder nader onderzoek dat een onevenredige vertraging van het strafgeding zou opleveren, niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, kan die omvang in veel gevallen worden geschat (art. 6:97 BW). De rechter dient in zijn motivering van die schatting zoveel mogelijk aan te sluiten bij de vaststaande feiten. 2.
1.7.
In het licht van wat daarover namens verzoeker op de terechtzitting naar voren is gebracht, zulks onder verwijzing naar relevante uitspraken van uw Raad; en hetgeen uw Raad daarover in het overzichtsarrest heeft opgemerkt, is 's hofs oordeel dat de gehele vordering ten aanzien van de verloren gegane inboedel een onevenredige belasting van het strafproces vormt is, onbegrijpelijk gemotiveerd. Vooral nu het hof wel — met recht — heeft vastgesteld dat er (veel) schade is geleden als gevolg van de bewezenverklaarde brandstichting, terwijl die schade niet wordt vergoed door een verzekeraar. Onduidelijk is dan ook wat het hof bedoelt met ‘de gemotiveerde betwisting’. Wat behelst die gemotiveerde betwisting? En wat valt er überhaupt nog (gemotiveerd) te betwisten op het moment dat het hof — met juistheid — heeft vastgesteld dat door de bewezenverklaarde brandstichting schade is veroorzaakt aan de inboedel? Dan is er alleen nog een begrotingsvraagstuk te beantwoorden. En dat betekent dat het hof de omvang van de schade, al dan niet met gebruikmaking van de schattingsbevoegdheid, had dienen te begroten. Voor zover er sprake zou zijn van een vermeende onevenredige belasting van het strafproces, heeft het hof verzuimd te motiveren waarom er (in dat geval) niet een splitsing is gemaakt tussen het eenvoudig vast te stellen deel, en het onevenredig belastende deel van de vordering. Gelet op al het voorgaande is de uitspraak van het hof onbegrijpelijk gemotiveerd en kan deze niet in stand worden gelaten, aldus verzoeker.
2. Middel II
Naar de mening van verzoeker dient het arrest van het hof te worden vernietigd nu het niet voldoet aan de eisen die de wet daaraan stelt, waardoor het arrest onbegrijpelijk is. Naar de mening van verzoeker is er sprake van schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans een zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de artikelen 6:83 aanhef en onder b BW jo. 6:119 BW, en de artikelen 361 lid 4 Sv (lid 2) en 415 Sv.
Toelichting
2.1.
Het hof heeft ten aanzien van de gevorderde kleding (post iii) de ingangsdatum van de wettelijke rente bepaald op 24 april 2021, de datum die vermeld is op de overgelegde factuur. Dit terwijl was gevorderd om de wettelijke rente te laten ingaan vanaf de dag waarop het misdrijf c.q. de onrechtmatige daad werd gepleegd, oftewel 23 april 2021.
2.2.
Uit het oordeel van het gerechtshof komt impliciet naar voren dat de gevorderde wettelijke rente vanaf de pleegdatum is afgewezen, en in plaats daarvan een andere ingangsdatum is bepaald. Een duidelijke afwijzing ontbreekt, en datzelfde geldt ook voor een deugdelijke motivering. Klaarblijkelijk is de aanschafdatum van de verloren gegane kleding als startpunt voor de wettelijke rente genomen, omdat — zo verstaat verzoeker het hof op dit punt — de aankoopdatum van de nieuwe kleding het moment zou zijn waarop verzoeker in zijn vermogen wordt aangetast. Echter, volgens verzoeker is niet het moment waarop de kleding is vervangen het startpunt voor de wettelijke rente, maar het moment waarop de brand werd gesticht c.q. de onrechtmatige daad werd gepleegd. Immers, gelet op art. 6:119 lid 1 BW is de wettelijke rente verschuldigd over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening van een geldsom in verzuim is geweest. In art. 6:83 aanhef en onder b BW staat dat het verzuim zonder ingebrekestelling intreedt wanneer de verbintenis voortvloeit uit onrechtmatige daad. Opzettelijke brandstichting is een onrechtmatige daad, dus is de pleegdatum het moment waarop het verzuim zonder ingebrekestelling intreedt en de wettelijke rente gaat lopen. De pleegdatum is 23 april 2021 derhalve is 23 april 2021 ook de ingangsdatum voor de wettelijke rente, aldus verzoeker.
Redenen waarom:
Uw Raad wordt verzocht om de bestreden uitspraak te vernietigen, maar uitsluitend voor wat betreft de beslissing over de vordering van de benadeelde partij, de strafoplegging en de opgelegde maatregel, dan wel zodanige beslissing te nemen die uw Raad in goede justitie de juiste acht.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. R. van den Berg, advocaat te Haarlem, die bij dezen verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker.
Haarlem 25 september 2025
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 25‑09‑2025
HR 28-05-2019, ECLI:NL:HR:2019:793, m.nt. W.H. Vellinga (rov. 2.1).
HR 7 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1435 (r.o. 4.1.1 en 4,1.2) en in gelijke zin: HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:BR5211; HR 28 juni 1991, NJ 1991/746 r.o. 3.3.
Beroepschrift 19‑06‑2025
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te Den Haag
Griffienummer: S 24/03030
Betekening aanzegging: 23 april 2025
Cassatieschriftuur
Inzake:
[verdachte],
wonende te [woonplaats],
verdachte,
advocaten: R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo
dossiernummer: D20250145
Edelhoogachtbare Heren, Vrouwen:
Inleiding
Ondergetekenden, als daartoe door de verdachte bijzonder gevolmachtigd, R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, advocaten te Rotterdam, hebben hierbij de eer aan u Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur van cassatie ten vervolge op het namens [verdachte] ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch d.d. 2 augustus 2024, en alle beslissingen die door het hof ter terechtzitting(en) zijn genomen.
In genoemd arrest heeft het hof de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van vorderingen van benadeelde partijen. In eerste aanleg is verdachte vrijgesproken.
Middelen van cassatie
Als gronden van cassatie hebben ondergetekenden de eer voor te dragen:
Middel I
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de artt. 359a jo. 415 Sv, en wel omdat het hof weliswaar (terecht) heeft vastgesteld dat vanwege vernietiging van een eerder inbeslaggenomen jerrycan het door verdachte gevraagde onderzoek niet is verricht en ook niet meer mogelijk is zodat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim a.b.i. art. 359a Sv en het hof het verweer dat dit dient te leiden tot strafverlaging op onjuiste, althans onbegrijpelijke gronden heeft verworpen.
Toelichting
1.1
Aan verdachte is tenlastegelegd, dat:
‘hij op of omstreeks 23 april 2021 te [a-plaats], in elk geval in Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een woning (gelegen aan de [a-straat 01]) door opzettelijk benzine, in elk geval (een) dergelijk(e) vluchtige ontbrandbare vloeistof, over/tegen een partytent (die in de achtertuin parallel aan de achtergevel van voornoemde woning bij de erfafscheiding stond) en/of over/tegen voornoemde woning te spuiten en/of uit te gieten en/of te sprenkelen en/of (vervolgens) voornoemde partytent en/of woning en/of voornoemde vluchtige ontbrandbare vloeistof in aanraking te brengen met (open) vuur, ten gevolge waarvan die partytent en/of voornoemde woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,
en daarvan gemeen gevaar voor voornoemde woning en/of zich daarin bevindende goederen en/of voor belendende woning(en) en/of zich in die belendende woning(en) bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor zich in die woning aanwezige personen en/of voor de in belendende woning(en) aanwezige perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was.’
1.2
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 19 juli 2024 is gerelateerd dat de verdediging het woord heeft gevoerd overeenkomstig de inhoud van de overgelegde pleitnota. Hierin is onder meer aangevoerd:
- ‘4.
De A-G heeft tijdens de vorige zitting al verklapt uitgebreid — en een stuk meer dan in eerste aanleg is gedaan — stil te zullen staan bij de redengevendheid van het bewijs. Daarbij wordt zelfs een ongebruikelijke bewijstheorie gebruikt, die van de probabilistische cq holistische benadering. AG zegt tijdens het requisitoir van zojuist: het is een juridisch en bijna deskundig betoog. De AG is geen deskundige. Waarover straks meer. Kennelijk heeft het OM veel tekst en kunstgrepen nodig om met een eis te komen. Dat doet mij denken aan een uitspraak die ik laatst in de politiek voorbij hoorde komen toen de VVD met een paginagroot artikel in de krant kwam waarin werd uitgelegd waarom zij een dag na de verkiezingen aangaven niet in een kabinet te zullen stappen: if you're explaining you're losing (oorspronkelijk van Ronald Reagan). Maar laat ik mijn pleidooi starten met het vonnis eerste aanleg te citeren: Uit het onderzoek is naar het oordeel van de rechtbank niet duidelijk geworden wanneer precies en op welke plek de brand is ontstaan. Welke exotische theorie je er ook op los laat, het gaat om vaststellingen en niet kan worden vastgesteld wanneer de brand is ontstaan, niet kan worden vastgesteld waar de brand is ontstaan, niet kan worden vastgesteld — aan de hand van beelden of getuigen — wie de brand aansteekt, niet kan worden vastgesteld of er überhaupt met opzet brand is gesticht, en niet kan worden vastgesteld hoe de brand is gestart — met andere woorden wat de oorzaak van de brand is geweest.
- 5.
In aanvulling daarop. Wij zijn tijdens de inhoudelijke behandeling vandaag uren bezig geweest met het oplossen van de brand. In de zin: hoe, waar, wat. Aan de hand van de beelden. Maar dat kom je niet uit. Wij zijn ook geen deskundigen, en deskundigen hebben niet gezegd: daar en daar is het begonnen.
- 6.
Tijdens het tonen van de beelden vandaag van het tanken zegt de AG:
‘onze theorie past beter bij deze beelden dan de theorie van de verdediging wat mij betreft’
→ Gaat niet om passen of niet passen, waarschijnlijker of niet waarschijnlijker. Gaat om de lat van wettig en overtuigend bewijs.
- 7.
Tijdens het lange bekijken vandaag van de beelden van de flitsen in de partytent en waar de brand mogelijk zou zijn begonnen zegt de AG:
‘Ik weet niet waar de brand start, waar die eindigt of hoe die brand zich ontwikkelt’
— * Hoe kan je dan stellen dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [verdachte] hier verantwoordelijk voor zou zijn?
- 8.
AG stelt tijdens requisitoir dat verdediging de bewijsmiddelen allemaal apart weegt. Terwijl de AG dat we het in samenhang moeten doen, en heeft het dan over prior odds, noemt likelyhood ratio, allerlei getallen. Vervolgens gaat de AG inhoudelijk precies doen waar zij de verdediging van beticht. Elk detail wordt apart benoemd, en later niet als geheel bezien. Ook noemt de AG zelf allerlei alternatieve scenario's.
Bewijsuitsluiting
- 9.
Qua inhoud van de verweren zal ik starten waar we de vorige zitting in november 2023 zijn gebleven. Ik heb al een preliminair N-O verweer gevoerd, hetgeen u helaas heeft afgewezen. Ik zal alle vereisten van 359a Sv niet allemaal nogmaals doorlopen, maar die standpunten van de verdediging in het preliminair verweer gelden nog onverkort. Vanwege ditzelfde onherstelbare vormverzuim verzoek ik u om te komen tot bewijsuitsluiting in de zin van artikel 359a Sv. Ik verzoek u om vanwege de ernst van het vormverzuim het resultaat van het benzine vergelijkende onderzoek niet langer mee te nemen in uw overwegingen en om die dus uit te sluiten van het bewijs. Zeker ook omdat het vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is dat het noodzakelijk kan worden gevonden om bewijs uit te sluiten om een schending van art. 6 EVRM te voorkomen. Ook meen ik dat een strafvorderlijk voorschrift in aanzienlijke mate is geschonden en dat toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk moet worden geacht als middel om een toekomstig vergelijkbaar vormverzuim te voorkomen.
- 10.
U zou het ook kunnen vergelijken met de problematiek die zich in veel ‘rijden onder invloed zaken’ afspeelt. Als iemand niet op een recht op tegenonderzoek wordt gewezen kan iemand het bewijs ook niet adequaat aanvechten en leidt dat tegenwoordig standaard tot een vrijspraak. In casu heeft [verdachte] het bewijs evenmin adequaat kunnen aanvechten en dus lijkt mij ook om die reden bewijsuitsluiting een aangewezen reactie.
- 11.
In eerste aanleg komt de rechtbank in de zaak van [verdachte] vrij snel tot de conclusie dat sprake is van een ernstig vormverzuim. De vraag waar men vooral bij stil staat is die van of er nadeel voor de verdachte is veroorzaakt.
Het nadeel dat er is veroorzaakt
- 12.
Dat nadeel is glashelder. De waarheidsvinding is onmogelijk gemaakt. En uw rechtbank kan de bewijswaarde van het vergelijkend onderzoek niet op waarde schatten, hetgeen evident nadeel oplevert voor [verdachte], want zou ook de benzine bij de buren zijn overeengekomen dan zou de zaak en de positie van [verdachte] er anders voorstaan.
- 13.
Dat nadeel daar zal ik hier in hoger beroep nader op moeten ingaan. Immers heeft de rechtbank in eerste aanleg beoordeeld dat sprake was van vormverzuimen door het vernietigen van de jerry can inclusief de dop van de buren, maar verbindt de rechtbank daar geen consequenties aan, omdat er geen concreet nadeel voor cliënt zou zijn.
- 14.
De rechtbank construeert dit door te verwijzen naar het verhoor van [naam 2] bij de rc. Kort gezegd komt hetgeen [naam 2] zegt er volgens mij op neer dat een bij hetzelfde pompstation gevulde tank benzine uit een tank van no 17 en benzine van datzelfde pompstation uit een tank van no 19 niet te onderscheiden zouden zijn, louter in het geval de tanks beide leeg waren op het moment dat zij worden gevuld hij het benzinestation.
- 15.
De rechtbank stelt dan dat — omdat cliënt op zitting heeft verklaard dat de oranje jerrycan eerder was gebruikt — dat er daarom wel een restje benzine in moet hebben gezeten. Maar dat is een stap die de rechter naar ik meen niet kan zetten. Niemand weet natuurlijk, ook client niet, of er daadwerkelijk nog een restje benzine in de oranje jerry can heeft gezeten. Of een jerry can eerder gebruikt is of dat een jerry can leeg is, dat zijn twee verschillende dingen. Eerder gebruikt betekent niet automatisch ook dat hij niet leeg is. Ik vraag uw Hof niet mee te gaan in de vaststelling van de rechtbank dat er wel een restje in de jerry can moet hebben gezeten, want er zijn geen stukken waar dat uit is gebleken. We weten dat simpelweg niet. En als u mij daarin volgt, en de kans aanneemt dat de tank wel degelijk leeg zou kunnen zijn, dan is er dus wel een reële mogelijkheid dat het onderzoek naar de jerry can van de buren wél wat had opgeleverd. Immers kunnen wij nu niet meer vaststellen of de benzine in de tank van de buren misschien wel dezelfde samenstelling had en wel uit dezelfde batch komt als bij het tankstation. En de mogelijkheid dat dit benzine kan zijn geweest uit dezelfde batch is ook niet onaannemelijk gezien het feit dat de pomp vlak bij het huis ligt van zowel [verdachte] als zijn buren. En omdat de buren allerlei goederen hadden zoals aggregaten en scooters, die zij vulden met jerry cans. Er zijn immers ook jerry cans bij de buren aangetroffen. Het is dus hélemaal niet zo onaannemelijk dat de benzine uit dezelfde batch komt.
- 16.
De poortraadsheer stelt in reactie op de onderzoekswensen in hoger beroep tot het horen van [naam 2] overigens dat het Hof kan veronderstellen dat er in beide jerry cans geen restjes benzine meer zat om mee te testen. Een rare stellingname. Maar ook hiervan zeg ik dat ook dat niet is vast te stellen simpelweg omdat onderzoek naar de jerry can niet meer kan worden uitgevoerd.
- 17.
Dit alles levert dus wel degelijk concreet en zeker niet verwaarloosbaar nadeel voor de verdediging op omdat — indien de jerry can van de buren wel dezelfde motorbenzine zou bevatten — dit ontlastend bewijs voor de verdediging zou opleveren. Zonder het benzinebewijs houden we immers weinig over omdat we een daadwerkelijke brandstichting niet op beelden hebben staan.
Strafvermindering
- 18.
Mocht u ook daar anders over denken dient het ieder geval tot een flinke strafkorting te leiden zodat er in ieder geval een duidelijk signaal richting opsporing gaat. Ik kan mij echter niet voorstellen dat uw hof daar aan toekomt omdat zoals al aangegeven [verdachte] dient te worden vrijgesproken in deze zaak en dat brengt mij direct bij de inhoud.
(…)’
1.3
In het arrest heeft het hof het verweer strekkende tot strafverlaging verworpen. Daartoe heeft het hof onder meer overwogen/geoordeeld:
‘De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig de ter terechtzitting overgelegde pleitnota, bepleit dat
- a.
sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, nu de (dop van de) jerrycan van [benadeelde 1] (‘hierna steeds: [benadeelde 1]) is vernietigd. De verdediging kan derhalve niet vaststellen of de benzine in de vernietigde jerrycan dezelfde samenstelling had als de onder de verdachte inbeslaggenomen jerrycan en ook kan hierdoor niet meer worden vastgesteld of de benzine in de jerrycan van [benadeelde 1] uit dezelfde batch afkomstig was als die van het nabijgelegen tankstation.
Dit levert voor de verdediging een concreet en zeker niet verwaarloosbaar nadeel op. Wanneer de jerrycan van de buren dezelfde motorbenzine zou hebben bevat, zou dit immers ontlastend bewijs voor de verdediging hebben opgeleverd. De verdediging stelt zich derhalve op het standpunt dat, gelet op de ernst van het vormverzuim, de resultaten van het benzine vergelijkend onderzoek ziende op de jerrycan van de verdachte dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Indien het hof niet overgaat tot bewijsuitsluiting, dient het onherstelbaar vormverzuim te leiden tot strafvermindering.
(…)
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Ad a.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 1 december 2020 (ECLI:NL:HR:1889) onder meer het volgende over de toepassing van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering overwogen:
(…)
Uit het procesdossier blijkt dat de verdediging op 25juni 2021 heeft gevraagd eenzelfde (onderstreping: hof) onderzoek als is verricht aan de onder de verdachte inbeslaggenomen jerrycan te verrichten aan de jerrycan die onder [benadeelde 1] in beslag is genomen.
Vervolgens is volgens de verdediging op 7 juli 2021 verzocht of dit onderzoek nog mogelijk was. Op 8 september 2021 is er een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt (pagina 68) waaruit naar voren kwam dat de jerrycan leeg was en dat er geen druppel meer uit kwam.
De verdediging heeft vervolgens op 14 september 2021 verzocht of na kon worden gegaan of bemonstering aan de dop van de jerrycan moge lijk was. Hierop is op 18 oktober 2021 een aanvullend proces-verbaal van bevindingen opgemaakt. Uit dit proces-verbaal volgt dat inderdaad de dop van de jerrycan van de verdachte is bemonsterd en onderzocht, maar dat niet de (samenstelling van de) vloeistof is onderzocht, maar onderzocht is op aanwezige DNA-sporen. Dat de dop van de jerrycan van [benadeelde 1] DNA-sporen van [benadeelde 1] zou bevatten, zou volgens voornoemd proces-verbaal niets opleveren omdat de jerrycan uit de woning van [benadeelde 1] komt en dat het daarom aannemelijk is dat hier zijn DNA op zou zitten. Voorts is in het proces-verbaal gerelateerd dat naar aanleiding van het proces-verbaal omtrent het ontbreken van een restje vloeistof in de jerrycan op 27 september 2021 door de hulpofficier van justitie contact is gelegd met de beslagene [benadeelde 1], dat aan [benadeelde 1] toen is medegedeeld dat de jerrycan terug mocht en dat [benadeelde 1] hierop zou hebben aangegeven dat de jerrycan kon worden vernietigd. Hierop is de jerrycan vernietigd. De kennisgeving van inbeslagneming werd hierop aangepast, door middel van een vervolgbeslissing. Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt dat die beslissing abusievelijk werd genomen zonder overleg met het Openbaar Ministerie, hetgeen wel had moeten plaatsvinden volgens de Aanwijzing inbeslagneming.
Het hof stelt vast dat er geen onderzoek is verricht aan (de dop van) de jerrycan en dat dit vanwege vernietiging van de jerrycan ook thans niet meer mogelijk is. Het hof concludeert dat daarmee, nog daargelaten wat het onderzoek van de verdediging zou hebben ingehouden, of wat praktisch mogelijk zou zijn geweest, bij het voorbereidend onderzoek een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift en het recht van de verdediging om onderzoek te kunnen verrichten ernstig is geschonden, waardoor de verdachte door het verzuim in zijn verdediging is geschaad en derhalve sprake is van een onherstelbaar vormverzuim waarvan de rechtsgevolgen niet blijken uit de wet. Resteert de vraag of en zo ja, welke consequentie aan dat vormverzuim, rekening houdend met de in artikel 359a, tweede lid, Sv genoemde wettelijke beoordelingsfactoren en met inachtneming van het hiervoor genoemde uitgangspunt van subsidiariteit, moet worden verbonden.
(…)
Bewijsuitsluiting?
(…)
Duidelijk is echter dat het de bedoeling was van de verdediging om de dop naar de samenstelling van eventueel daarin of daaraan aanwezige benzineresten te laten onderzoeken en in zoverre is — zoals hiervoor al geconstateerd — sprake van een onherstelbaar vormverzuim. Noch daargelaten de beantwoording van de vraag of er sprake was van (voldoende) benzineresten in/aan de dop van de jerrycan van [benadeelde 1] in het licht van het gegeven dat in de desbetreffende jerrycan zelf kennelijk geen restje vloeistof meer aanwezig was dat onderzocht kon worden, blijkt uit voornoemd proces-verbaal van bevindingen van 18 oktober 2021 dat geen sprake is geweest van moedwillige vernietiging van de jerrycan van [benadeelde 1], maar dat eerder sprake is geweest van een misverstand en in ieder geval geen sprake is geweest van een vormverzuim dat zich bij herhaling dan wel structureel voordoet en in welk kader het van belang is of kan zijn om een signaal af te geven. Het hof acht bewijsuitsluiting aldus ook niet om die reden aan de orde.
Strafvermindering?
Strafvermindering, in die zin dat de hoogte van de op te leggen straf in verhouding tot de ernst van het verzuim wordt verlaagd, komt slechts in aanmerking, indien aannemelijk is dat (a) de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, (b) dit nadeel is veroorzaakt door het verzuim, (c) het nadeel geschikt is voor compensatie door middel van strafvermindering en (d) strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. Het hof ziet geen aanleiding om aan het reeds vastgestelde vormverzuim strafvermindering te verbinden. In dat kader wijst het hof in de eerste plaats op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de omstandigheden waaronder het vormverzuim heeft plaatsgevonden en de aard van het vormverzuim.
Daarnaast wordt opgemerkt dat gelet op hetgeen hierna wordt overwogen het vormverzuim geen rol van betekenis heeft gespeeld bij de weging van de in het dossier beschikbare bewijsmiddelen. Ten slotte acht het hof de omstandigheid dat de verdachte is geschaad in zijn verdediging door geen vergelijkend onderzoek te kunnen laten verrichten niet geschikt voor compensatie door middel van strafvermindering. Ook om die redenen ziet het hof geen aanleiding om tot strafvermindering te komen.
Het hof volstaat aldus met de constatering van het vormverzuim. Het verweer wordt derhalve verworpen.’
1.4
Eerder, in 2004, heeft de Hoge Raad met betrekking tot strafvermindering als een aan vormverzuim te verbinden rechtsgevolg overwogen/geoordeeld dat dit slechts in aanmerking komt indien aannemelijk is dat (a) de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, (b) dit nadeel is veroorzaakt door het verzuim, (c) het nadeel geschikt is voor compensatie door middel van strafvermindering, en (d) strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is.1. Nadien heeft de Hoge Raad in het ook door het hof aangehaalde en geciteerde overzichtsarrest van 1 december 2020 daaraan toegevoegd dat strafvermindering zich als rechtsgevolg dat geschikt is voor compensatie van door de verdachte ondervonden nadeel laat verbinden aan onder meer vormverzuimen die een inbreuk hebben gemaakt op de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer van de verdachte maar ook in gevallen waarin, als gevolg van een of meerdere vormverzuimen, in het verloop van de strafprocedure complicaties zijn opgetreden die het voeren van de verdediging ernstig hebben bemoeilijkt, maar waarbij die vormverzuimen vervolgens in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen.2. Daarbij heeft de Hoge Raad ook gewezen op het uitgangspunt van subsidiariteit waardoor het is aangewezen dat indien grond bestaat voor het verbinden van een rechtsgevolg aan het vormverzuim en het door het vormverzuim veroorzaakte nadeel zich laat compenseren door strafvermindering, daarmee wordt volstaan. De toepassing van strafvermindering heeft immers in het licht van de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen aanmerkelijk minder verstrekkende of willekeurige consequenties dan niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging of — onder omstandigheden, afhankelijk van het resterende bewijsmateriaal en de redengevendheid daarvan voor een eventuele bewezenverklaring — de toepassing van bewijsuitsluiting. Strafvermindering kan dan ook niet uitsluitend worden toegepast indien verzuimen hebben geleid tot benadeling van een verdachte in diens strafzaak; ook ander voldoende ernstig geleden nadeel kan grond bieden voor compensatie door strafverlaging.3. In literatuur is overigens ook wel een ruimere toepassing van strafvermindering bepleit met als argument dat daardoor een sterkere prikkel tot normconform handelen wordt gegeven.4. In literatuur is voorts geconstateerd dat het ook voor de hand ligt dat de feitenrechter ruim baan heeft bij de toepassing van deze sanctie gezien de grote beoordelingsvrijheid die de feitenrechter toekomt bij de straftoemetingsvrijheid.5. Terzijde wordt nog opgemerkt dat in het Nieuwe Wetboek van Strafvordering een ‘goede rechtsbedeling’ en ‘de goede rechtsorde’ de nieuwe oriëntatiepunten vormen en opvallend is dat bij schending van systeemvoorschriften de mogelijkheid van een procedurele sanctie uitdrukkelijk en zonder beperking wordt geopend. Dat de verwijtbaarheid van een begaan verzuim als criterium voor sanctionering wordt afgewezen, moet volgens Reijntjes ook als winst worden gezien.6.
1.5
Het oordeel van het hof, dat het hof geen aanleiding ziet om tot strafvermindering te komen omdat het vormverzuim geen rol van betekenis heeft gespeeld bij de weging van de in het dossier beschikbare bewijsmiddelen, is onjuist en/of onbegrijpelijk nu de verdediging juist door middel van het onderzoek aan de tankdop te verkrijgen ontlastend bewijs de mogelijk door het hof uit het (wel/overige) beschikbare bewijsmateriaal te trekken gevolgtrekkingen/conclusies heeft willen bestrijden/aanvechten, zodat in het verloop van de strafprocedure door het teloor gaan van inbeslaggenomen materiaal complicaties zijn opgetreden die het voeren van de verdediging ernstig hebben bemoeilijkt. Dit is overigens ook door het hof zelf al vastgesteld nu het hof expliciet heeft vastgesteld dat ‘een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift en het recht van de verdediging om onderzoek te kunnen verrichten ernstig is geschonden, waardoor de verdachte door het verzuim in zijn verdediging is geschaad’. Nu strafvermindering ook geschikt is voor compensatie van door de verdachte ondervonden nadeel in gevallen waarin zoals i.c. als gevolg van een of meerdere vormverzuimen in het verloop van de strafprocedure complicaties zijn opgetreden die het voeren van de verdediging ernstig hebben bemoeilijkt, is ook het oordeel van het hof dat het door het hof (terecht) vastgestelde vormverzuim niet geschikt is voor compensatie door middel van strafvermindering dan ook onjuist, althans onbegrijpelijk.7.
1.6
Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat ook de overweging van het hof met betrekking tot de ‘omstandigheden waaronder het vormverzuim heeft plaatsgevonden en de aard van het vormverzuim’ eveneens de verwerping van het verweer niet kan dragen, nu niet duidelijk is wat het hof hiermee heeft bedoeld. Indien het hof hiermee doelt op de omstandigheid dat geen sprake is geweest van moedwillige vernietiging van de jerrycan maar dat eerder sprake is geweest van een misverstand en in ieder geval geen sprake is geweest van een vormverzuim dat zich bij herhaling dan wel structureel voordoet en in welk kader het van belang is of kan zijn om een signaal af te geven zodat bewijsuitsluiting aldus volgens het hof ook niet om die reden aan de orde is blijkt hieruit nog niet waarom strafvermindering niet is aangewezen. Daarbij is overigens ook nog van belang dat het niet zo is dat aangenomen kan worden dat een onderzoek naar de in de dop aanwezige stof niet of nauwelijks van belang zou kunnen zijn voor de weging van het bewijs gelet op overtuigende kracht die pleegt te worden toegekend aan een dergelijk onderzoeksresultaat. Zo heeft het hof immers in het arrest als belastend en redengevend bewijs resultaten van een dergelijk onderzoek gebruikt, te weten:
‘Tijdens het onderzoek naar de oorzaak van de brand is een grondmonster (SIN AALX4953NL) genomen onder de beklinkering van de achterplaats van [a-straat 01] aan de rand met [a-straat 02], op de plek waar de speurhond is aangeslagen. Blijkens als bijlage bij proces-verbaal van 26 januari 2022 gevoegde schematische tekening bevindt de locatie van het nemen van het grondmonster zich ter hoogte van de locatie van de door verdachte geplaatste trap de andere zijde van de schutting.
Op het perceel van [a-straat 02] achter het scheidingswandje met de poort worden twee oranje jerrycans aangetroffen; in een daarvan was nog een restje benzine aanwezig.
Deze benzine is overgegoten in een glazen monsterflesje (SIN AAOM7O71NL), waarna de aangetroffen motorbenzine in het grondmonster is vergeleken met de vloeistof uit de oranje jerrycan. Uit dat onderzoek komt samen vattend naar voren dat de motorbenzine samenstelling van het grondmonster een goede overeenkomst vertoont met die van de vloeistof met enige mate van verstoring als gevolg van indamping. De resultaten van het vergelijkend onderzoek zijn veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 (de motorbenzine in het grondmonster [AALX4953NL] en de vloeistof [AAOM7O71NL] hebben een gezamenlijke herkomst) waar is, dan wanneer hypothese 2 (de motorbenzine in het grondmonster [AALX4953NL] en de vloeistof [AAOM7O71NL] hebben een verschillende herkomst) waar is.
De deskundige van het NFI, dr. [naam 2], is bij de rechter-commissaris op 15 november 2021 gehoord. Over de vergelijking van het grondmonster en het monster uit de jerrycan merkt hij op dat er nauwelijks verschillen zijn tussen beide monsters. Hij noemt het een mooie overeenkomst, zo zie ik ze zelden. Even later merkt hij over de twee piekenpatronen van de monsters op:
‘Ik heb hier verbazend weinig verschillen in gezien. Nog steeds zegt het niets als je niet weet wat de variatie is bij de benzines, maar we weten dat variatie tussen benzines heel groot is. Dit hebben we proberen te beschrijven met ‘goede overeenkomst in samenstelling’. Dit zien we zelden. Dat geeft veel meer steun voor hypothese t dan hypothese 2’.
(…)
Hoewel niet kan worden vastgesteld waarin de verdachte heeft getankt, leidt het hof uit hetgeen hiervoor is vastgesteld en het proces-verbaal van de beelden — waarin is gerelateerd dat als de verdachte na het tanken weer richting zijn voordeur loopt hij wederom een jerrycan in zijn linkerhand vasthoudt en dat aan de hand van de wijze waarop hij deze jerrycan vasthoudt wordt geconstateerd dat het erop leek dat de jerrycan zwaarder was — af dat hij benzine in de oranje jerrycan heeft getankt, dezelfde jerrycan die later op de achterplaats van zijn woning wordt gevonden en wordt bemonsterd en waar de samenstelling van de vloeistof in de woorden van de deskundige goede overeenkomst in samenstelling vertoont met de samenstelling van het grondmonster dat is genomen aan de zijde van de [a-straat 01].
(…)’
1.7
Gelet op het bovenstaande is de verwerping van het verweer onvoldoende met redenen omkleed.
Middel II
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de artt. 6 en 13 EVRM, en wel omdat de berechting van verdachte in cassatie niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn, zodat de straf zal moeten worden verminderd.
Toelichting
2.1
Op 5 augustus 2024 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof. In het arrest is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden. Daarnaast heeft het hof de gevangenneming van de verdachte bevolen welk bevel vrij snel nadien (binnen een paar weken) ten uitvoer is gelegd. De stukken van het geding zijn vervolgens pas op 28 maart 2025 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen.
2.2
Bij de beoordeling van de vraag of de behandeling van de zaak binnen de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM heeft plaatsgevonden, moeten het tijdsverloop tijdens de diverse stadia in eerste aanleg, in hoger beroep en in cassatie afzonderlijk worden beoordeeld. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de behandeling van de zaak dient te zijn afgerond binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen.8. Bij het bepalen van de duur van de redelijke termijn is het uitgangspunt dat deze termijn niet 24 maanden, maar 16 maanden beloopt indien de verdachte ‘in voorlopige hechtenis verkeert’9.. In situaties waarin de verdachte slechts een deel van de periode tot aan de uitspraak in voorlopige hechtenis heeft verkeerd, dient de feitenrechter aan de hand van de omstandigheden van het geval te beoordelen of hij de 16- of 24-maandentermijn tot uitgangspunt neemt. De Hoge Raad toetst dit oordeel vervolgens slechts op begrijpelijkheid.10.
2.3
Nu het hof in hoger beroep op 2 augustus 2024 de gevangenneming van verdachte heeft bevolen welk bevel kort nadien ten uitvoer is gelegd en het hof de stukken niet tijdig, te weten binnen zes maanden na het instellen van beroep in cassatie naar de griffie van de Hoge Raad heeft gezonden is de redelijke termijn van de berechting geschonden, hetgeen dient te leiden tot strafverlaging.11.
Dat
Op vorenstaande gronden het u Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
Rotterdam, 19 juni 2025
Advocaten
R.J. Baumgardt
M.J. van Berlo
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 19‑06‑2025
HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, rechtsoverweging 3.6.3.
Randnummer 2.3.4. HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169, m.nt. N. Jörg.
Vgl. HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1092, NJ 2022/278, m.nt. A.H. Klip.
Zie voetnoot 489 in G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer Kluwer 2021, XV!.14, waarin wordt verwezen naar T. Kooijmans, ‘Elk nadeel heb z'n voordeel? Artikel 359a en de ontdekking van het strafbare feit’, DD 2011, p. 1107–1108 en M.J. Borgers, ‘de toekomst van artikel 359a Sv’, DD 2012, p. 271–272.
M. Samadi, Een nieuw beoordelingskader voor de sanctionering van vormverzuimen: een stap in de goede richting? NTS 2022, nr. 1, 23–30.
Reijntjes, J. M. (2021). Vergelding van vormfouten. In J. Altena, J. Cnossen, J. Crijns, P. Schuyt, & J. ten Voorde (Eds.), In onderlinge samenhang: Liber Amicorum Tineke Cleiren (pp. 803–817).
Zie in dit verband bijvoorbeeld ook Gerechtshof Amsterdam 9 september 2014, ECLI:NL: GHAMS:2014:3859.
HR 3 oktober 2000, NJ 2000/721, m.nt. J. de Hullu, alsmede HR 14 juni 2008, NJ 2008/358, m.nt. P.A.M. Mevis.
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rov. 3.15.
Vgl. CAG van toenmalig AG Bleichrodt van 6 april 2021, ECLI:NL:PHR:2021:336, onder 65–70.
HR 3 oktober 2000, NJ 2000/721, m.nt. J. de Hullu, alsmede HR 14 juni 2008, NJ 2008/358, m.nt. P.A.M. Mevis.