NJ 2026/107
Redelijke termijn in cassatie bij voorlopig gehechte verdachte.
HR 20-01-2026, ECLI:NL:HR:2026:75, m.nt. W.H. Vellinga
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
20 januari 2026
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, C.N. Dalebout, F. Damsteegt
- Zaaknummer
24/03030
- Conclusie
A-G mr. V.M.A. Sinnige
- Noot
W.H. Vellinga
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD52528:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Rechtsmiddelen
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2026:75, Uitspraak, Hoge Raad, 20‑01‑2026
ECLI:NL:PHR:2025:1225, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑11‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 25‑09‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 25‑09‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 19‑06‑2025
- Wetingang
Art. 6 lid 1 EVRM
Essentie
Redelijke termijn in cassatie. Voor de vraag of de termijn voor het inzenden van de stukken naar de Hoge Raad is overschreden, is beslissend of verdachte op de datum waarop het cassatieberoep is ingesteld in voorlopige hechtenis verkeert. Voor wat betreft de gehele duur van de cassatieprocedure is van belang de datum waarop de aanzegging ex art. 435 Sv aan de verdachte is betekend.
Samenvatting
Onder overschrijding van de redelijke termijn is mede begrepen de overschrijding van de termijn voor het inzenden van de stukken naar de Hoge Raad nadat cassatieberoep is ingesteld. Die inzendtermijn is ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.