NJB 2026/249:De redelijke termijn voor het inzenden van de stukken naar de Hoge Raad, art. 6 lid 1 EVRM: die inzendtermijn is gesteld op acht maanden, maar in (onder meer) zaken waarin de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert, is de inzendtermijn op zes maanden gesteld. Voor de vraag of de verdachte in voorlopige hechtenis verkeert, is beslissend de datum waarop het cassatieberoep is ingesteld. In casu bevond de verdachte zich op dat moment niet in voorlopige hechtenis. De redelijke termijn van de cassatieprocedure, art. 6 lid 1 EVRM: wat betreft de duur van de cassatieprocedure is van belang de datum waarop de aanzegging door de Hoge Raad als bedoeld in art. 435 Sv aan de verdachte is betekend. Op die datum bevond de verdachte zich op grond van de door het hof bevolen gevangenneming wel in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad gaat daarom uit van een redelijke termijn van zestien maanden.