Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/4.4.5.1
4.4.5.1 Inleiding
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS580697:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de vraag in hoeverre het rolrichtlijnen-arrest ook van toepassing is op andere rechtersregelingen dan rolreglementen § 4.5. Vooruitlopend daarop spreek ik hier van binding aan rechtersregelingen in het algemeen.
Zie over de wijze waarop deze toetsing in cassatie gestalte kan krijgen § 6.3.
Zie hierover eerder § 4.3.5.
Zie in gelijke zin inmiddels ook CRvB 17 april 2003, JB 2003, 190 m.nt. E.C.H.J. van der Linden m.b.t. de Procesregeling bestuursrecht.
Zie over het vereiste van 'behoorlijke bekendmaking' uitgebreider § 5.3.
Zie daarover § 4.4.3.2en§ 4.4.4.2.
Een van de belangrijkste aspecten van het rolrichtlijnen-arrest is, zo werd in § 4.2.4 al aangestipt, dat in dit arrest voor het eerst is aanvaard dat een rechtersregeling (althans een rolreglement1) de rechter kan binden. Bovendien kan een zodanige regeling onder voorwaarden gelden als recht in de zin van art. 79 RO, waardoor in cassatie de beslissing van de feitenrechter in beginsel tevens aan die rechtersregeling getoetst kan worden.2
Het rolrichtlijnen-arrest sluit daarmee ook in dit opzicht geheel aan bij de jurisprudentie inzake beleidsregels. Wanneer beleidsregels afkomstig zijn van het bevoegde bestuursorgaan en behoorlijk bekendgemaakt zijn, binden zij het bestuursorgaan op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.3 In het rolrichtlijnen-arrest volgt de Hoge Raad voor de binding van de rechter aan een rechtersregeling eenzelfde redenering.4 Het betrokken rolreglement was immers vastgesteld door de Haagse rechtbank en bevatte regels omtrent de uitoefening van de rechtsprekende bevoegdheden (te weten het 'rolbeleid') van die rechtbank. Hoewel de Hoge Raad dit niet met zoveel woorden zegt, ging het hier dus om de in § 4.4.4.4 reeds besproken zelfbinding. Tevens was het reglement behoorlijk bekendgemaakt, aangezien het ter kennis was gebracht van alle leden van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag.5 In dat geval is de rechter, op grond van wat de Hoge Raad aanduidt als 'algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging', gebonden aan de bepalingen van het rolreglement. Niet nader gespecificeerd wordt overigens wat die algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging inhouden. Aan te nemen valt dat het ook in dit verband - in elk geval - gaat om het gelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheids- of vertrouwensbeginsel. Deze beginselen spelen derhalve niet alleen een rol bij de fundering van de bevoegdheid tot vaststelling van rechtersregelingen,6 maar vormen tevens de grondslag voor binding van de rechter daaraan.