Kennelijk wordt met “eerste lid” bedoeld: tweede lid. Die fout in het door het hof gedeeltelijk overgenomen vonnis van de rechtbank is door het hof niet hersteld.
HR, 19-12-2023, nr. 22/00793
ECLI:NL:HR:2023:1767
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
19-12-2023
- Zaaknummer
22/00793
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Juridische beroepen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:1767, Uitspraak, Hoge Raad, 19‑12‑2023; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:915
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2022:3901
ECLI:NL:PHR:2023:915, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 31‑10‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:1767
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2023-0224
Uitspraak 19‑12‑2023
Inhoudsindicatie
(Medeplegen) valsheid in geschrift door als medewerker bij notariskantoor diverse stukken te vervalsen, art. 225.1 en 225.2 Sr. Motivering bijkomende straf (ontzetting van recht tot uitoefening van beroep van kandidaat-notaris, notarisklerk, notarieel medewerker en anderszins verrichten van werkzaamheden op notariskantoor of in notariële (advies)praktijk), art. 28.1.5 en 235.1 Sr. 1. Heeft verdachte strafbare feiten begaan in uitoefening van beroep van notarieel medewerker? 2. Heeft bijkomende straf, v.zv. ontzetting ziet op anderszins verrichten van werkzaamheden ‘op notariskantoor’, betrekking op recht op uitoefening van beroep dat in voldoende verband staat met beroep waarin strafbaar feit is begaan? Ad 1. O.g.v. art. 28.1 Sr kan verdachte worden ontzet van recht bepaalde beroepen uit te oefenen. Die mogelijkheid bestaat in de bij wet bepaalde gevallen en als strafbaar feit is begaan in uitoefening van dat beroep. Deze ontzetting moet betrekking hebben op recht op uitoefening van beroep dat in voldoende verband staat met beroep waarin strafbaar feit is begaan (vgl. HR:2020:1378). Hof heeft vastgesteld dat verdachte, nadat hij eerder was ontzet van ambt van notaris, gedurende 3 jaren in zijn functie als medewerker bij notariskantoor, in samenwerking met notaris, diverse stukken heeft vervalst dan wel valselijk heeft opgemaakt. Daarin ligt als ’s hofs niet onbegrijpelijke oordeel besloten dat verdachte de strafbare feiten heeft begaan in uitoefening van beroep van notarieel medewerker. Ad 2. Formulering van bijkomende straf voldoet, v.zv. ontzetting betrekking heeft op anderszins verrichten van werkzaamheden ‘op notariskantoor’, niet aan vereiste dat ontzetting betrekking moet hebben op recht op uitoefening van beroep dat in voldoende verband staat met beroep waarin strafbaar feit is begaan. Uit ‘s hofs motivering van opgelegde ontzetting van uitoefening van beroep volgt echter dat hof met bijkomende straf niet het oog heeft gehad op werkzaamheden ‘op notariskantoor’ die geen verband houden met notariële (advies)praktijk. HR doet zaak zelf af en verstaat ‘anderszins verrichten op notariskantoor of in notariële (advies)praktijk’ als ‘enig ander beroep dat inhoudt dat met notariële (advies)praktijk verbonden werkzaamheden worden verricht’.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/00793
Datum 19 december 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 23 februari 2022, nummer 23-001849-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend voor zover de bijkomende straf verder strekt dan de ontzetting van het recht tot de uitoefening van het beroep van kandidaat-notaris, notarisklerk, notarieel medewerker of daarmee vergelijkbare werkzaamheden in de notariële (advies)praktijk, te verstaan dat de bijkomende straf de ontzetting van het recht tot de uitoefening van het beroep van kandidaat-notaris, notarisklerk, notarieel medewerker of daarmee vergelijkbare werkzaamheden in de notariële (advies)praktijk betreft, en het beroep voor het overige te verwerpen.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de door het hof opgelegde bijkomende straf van ontzetting van het recht van de verdachte tot de uitoefening van het beroep van kandidaat-notaris, notarisklerk, notarieel medewerker en het anderszins verrichten van werkzaamheden op een notariskantoor of in de notariële (advies)praktijk.
2.2.1
Het hof heeft het vonnis in eerste aanleg bevestigd behalve ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en met aanvulling van gronden ten aanzien van de bijkomende straf van ontzetting. De verdachte is veroordeeld voor het in de periode van 1 december 2014 tot en met 8 december 2017 ‘medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd’ en ‘valsheid in geschrift, meermalen gepleegd’ tot een gevangenisstraf van dertien maanden. Daarnaast is aan de verdachte de volgende bijkomende straf opgelegd:
“Ontzet verdachte uit het recht tot de uitoefening van het beroep van kandidaat-notaris, notarisklerk, notarieel medewerker en het anderszins verrichten van werkzaamheden op een notariskantoor of in de notariële (advies)praktijk, voor 5 (vijf) jaar.”
2.2.2
De strafmotivering van het hof houdt onder meer in dat de verdachte gedurende een periode van drie jaren in zijn functie als medewerker bij een notariskantoor, in samenwerking met een notaris, diverse stukken heeft vervalst, dan wel valselijk heeft opgemaakt.
2.2.3
De door het hof bevestigde motivering in het vonnis van de opgelegde ontzetting van de uitoefening van een beroep houdt het volgende in:
“Verdachte is in 2013 door de Kamer voor het Notariaat ontzet uit het ambt van notaris. Desondanks is verdachte opnieuw en tegen de beroepsregels in tóch bij een notariskantoor gaan werken. Er zijn bovendien aanwijzingen dat verdachte ook na het aan het licht komen van deze zaak nog notariële werkzaamheden heeft verricht. De rechtbank vindt het daarom van belang dat aan verdachte het door de officier van justitie gevraagde beroepsverbod wordt opgelegd, zodat hij op geen enkele manier nog in het notariaat werkzaam zal kunnen zijn. De rechtbank zal verdachte dan ook voor 5 jaar ontzetten uit het recht tot de uitoefening van het beroep van kandidaat-notaris, notarisklerk, notarieel medewerker en het anderszins verrichten van werkzaamheden op een notariskantoor of in de notariële (advies)praktijk. De wettelijke grondslag voor dit verbod is te vinden in de artikelen artikel 28, eerste lid, onder 5°, 235 en 325 van het Wetboek van Strafrecht.”
2.2.4
Het hof heeft in zijn arrest deze motivering als volgt aangevuld:
“De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep de wens uitgesproken om op enig moment weer aan het werk te kunnen in het notariaat. Nu de verdachte tot twee maal toe betrokken is geweest bij gesjoemel met derdengelden op een notariskantoor, is de oplegging van een beroepsverbod – dat alle functies binnen een notariskantoor omvat – geboden. Op die manier wordt de verdachte, in elk geval in de eerste precaire periode, niet blootgesteld aan de verleiding opnieuw dergelijke strafbare feiten te plegen. Daarbij gaat het hof ervan uit dat het beroepsverbod de huidige werkzaamheden van de verdachte binnen zijn juridische advieskantoor niet raakt. Het is niet de bedoeling met het beroepsverbod de huidige werkzaamheden van de verdachte te doorkruisen, omdat die werkzaamheden uitsluitend het bieden van advies en geen notariële activiteiten behelzen.”
2.3
Voor de beoordeling van het cassatiemiddel zijn de volgende bepalingen van belang:
- artikel 28 lid 1, aanhef en onder 5°, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr):
“1. De rechten waarvan de schuldige, in de bij de wet bepaalde gevallen, bij rechterlijke uitspraak kan worden ontzet, zijn:
5°. de uitoefening van bepaalde beroepen.”
- artikel 235 lid 1 Sr:
“Bij veroordeling wegens een der in deze titel omschreven misdrijven, kan de schuldige worden ontzet van de uitoefening van het beroep waarin hij het misdrijf begaan heeft.”
De misdrijven valsheid in geschrift en het opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift zijn in dezelfde titel van het Wetboek van Strafrecht opgenomen als artikel 235 Sr.
2.4
Op grond van artikel 28 lid 1 Sr kan een verdachte worden ontzet van onder meer het recht bepaalde beroepen uit te oefenen. Die mogelijkheid bestaat in de bij de wet bepaalde gevallen en als het strafbare feit is begaan in de uitoefening van dat beroep. Deze ontzetting moet betrekking hebben op het recht op uitoefening van een beroep dat in voldoende verband staat met het beroep waarin het strafbaar feit is begaan. (Vgl. HR 8 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1378.)
2.5.1
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte, nadat hij eerder was ontzet van het ambt van notaris, gedurende drie jaren in zijn functie als medewerker bij een notariskantoor, in samenwerking met een notaris, diverse stukken heeft vervalst dan wel valselijk heeft opgemaakt. Daarin ligt als niet onbegrijpelijk oordeel van het hof besloten dat de verdachte de strafbare feiten heeft begaan in de uitoefening van het beroep van notarieel medewerker. De tegen dit oordeel gerichte klacht van het cassatiemiddel faalt.
2.5.2
De door het hof opgelegde bijkomende straf betreft de ontzetting van het recht tot uitoefening van ‘het beroep van kandidaat-notaris, notarisklerk, notarieel medewerker en het anderszins verrichten van werkzaamheden op een notariskantoor of in de notariële (advies)praktijk’. Het cassatiemiddel klaagt terecht dat de formulering van deze bijkomende straf, voor zover de ontzetting betrekking heeft op het anderszins verrichten van werkzaamheden ‘op een notariskantoor’, niet voldoet aan het onder 2.4 genoemde vereiste dat de ontzetting betrekking moet hebben op het recht op uitoefening van een beroep dat in voldoende verband staat met het beroep waarin het strafbaar feit is begaan. Nu uit de onder 2.2.3 en 2.2.4 weergegeven overwegingen echter volgt dat het hof met de bijkomende straf niet het oog heeft gehad op werkzaamheden ‘op een notariskantoor’ die geen verband houden met de notariële (advies)praktijk, zal de Hoge Raad de zaak zelf afdoen door de formulering ‘het anderszins verrichten op een notariskantoor of in de notariële (advies)praktijk’ te verstaan als ‘enig ander beroep dat inhoudt dat met de notariële (advies)praktijk verbonden werkzaamheden worden verricht’.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- verstaat de door het hof opgelegde bijkomende straf zo dat de verdachte wordt ontzet van het recht tot uitoefening van het beroep van kandidaat-notaris, notarisklerk, notarieel medewerker en enig ander beroep dat inhoudt dat met de notariële (advies)praktijk verbonden werkzaamheden worden verricht;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 december 2023.
Conclusie 31‑10‑2023
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Art. 28.1 Sr. Ontzetting uit een beroep te ruim geformuleerd. Conclusie strekt tot gedeeltelijke vernietiging en tot herstel door de Hoge Raad.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/00793
Zitting 31 oktober 2023
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 23 februari 2022 door het gerechtshof Amsterdam wegens “Medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd en valsheid in geschrift, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 maanden.1.De verdachte is daarbij de bijkomende straf van ontzetting uit een beroep zoals in het arrest bepaald opgelegd voor de duur van vijf jaren.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
2. Het middel
2.1
Het middel klaagt over de opgelegde ontzetting van het recht een beroep uit te oefenen
2.2
De door de rechtbank opgelegde ontzetting uit een beroep, die door het hof is bevestigd, is als volgt geformuleerd:
“Ontzet verdachte uit het recht tot de uitoefening van het beroep van kandidaat-notaris, notarisklerk, notarieel medewerker en het anderszins verrichten van werkzaamheden op een notariskantoor of in de notariële (advies)praktijk, voor 5 (vijf) jaar.”
2.3
De motivering van de rechtbank daarvan, die door het hof is bevestigd, luidt als volgt:
“Verdachte is in 2013 door de Kamer voor het Notariaat ontzet uit het ambt van notaris. Desondanks is verdachte opnieuw en tegen de beroepsregels in tóch bij een notariskantoor gaan werken. Er zijn bovendien aanwijzingen dat verdachte ook na het aan het licht komen van deze zaak nog notariële werkzaamheden heeft verricht. De rechtbank vindt het daarom van belang dat aan verdachte het door de officier van justitie gevraagde beroepsverbod wordt opgelegd, zodat hij op geen enkele manier nog in het notariaat werkzaam zal kunnen zijn. De rechtbank zal verdachte dan ook voor 5 jaar ontzetten uit het recht tot de uitoefening van het beroep van kandidaat-notaris, notarisklerk, notarieel medewerker en het anderszins verrichten van werkzaamheden op een notariskantoor of in de notariële (advies)praktijk. De wettelijke grondslag voor dit verbod is te vinden in de artikelen artikel 28, eerste lid, onder 5°, 235 en 3252.van het Wetboek van Strafrecht.”
2.4
Het hof heeft in zijn arrest deze motivering als volgt aangevuld:
“De rechtbank heeft de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde voor een periode van vijf jaar ontzet uit het recht in enige hoedanigheid werkzaam te zijn in het notariaat. Het hof verenigt zich met die beslissing, sluit zich aan bij de motivering daarvan op pagina 6 van het vonnis en voegt daar het volgende aan toe. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep de wens uitgesproken om op enig moment weer aan het werk te kunnen in het notariaat. Nu de verdachte tot twee maal toe betrokken is geweest bij gesjoemel met derdengelden op een notariskantoor, is de oplegging van een beroepsverbod – dat alle functies binnen een notariskantoor omvat – geboden. Op die manier wordt de verdachte, in elk geval in de eerste precaire periode, niet blootgesteld aan de verleiding opnieuw dergelijke strafbare feiten te plegen. Daarbij gaat het hof ervan uit dat het beroepsverbod de huidige werkzaamheden van de verdachte binnen zijn juridische advieskantoor niet raakt. Het is niet de bedoeling met het beroepsverbod de huidige werkzaamheden van de verdachte te doorkruisen, omdat die werkzaamheden uitsluitend het bieden van advies en geen notariële activiteiten behelzen.”
2.5
In de schriftuur wordt allereerst geklaagd dat het hof in het midden heeft gelaten in de uitoefening van welk beroep de verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft begaan. Deze klacht lijkt mij ongegrond, nu het hof heeft vastgesteld dat “de verdachte tot twee maal toe betrokken is geweest bij gesjoemel met derdengelden op een notariskantoor”.
2.6
In de schriftuur wordt verder geklaagd dat de opgelegde beroepsontzetting zo ruim is geformuleerd dat daaronder alle werkzaamheden op een notariskantoor vallen, ook werkzaamheden die op geen enkele manier verband houden met het strafbare feit. In dat kader wordt in de schriftuur gewezen op “de functie van telefonist, receptionist, IT-specialist en schoonmaker op een notariskantoor of in de notariële adviespraktijk”.
2.7
Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van belang:
- Art. 28 lid 1 Sr:
“De rechten waarvan de schuldige, in de bij de wet bepaalde gevallen, bij rechterlijke uitspraak kan worden ontzet, zijn:
(…)
5°. de uitoefening van bepaalde beroepen.”
- Art. 235 lid 1 Sr:
“Bij veroordeling wegens een der in deze titel omschreven misdrijven, kan de schuldige worden ontzet van de uitoefening van het beroep waarin hij het misdrijf begaan heeft.”
2.8
Een verdachte kan op grond van art. 28 lid 1 Sr worden ontzet uit het recht bepaalde beroepen uit te oefenen. Daarvoor moet het strafbare feit zijn begaan in de uitoefening van dat beroep.3.De ontzetting moet betrekking hebben op het recht op uitoefening van een beroep dat in voldoende verband staat met het beroep waarin het strafbare feit is begaan.4.
2.9
Uit de door het hof bevestigde motivering van de rechtbank blijkt dat het doel van het beroepsverbod is dat de verdachte “op geen enkele manier nog in het notariaat werkzaam zal kunnen zijn”. Het hof heeft daaraan in zijn arrest toegevoegd dat “een beroepsverbod – dat alle functies binnen een notariskantoor omvat – geboden” is, zodat de verdachte “in elk geval in de eerste precaire periode, niet [wordt] blootgesteld aan de verleiding opnieuw dergelijke strafbare feiten te plegen”. Ik meen dat uit die motivering kan worden afgeleid dat het hof heeft beoogd een beroepsverbod op te leggen voor alle notariële activiteiten.
2.10
Het beroepsverbod is dan inderdaad te ruim geformuleerd voor zover daarmee “het anderszins verrichten van werkzaamheden op een notariskantoor of in de notariële (advies)praktijk” wordt verboden. Dat omvat immers ook werkzaamheden die geen verband houden met de gedragingen die de verdachte worden verweten. De Hoge Raad heeft een eerdere zaak over zo’n te ruim geformuleerd beroepsverbod zelf afgedaan door het verbod anders te verstaan.5.Ik zal daarom overeenkomstig concluderen, te weten dat het verbod zo worde verstaan dat daaronder valt de ontzetting van het recht tot de uitoefening van het beroep van kandidaat-notaris, notarisklerk, notarieel medewerker “of daarmee vergelijkbare werkzaamheden in de notariële (advies)praktijk”.
3. Slotsom
3.1
Het middel slaagt. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot:
- vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend voor zover de bijkomende straf verder strekt dan de ontzetting van het recht tot de uitoefening van het beroep van kandidaat-notaris, notarisklerk, notarieel medewerker of daarmee vergelijkbare werkzaamheden in de notariële (advies)praktijk;
- verstaan dat de bijkomende straf de ontzetting van het recht tot de uitoefening van het beroep van kandidaat-notaris, notarisklerk, notarieel medewerker of daarmee vergelijkbare werkzaamheden in de notariële (advies)praktijk betreft;
- verwerping het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 31‑10‑2023
HR 8 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1378, r.o. 2.4.
HR 8 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1378, r.o. 2.4.
Vgl. HR 8 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1378, r.o. 2.5.3.