Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht
Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/4.4.5.4:4.4.5.4 Voorafgaande binding
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/4.4.5.4
4.4.5.4 Voorafgaande binding
Documentgegevens:
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS574757:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze binding kan wel in die zin afhankelijk van toepassing zijn, dat de (hogere) rechter in een bepaalde zaak tot de conclusie kan komen dat een rechtersregeling de grenzen van de toegekende beslissingsruimte overschrijdt en daarmee 'onverbindend' is (zie daarover ook § 4.4.4.3).
Zie hierover uitgebreid hoofdstuk 7 en 8.
Zie over dit laatste geval § 8.4.
Zie daarover § 4.6 alsmede hoofdstuk 5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een laatste punt dat hier de aandacht verdient, is dat de binding aan rechtersregelingen die voldoen aan de hier besproken voorwaarden, steeds een voorafgaande binding is. Ik doel hiermee op het feit dat de bindende werking van deze regels reeds hierop berust, dat door (een aantal) rechters een keuze is gemaakt ten aanzien van de invulling van de beslissingsruimte die in een bepaalde regel besloten ligt, en het resultaat van deze keuze aan de justitiabelen, of althans hun procesvertegenwoordigers, bekend is gemaakt. Binding op grond van de algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging ontstaat dan van aanvang af en, in beginsel, onafhankelijk van toepassing door de rechter.1
De binding aan dit type rechtersregelingen draagt daarmee in zoverre een ander karakter dan de binding die aan 'gewone' rechterlijke regels (dat wil zeggen de in jurisprudentie gevormde regels) toekomt. Binding aan jurispru-dentierecht kan ontstaan via precedentwerking.2 Of dit inderdaad het geval is, kan (mede) afhangen van de vraag of een bepaalde beslissing nadien door andere beslissingen wordt gevolgd, met andere woorden: precedentwaarde verkrijgt. Binding ontstaat in dat geval niet, althans niet per definitie, op het moment dat een bepaalde jurisprudentiële regel wordt gevormd, maar pas gaandeweg.3
Dit specifieke karakter van de binding aan 'art. 79 RO-rechtersregelingen' is met name van belang voor de vraag, hoe de voorwaarden waaronder een rechtersregeling als recht in de zin van art. 79 RO kan gelden en de rechter op de hier besproken wijze kan binden, in concrete moeten worden ingevuld.4