Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/6.3.3.2
3.3.2 De legitieme
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948143:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de legitieme uitvoerig de erfrechtelijke handboeken, waaronder M.J.A van Mourik, in: Handboek Erfrecht 2020, hoofdstuk X en Asser/Perrick 4 2021, hoofdstuk 8.
Zie Asser/Perrick 4 2021/334. Zie tevens M.J.A. van Mourik, in: Handboek Erfrecht 2020, p. 92.
Zie paragraaf 3.2.2 hiervóór.
Zie over de overdraagbaarheid van deze bevoegdheden B.C.M. Waaijer, in: Handboek Erfrecht 2020, p. 425-427 en Asser/Perrick 4 2021/359 en 360.
Zie paragraaf 3.2.2 hiervóór.
Vgl. paragraaf 3.2.2 en paragraaf 3.2.3 hiervóór, onder verwijzing naar Kamerstukken II 2013/14, 33 987, nrs. 3 en 6, p. 1-2 en 5.
Zie paragraaf 4.3 van hoofdstuk 7.
296. Artikel 4:63 lid 1 BW omschrijft de legitieme portie als het gedeelte van de waarde van het vermogen van de erflater waar de legitimaris in weerwil van giften en uiterste wilsbeschikkingen van de erflater aanspraak op kan maken. Artikel 4:63 lid 2 BW bepaalt dat legitimarissen de afstammelingen van de erflater zijn die door de wet als erfgenamen tot zijn nalatenschap worden geroepen, hetzij uit eigen hoofde, hetzij bij plaatsvervulling met betrekking tot personen die op het ogenblik van het openvallen der nalatenschap niet meer bestaan of onwaardig zijn. De omvang van de legitimaire portie van een kind van de erflater bedraagt volgens artikel 4:64 lid 1 BW de helft van de waarde waarover de legitimaire porties worden berekend, gedeeld door het aantal in artikel 4:10 lid 1 onder a genoemde, door de erflater achtergelaten, personen. De wijze waarop de omvang van de legitimaire porties wordt vastgesteld, is geregeld in artikel 4:65 BW e.v.1
297. Artikel 4:63 BW kent aan in dat artikel genoemde groep van personen de bevoegdheid toe aanspraak te maken op de legitieme portie. Wordt van die bevoegdheid gebruik gemaakt, dan ontstaat op grond van artikel 4:79 jo. 4:80 lid 1 BW een vordering in geld op de gezamenlijke erfgenamen dan wel, wanneer de nalatenschap is verdeeld overeenkomstig artikel 4:13 BW, een vordering op de als erfgenaam achtergelaten echtgenoot van de erflater. Is hetgeen een legitimaris op grond van zijn in artikel 4:80 lid 1 BW bedoelde vordering kan verkrijgen onvoldoende om hem zijn legitieme portie te verschaffen, dan verkrijgt hij op grond van artikel 4:79 jo. 4:89 jo. 4:90 BW bovendien een vordering in geld op degenen die een voor inkorting vatbare gift hebben ontvangen. Uit dit alles volgt dat ook de legitieme in eerste instantie een wilsrecht is, net zoals de hiervoor reeds genoemde wilsrechten van artikel 4:19-4:22 BW, en de hierna in paragraaf 3.3.3 nog te behandelen ‘andere wettelijke rechten’.2 Waar bij de wilsrechten van artikel 4:19-4:22 BW nog betwijfeld zou kunnen worden of deze als goederen kwalificeren,3 is daar bij de legitieme geen twijfel over. De bevoegdheden van de legitimaris kunnen worden overgedragen (zie artikel 4:92 lid 3 BW) en zijn op geld waardeerbaar.4 Aldus is aan alle voorwaarden van artikel 3:6 BW voldaan. Op grond van artikel 1:94 lid 2 sub c BW valt het legitimaire wilsrecht dus buiten de beperkte wettelijke huwelijksgemeenschap waarin de legitimaris is gehuwd. Ook bij de legitieme is vervolgens sprake van de trits wilsrecht-vordering-geïnde, die hiervoor bij de versterferfrechtelijke wilsrechten ook al ter sprake is gekomen.5 Als de legitieme wordt ingeroepen, wordt deze vervangen door een vordering, welke vordering op zijn beurt middels inning wordt vervangen door een geldbedrag. Wilsrecht, vordering en geïnde kwalificeren daarbij als afzonderlijke goederen, zodat bij iedere vervanging beoordeeld zal moeten worden of het vervangende goed eveneens buiten de beperkte wettelijke huwelijksgemeenschap valt. Ook hier geldt daarbij dat de hele trits van wilsrecht-vordering-geïnde op grond van artikel 1:94 lid 2 sub c BW rechtstreeks van de beperkte huwelijksgemeenschap is uitgezonderd. Wederom sluit dit het meest aan bij de bedoeling van de wetgever om al hetgeen niet door gemeenschappelijke inspanning van de echtgenoten tijdens het huwelijk is verkregen buiten de beperkte huwelijksgemeenschap te laten vallen.6 Bovendien spreekt artikel 1:94 lid 2 sub c BW over (onderstreping TS): “[…], alsmede hetgeen wordt verkregen ingevolge de artikelen […], 63 tot en met 92 van Boek 4.” Daaronder zijn dus óók begrepen de vorderingen die op grond van artikel 4:80 BW, 4:89 BW en 4:90 BW kunnen ontstaan na uitoefening van het wilsrecht. Het is logisch om te veronderstellen dat dit vervolgens ook geldt voor hetgeen op die vorderingen wordt geïnd. Ook hier is dus geen regeling van zaaksvervanging nodig om de gehele trits van wilsrecht-vordering-geïnde buiten de beperkte huwelijksgemeenschap te laten vallen; de gehele trits valt rechtstreeks onder de uitzondering van artikel 1:94 lid 2 sub c BW. Zou daar anders over worden gedacht dan wordt de vervanging van de vordering door het geïnde beheerst door artikel 1:94 lid 6 BW. Dat geïnde kwalificeert immers als ‘hetgeen wordt geïnd op een vordering die buiten de gemeenschap valt’ als bedoeld in dat artikel.7 In dat geval vallen dus de legitieme en de vordering die door uitoefening van die legitieme ontstaat op grond van artikel 1:94 lid 2 sub c BW rechtstreeks buiten de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen, en valt het op de vordering geïnde vervolgens op grond van artikel 1:94 lid 6 BW buiten de gemeenschap. Ook in dat geval valt dus de hele trits van wilsrecht-vordering-geïnde buiten de beperkte huwelijksgemeenschap waarin de legitimaris gehuwd mocht zijn.